Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9980

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/01794
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9980
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (uos). Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht m.b.t. de bij de meldlijn M (Meld Misdaad Anoniem) binnengekomen anonieme melding, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uos afgeweken door deze melding in de bewijsvoering te betrekken, maar heeft, in strijd met art. 359.2.2e volzin, Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/597

Uitspraak

10 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/01794

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 april 2010, nummer 22/004224-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof niet een toereikend gemotiveerde beslissing heeft genomen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de M-melding niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"2. hij op 11 september 2007 te 's-Gravenhage met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de Pizza Company, gevestigd in perceel Jan Luykenlaan 63, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welk geweld bestond uit het

- meerdere malen slaan met een stok tegen de armen en rug van [betrokkene 1] en

- meerdere malen slaan met een (val)helm tegen de ruiten van dat perceel waardoor die ruiten kapot zijn gegaan en glasscherven van die ruiten in het gezicht van [betrokkene 2] zijn gekomen;

3. hij op 11 september 2007 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Jan Luykenlaan, en in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de Pizza Company, gevestigd in perceel Jan Luykenlaan 63, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het omver trappen van bromfietsen en/of

- het gooien met een valhelm, tegen ruiten van dat perceel en

- het lostrekken van een beeldscherm van een computer en het vervolgens loslaten of op de grond gooien van dat beeldscherm."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:

"3. Het ambtsedig proces-verbaal M (Meld Misdaad Anoniem) van Politie Haaglanden, nr. PL1595/2007/3627-2, d.d. 20 september 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerd blz. 66 e.v.):

Op 20 september 2007 ontving ik een anonieme melding, die was gedaan bij de landelijke telefonische meldlijn M (Meld Misdaad Anoniem). De melding bevatte de volgende tekst:

Datum melding: 19-9-2007

Melding:

Mishandeling van meerdere personen in Den Haag op de Luijkenlaan in de Pizzeria, gepleegd op 11 september. Een groep personen nam hieraan deel, waaronder een persoon van Turkse afkomst die [A] heette.

Naar aanleiding van deze melding heb ik een onderzoek ingesteld. Het betreft vermoedelijk een vechtpartij bij de Pizza Company, gevestigd op de Jan Luykenlaan 63 te Den Haag."

2.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in, voor zover hier van belang:

"De afzonderlijke feiten op de tenlastelegging lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en wel om de reden dat cliƫnt niet bij deze situatie betrokken is geweest.

De zaak is een voortzetting van een eerdere kwestie waarbij ook een groot aantal mensen is aangehouden en ook in die zaken is het bewijs niet altijd rond te breien geweest. De redenen zijn natuurlijk dat er veel mensen bij de zaak betrokken zijn geweest en dat niet altijd de waarnemingen luid en duidelijk zijn geweest dan wel dat de waarneming luid en duidelijk op papier is gezet.

Dat heeft ook te gelden voor deze zaak waarbij via een zogenaamde M-melding [verdachte] als mogelijke verdachte naar boven komt. [Verdachte] zou op dat moment een rode jas met capuchon gedragen hebben. Reeds om die reden is dat bewijs onbetrouwbaar omdat dat niet kan kloppen. Hij heeft niet zo'n jas. Bovendien verklaart [betrokkene 2] (pv 62) dat de ander die rode jas aan had. Overigens meent hij dat dat bewijs onbruikbaar is omdat iedereen dit kan doorgeven aan misdaad anoniem, bijvoorbeeld de aangevers maar zelfs de rechercheur, om op die manier het bewijs rond te breien. Ik verzoek u derhalve die melding niet als bewijs te gebruiken.

(...)

[Betrokkene 1] verklaart (pv 58) dat een Nederlandse en een Turkse jongen samen de winkel binnen kwamen. Dit klopt ook al niet met het gegeven althans de mogelijke veronderstelling dat [verdachte] gelijk met [betrokkene 3] aankwam. Beiden zijn van buitenlandse komaf. Ook is in dit verband ontlastend voor [verdachte] de verklaring op pagina 62 van [betrokkene 2] dat een persoon gekleed in een rode jas geslagen heeft met een bezemsteel en dat 'ie een naam heeft die klinkt als [...]. Ook dit stemt niet overeen met de M-melding.

Ook klopt niet de omschrijving in de M-melding van een Turkse jongen van 20 jaar oud met de naam [A] of [A]. Te meer [verdachte] een Turkse jongen van eind 27 jaar was.

Ik concludeer derhalve dat de mogelijke bewijsmiddelen onvoldoende betrouwbaar zijn, zowel ieder op zich als in onderlinge samenhang met overige bevindingen in het dossier.

Bij deze stand van zaken dient [verdachte] vrijgesproken te worden."

2.3. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de bij de meldlijn M (Meld Misdaad Anoniem) binnengekomen anonieme melding, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door deze melding in de bewijsvoering te betrekken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

2.4. De klacht slaagt.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 10 april 2012.