Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW0404

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
11/05679
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW0404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BOPZ-zaak; verzoek om ontslag uit ziekenhuis. De wet heeft overschrijding door de rechtbank van de beslistermijn van drie weken (art. 49 lid 9 jo. art. 9 lid 1 Wet BOPZ) niet uitdrukkelijk met nietigheid van de beslissing bedreigd. Geen sprake van schending van een zodanig essentieel procedurevoorschrift dat nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm als bedoeld in art. 79 RO.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 9
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14d
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 49
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2012/13 met annotatie van W. Dijkers
NJ 2012/215
RvdW 2012/501
NJB 2012/905
JWB 2012/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2012

Eerste Kamer

11/05679

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Betrokkene],

verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis Pro Persona, locatie De Riethorst te Ede,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ARNHEM,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 217321/FA RK 11-11486 van de rechtbank Arnhem van 28 september 2011.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Verzoeker tot cassatie (geboren in 1977, hierna: betrokkene) lijdt aan chronische schizofrenie en is, op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf van de rechtbank Arnhem van 17 januari 2011, opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) De geneesheer-directeur heeft ingaande 23 maart 2011 aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleend, maar dit ontslag is bij besluit van de geneesheer-directeur van 1 april 2011 - getekend op 4 april 2011 - weer ingetrokken, waarna op 1 april 2011 heropname van betrokkene heeft plaatsgevonden.

(iii) Op 5 april 2011 is betrokkene overgebracht naar het psychiatrisch ziekenhuis Pro Persona, locatie De Riethorst te Ede, waar hij ten tijde van de in cassatie bestreden beschikking verbleef.

(iv) Namens betrokkene is bij brief van 8 april 2011 aan de officier van justitie op de voet van art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 lid 2 Wet Bopz verzocht een beslissing van de rechtbank uit te lokken over de intrekking van het voorwaardelijk ontslag. Nadat de officier van jusitie dit verzoek op 14 april 2011 had doorgeleid aan de rechtbank, heeft de rechtbank bij beschikking van 4 mei 2011 het besluit van 1 april 2011 tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag vernietigd en aan de geneesheer-directeur opgedragen een nieuw besluit te nemen.

(v) 26 mei 2011 heeft de fungerend geneesheer-directeur opnieuw een besluit genomen dat strekte tot intrekking van het op 23 maart 2011 verleende voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis. Voor deze beslissing werd als reden opgegeven:

"1. De intrekking van het voorwaardelijk ontslag blijft gehandhaafd, omdat u niet kunt terugkeren naar de Hoge Born en bij het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats is het risico groot dat het opnieuw mis met u zal gaan. Hieronder versta ik dat u dan onvoldoende structuur heeft, u niet in staat bent uw eigen belangen te behartigen en u naar inschatting van uw behandelaars en mij een groot risico loopt weer psychotisch te worden, waarbij gevaar ontstaat dat de reden van de Rechterlijke Machtiging vormt.

2. Mocht er op termijn overgegaan worden tot voorwaardelijk ontslag, dan zullen de voorwaarden duidelijker omschreven worden."

3.2 Bij brief van 9 juni 2011, ingekomen op 14 juni 2011, is namens betrokkene opnieuw aan de officier van justitie verzocht een beslissing van de rechtbank over de heropname uit te lokken. De officier van justitie heeft de zaak op 20 juni 2011 voorgelegd aan de rechtbank Arnhem. Op 6 juli 2011 heeft de rechtbank betrokkene en zijn raadsman, de officier van justitie, de psychiater mw. Stremler (namens de geneesheer-directeur) en de arts De Mooij (die als eerste geneeskundige het besluit van 26 mei 2011 had genomen) gehoord. Nadien heeft de rechtbank nog kennis genomen van de correspondentie zoals vermeld in de bestreden beschikking onder 1.1.

3.3 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van betrokkene opgevat als een verzoek tot vernietiging van het besluit van 26 mei 2011 en tot verlenen van ontslag uit het ziekenhuis, al dan niet onder voorwaarden (rov. 3.5.2). De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Zij was van oordeel dat sprake is van gevaar, welk gevaar - bij gebrek aan het voorhanden zijn van een andere instelling die aan betrokkene voldoende structuur kan bieden - niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis afgewend kan worden (3.5.9).

3.4 Onderdeel 1 van het tegen deze beschikking gerichte middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist binnen de wettelijke termijn van drie weken. Volgens het onderdeel moet overschrijding van die termijn geacht worden te gelden als een verzuim dat wegens de aard van het door de rechtbank geschonden voorschrift nietigheid meebrengt. De termijn waarbinnen de rechtbank had dienen te beslissen strekt immers ertoe dat over de wederrechtelijke vrijheidsbeneming zo snel mogelijk wordt beslist op de dan bestaande toestand waarin betrokkene verkeert, aldus, zakelijk samengevat, het betoog van het onderdeel.

3.5 Het onderdeel faalt. Weliswaar staat vast dat de rechtbank de termijn van drie weken die zij op grond van art. 49 lid 9 in verbinding met art. 9 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz voor het geven van haar beslissing in acht had behoren te nemen, (ruimschoots) heeft overschreden, maar dat brengt geen nietigheid van haar beslissing mee. De Wet Bopz bedreigt deze termijnoverschrijding niet uitdrukkelijk met nietigheid en evenmin kan gezegd worden dat hier sprake is van schending van een zo essentieel procedurevoorschrift dat nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, als bedoeld in art. 79 RO.

Opgemerkt wordt nog dat ten tijde van de bestreden beschikking van wederrechtelijke vrijheidsbeneming van betrokkene geen sprake was, nu hij, na de intrekking van het voorwaardelijk ontslag, krachtens de nog lopende machtiging tot voortgezet verblijf in het ziekenhuis verbleef.

3.6 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 30 maart 2012.