Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW1288

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
11/01758
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1288
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2013:6367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitleg stamrechtovereenkomst; verrekening prepensioenuitkeringen met stamrechtpolis. Onbegrijpelijk oordeel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Wet op de loonbelasting 1964
Wet op de loonbelasting 1964 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/208
RvdW 2012/925
PJ 2012/147 met annotatie van M. Heemskerk
NJB 2012/1613
JAR 2012/208
JWB 2012/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2012

Eerste Kamer

11/01758

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. REEF BEHEER B.V.,

2. REEF INFRA B.V.,

beide gevestigd te Oldenzaal,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Reef en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 69415/HA ZA 05-180 van de rechtbank Almelo van 20 april 2005, 22 februari 2006 en 20 december 2006;

b. de arresten in de zaken 104.003.466 en 104.003.575 van het gerechtshof te Arnhem van 24 november 2009 (tussenarresten) en 21 december 2010 (eindarrest) aangevuld bij beslissing van 8 maart 2011.

Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft Reef beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor Reef toegelicht door mr. S.F. Sagel en mr. E.M. Snijders, advocaten te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.

Mr. Snijders voornoemd heeft namens Reef bij brief van 20 april 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is in 1998 als algemeen en statutair directeur in dienst getreden bij Reef. Het dienstverband is per 31 december 2004 beëindigd. [Verweerder] was op dat moment 601/2 jaar oud.

(ii) Omdat onduidelijk was of [verweerder], die vanaf zijn 65ste pensioen zou krijgen, na het einde van het dienstverband aanspraak zou hebben op een VUT- of prepensioenuitkering, hebben partijen op 27 juli 2000 een stamrechtovereenkomst als bedoeld in destijds artikel 11 lid 1 letter e van de Wet op de Loonbelasting 1964 gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

"in aanmerking nemende dat

- er onzekerheid bestaat over de vraag of [verweerder] te zijner tijd recht heeft op uitkeringen ingevolge bedrijfstakgewijze VUT-regeling of prepensioenregeling en tot welk bedrag;

- Reef bereid is een aanspraak op periodieke uitkeringen toe te kennen indien de winst dat toelaat, dit ter aanvulling op het inkomen van [verweerder] na beëindiging van zijn dienstbetrekking in verband met het vervallen van arbeidsinkomsten op dat moment of bij ontbreken van VUT- of prepensioenuitkeringen op dat moment;

- Reef aan [verweerder] reeds een pensioentoezegging heeft gedaan voor een pensioen ingaande op 65 jaar, welke partijen ongewijzigd willen voortzetten; (...)

Artikel 1

Reef kent aan [verweerder] toe een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van te derven loon als bedoeld in art. 11 lid 1 letter e van de Wet op de Loonbelasting 1964, ter aanvulling op of ter vervanging van VUT en/of prepensioenuitkeringen die hij uit andere hoofde zal of zou ontvangen of wegens het derven van arbeidsinkomsten wegens een eerdere beëindiging der dienstbetrekking, een en ander onder de opschortende voorwaarden genoemd in artikel 4 en 5.

Deze periodieke uitkeringen zullen worden uitgekeerd in de vorm van een lijfrente, ondergebracht bij een professionele verzekeraar als bedoeld in de WTV 1993 (Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf), en zij zullen voldoen aan het gestelde terzake in de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 2

De hoogte van deze periodieke uitkeringen zal met inachtneming van het gestelde in art. 4 en 5 verder uitsluitend worden bepaald door de bedragen die daarvoor gestort zijn door Reef, het daarop behaalde rendement (na verrekening van kosten) en de tarieven die gelden bij de verzekeraar bij wie de lijfrente ter uitvoering daarvan wordt bedongen.

(...)

Artikel 4

Reef stelt zijn bijdragen voor deze aanspraken beschikbaar onder de opschortende voorwaarden dat voldaan wordt aan de in artikel 5 opgenomen eisen met betrekking tot de door Reef behaalde winst, en de in artikel 7 genoemde omstandigheid dat [verweerder] géén recht heeft op een VUT-uitkering of prepensioen ten laste van het SFB. Daartoe zullen alle bijdragen vooralsnog gestort worden bij een professionele levensverzekeringsmaatschappij als bedoeld in de WTV 1993, in een polis van levensverzekering op het leven van [verweerder], waarbij Reef als verzekeringnemer én begunstigde optreedt. (...)

Artikel 5

De hoogte van de door Reef te betalen bijdragen wordt als volgt berekend. Allereerst zal gelden dat slechts bijdragen worden verleend over de jaren 1999 tot en met 2004. De bijdrage per jaar is het verschil tussen de winst van Reef (zijnde het geconsolideerde resultaat van Reef Beheer B.V. na belastingen) en een drempelbedrag, doch zij zal ten hoogste f 125.000 per jaar zijn.

Het drempelbedrag is voor 1999 f 2 miljoen, ieder jaar daarna cumulatief te verhogen met 10% van de in het voorgaande jaar niet uitgekeerde winst.

Indien in enig jaar op grond van het voorgaande géén bijdrage behoeft te worden gedaan door Reef, zal, indien over het totaal aantal jaren van 1999 tot en met 2005 de som der winstbedragen ten minste gelijk is aan de som der drempelbedragen vermeerderd met 65% van de niet gedane bijdragen, alsnog over de jaren waarin geen bijdrage is verstrekt een bijdrage worden verstrekt. (...)

Artikel 7

Indien op 1 januari 2005 [verweerder] recht heeft op een VUT-uitkering of prepensioen ten laste van het SFB, zal Reef de daarmee corresponderende waarde in de polis, berekend aan de hand van de tarieven van de verzekeraar die de periodieke uitkeringen zal doen, ten behoeve van zichzelf afkopen alvorens het verzekeringnemerschap over te dragen aan [verweerder], danwel hem als begunstigde aan te wijzen."

(iii) De stamrechtovereenkomst is tot stand gekomen na uitvoerige onderhandelingen waarbij deskundigen - een belastingadviseur, een registeraccountant en een pensioenadviseur - zijn ingeschakeld om te adviseren.

(iv) Reef heeft in drie van de in art. 5 van de stamrechtovereenkomst bedoelde zes jaren (1999, 2000 en 2001) stortingen verricht.

(v) [Verweerder] heeft vanaf 1 januari 2005 gedurende viereneenhalf jaren een prepensioenuitkering ontvangen.

3.2.1 Onderdeel 1 van het middel betreft het oordeel van het hof over de wijze waarop de door [verweerder] ontvangen prepensioenuitkeringen volgens de stamrechtovereenkomst dienen te worden verrekend met het bedrag dat Reef onder de polis heeft opgebouwd. Het hof heeft ter zake overwogen:

"2.17 Naar het oordeel van het hof leidt een redelijke uitleg van artikel 7 van de stamrechtovereenkomst - wederom naar de in 5.1 van het tussenarrest van 24 november 2009 gegeven maatstaven - tot geen andere conclusie dan dat alleen over de jaren dat [verweerder] recht had op een bijdrage van Reef c.s., de VUT-uitkeringen dienen te worden verrekend met de voor die jaren door Reef c.s. gedane premiestortingen op de stamrechtpolis. Bij deze uitleg wordt recht gedaan aan de considerans en de bepalingen van de stamrechtovereenkomst, waarin voldoende duidelijk naar voren komt dat de periodieke uitkeringen worden toegekend indien en voorzover [verweerder] geen, althans onvoldoende, inkomen in de vorm van loon of enige uitkering zou ontvangen. Aldus biedt de stamrechtovereenkomst de voor [verweerder] beoogde inkomenszekerheid tijdens zijn VUT-periode. Reef c.s. hebben deze in genoemde bepalingen tot uitdrukking komende bedoeling van de stamrechtovereenkomst ook onvoldoende weersproken. Nu Reef c.s. slechts was gehouden over drie van de zes jaren aan [verweerder] een bijdrage te betalen, had [verweerder] slechts over die drie jaren het beoogde inkomen en diende slechts over die jaren rekening te worden gehouden met de door hem over die jaren ontvangen VUT-uitkering, in die zin dat Reef c.s. deze conform het bepaalde in artikel 7 van de stamrechtovereenkomst kon 'verrekenen' door afkoop van de met die VUT-uitkering corresponderende waarde in de stamrechtpolis ten behoeve van Reef c.s. Naar het oordeel van het hof bestaan voor een andere uitleg geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten."

en

"2.23 (...) Het voorgaande leidt tot de consequentie dat de door [verweerder] over de jaren 1999, 2000 en 2001 ontvangen prepensioenuitkeringen in mindering dienen te worden gebracht op het bedrag dat resulteert na afkoop van de levensverzekering met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. (...)."

3.2.2 Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof in de hierboven aangehaalde passage uit rov. 2.23, dat de door [verweerder] ontvangen prepensioenuitkeringen over de jaren 1999, 2000 en 2001 in mindering dienen te worden gebracht op het (afkoop)bedrag van de polis, onbegrijpelijk is. Deze klacht is gegrond. In de genoemde jaren was [verweerder] nog bij Reef in dienst en heeft hij derhalve (nog) geen prepensioenuitkeringen genoten. In de vijfde volzin van rov. 2.17, waarop de hierboven aangehaalde passage uit rov. 2.23 kennelijk voortbouwt en waartegen de klacht zich kennelijk mede richt, heeft het hof eveneens overwogen dat (een redelijke uitleg van de overeenkomst meebrengt dat) alleen de uitkeringen gedaan in de jaren waarin Reef gehouden was een bijdrage te betalen, worden verrekend. Dit stemt overeen met het uitgangspunt van de eerste volzin van die overweging.

Het hof heeft daarbij miskend dat de VUT- of prepensioenuitkeringen pas zouden worden genoten in een latere fase dan die waarin Reef bijdragen stortte.

3.3 Het onderdeel behoeft voor het overige geen behandeling. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden onderzocht op welke wijze de door [verweerder] ontvangen prepensioenuitkeringen volgens de stamrechtovereenkomst dienen te worden verrekend met het bedrag dat onder de polis is opgebouwd.

3.4 De gegrondheid van onderdeel 1 treft ook het dictum van het arrest van het hof voor zover daarin Reef is veroordeeld om over te gaan tot afkoop met inachtneming van hetgeen in rov. 2.17 tot en met 2.24 van het arrest is overwogen, aan welke afkoop de verplichting is gekoppeld om de levensverzekering over te dragen aan [verweerder] of een door deze aan te wijzen rechtspersoon, op straffe van verbeurte van een dwangsom. In zoverre slaagt onderdeel 2.

3.5 De overige klachten van onderdeel 2 en die van onderdeel 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 december 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Reef begroot op € 867,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren W.D.H. Asser, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 29 juni 2012.