Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9223

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
11/03213
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9223
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416 Sv. De in de brief van de Advocaat-Generaal bedoelde begeleidende brief houdt onder meer in dat op de rolzitting de voordracht van de zaak achterwege blijft en geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt, en dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte op de “rolzitting” in beginsel niet noodzakelijk is. Die brief kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende de mededeling aan de raadsman van de verdachte dat de strafzaak in ieder geval op een latere terechtzitting verder - en dan voor de eerste maal inhoudelijk - zal worden behandeld. Het Hof heeft op de voor die “rolzitting” bepaalde datum, waarop de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en zijn beslissing mede gegrond op de omstandigheid dat de verdachte op die terechtzitting niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Dat oordeel is onbegrijpelijk, nu het Hof eraan heeft voorbijgezien dat de mededeling dat op een nadere terechtzitting de inhoudelijke behandeling van de zaak zal volgen, meebrengt dat eerst op die nadere terechtzitting de zaak door de Advocaat-Generaal zal worden voorgedragen en de verdachte alsdan op de voet van art. 416.1 Sv de gelegenheid zal hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Dat oordeel is bovendien onjuist, indien het Hof ervan is uitgegaan dat art. 416.2 Sv, waarnaar in die brief wordt verwezen (“indien er geen grieven zijn ingediend, [kan het hof] in voorkomende gevallen gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 416 lid 2 Sv”), het bepaalde in art. 416.1 Sv opzij kan zetten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 237
NBSTRAF 2012/237
RvdW 2012/624
NJB 2012/1118
NJ 2014/326

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 11/03213

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juni 2011, nummer 20/002326-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Brabant Noord, locatie Oosterhoek" te Grave.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

2.2. Het Hof heeft de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"Artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: "indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

De verdachte heeft niet binnen de in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep, en evenmin daarna, schriftelijk grieven tegen het vonnis ingediend.

De verdachte is gedagvaard met inachtneming van het bepaalde in artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte is in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft derhalve ook niet mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven.

Ambtshalve vindt het hof in het vonnis waarvan beroep geen gronden om de zaak in hoger beroep in behandeling te nemen. Gezien het vorenstaande zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 30 juni 2011 houdt het volgende in:

"De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] (...).

is niet verschenen.

De raadsman van verdachte, mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding van verdachte voor de zitting van heden op 23 juni 2011 op een juiste wijze is uitgereikt, namelijk op de wijze als bedoeld in artikel 588, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De voorzitter stelt voorts vast dat aan voornoemde raadsman op 11 april 2011 een begeleidende brief en op 20 mei 2011 een verbeterde begeleidende brief bij voormelde dagvaarding voor een rolzitting is gezonden. In die brief wordt onder meer telkens expliciet gewezen op de mogelijkheid tot niet ontvankelijk verklaring van het hoger beroep naar aanleiding van deze rolzitting indien geen grieven zijn ingediend of indien wordt vastgesteld dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

De voorzitter deelt vervolgens mee de korte inhoud van:

1. een brief van voornoemde raadsman van verdachte, d.d. 17 juni 2010, waaruit blijkt dat deze verdachte bij zal staan ter terechtzitting in hoger beroep.

2. een e-mailbericht van voornoemde raadsman van verdachte, d.d. 27 mei 2011, bevattende verhinderdata van deze raadsman, en de mededeling dat de verdediging geen onderzoekswensen heeft.

De voorzitter stelt vast dat er in het dossier geen grieven tegen het vonnis van de eerste rechter zijn aangetroffen.

De advocaat-generaal voert daarop het woord als volgt.

In deze zaak zijn door de verdachte en zijn raadsman geen schriftelijke grieven tegen het vonnis ingediend.

Nu de verdachte en de raadsman niet op de terechtzitting zijn verschenen en derhalve ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis hebben opgegeven, concludeer ik daaruit dat de verdachte geen belang heeft bij een behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Gelet daarop vorder ik dat het hof de verdachte niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De advocaat-generaal leest daartoe zijn vordering voor en legt die aan het hof over.

Na beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden."

2.4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op donderdag 30 juni 2011 ter terechtzitting in hoger beroep, welke dagvaarding blijkens de daarvan opgemaakte akte op 23 juni 2011 naar het op de akte vermelde adres van de verdachte is verzonden, waarop is vermeld:

"Het betreft een rolzitting. Op deze zitting wordt er bepaald of er onderzoekswensen zijn van de zijde van u dan wel van het openbaar ministerie, waarna het gerechtshof overgaat tot het bepalen van een zittingsdag waarop de zaak in hoger beroep inhoudelijk zal worden behandeld. Voor de gang van zaken verwijs ik u naar de bijlage.";

(ii) een brief van 20 mei 2011 van de Advocaat-Generaal bij het Hof gericht aan de raadsman van de verdachte. Deze brief houdt het volgende in:

"Hierbij een verbeterde begeleidende brief bij de dagvaarding van uw cliënt voor een rolzitting. (...)";

(iii) de in de brief van de Advocaat-Generaal bedoelde begeleidende brief, zijnde een brief van 20 mei 2011 van de sectorvoorzitter van de Sector Strafrecht van het Hof gericht aan de raadsman van de verdachte. Deze brief houdt het volgende in:

"Bijgaand treft u aan een afschrift van de dagvaarding van uw cliënt voor de zogeheten rolzitting van de strafkamer van het gerechtshof. In deze brief wordt een toelichting gegeven op de rolzitting.

De rolzitting

De rolzitting is in zoverre een formele zitting dat deze door middel van een dagvaarding wordt ingeleid en dat de zaak wordt uitgeroepen. Met de rolzitting neemt het rechtsgeding in hoger beroep een aanvang. Eventuele preliminaire verweren worden echter niet tijdens de rolzitting behandeld, de voordracht van de zaak blijft achterwege en derhalve vindt op de rolzitting ook geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaats. Uw aanwezigheid en de aanwezigheid van uw cliënt op de rolzitting is dan ook in beginsel niet noodzakelijk.

Met de rolzitting wordt beoogd een goede inschatting te maken van de voor de verdere behandeling van de zaak benodigde zittingstijd, zodat efficiënter kan worden omgegaan met de beschikbare zittingscapaciteit. In dit verband wordt op de rolzitting geïnventariseerd of er nog onderzoek dient te worden verricht voordat de zaak inhoudelijk behandeld kan worden. Mede aan de hand van deze inventarisatie worden de datum en de benodigde tijd voor die inhoudelijke behandeling bepaald. Behoudens bijzondere omstandigheden is de inhoudelijke behandeling voorzien in de kalendermaand september 2011, oktober 2011, november 2011 of december 2011.

Voorafgaand aan de rolzitting

• Eventuele onderzoekswensen dient u, uiterlijk twee weken voor de rolzitting, gemotiveerd aan het hof op het e-mailadres: rolzittinghofstrafrecht@rechtspraak.nl kenbaar te maken, onder vermelding van de datum van de rolzitting, de naam van uw cliënt en het parketnummer;

• Uw eventuele onderzoekswensen worden ter standpuntbepaling aan de advocaat-generaal voorgelegd;

• Indien u meent dat uw aanwezigheid op de rolzitting vereist is voor het verstrekken van een nadere toelichting op uw onderzoekswensen, dan wordt u verzocht om dit via voormeld e-mailadres tijdig kenbaar te maken, opdat daarmee rekening kan worden gehouden;

• Indien u voornemens bent om preliminaire verweren te voeren, dan wordt u verzocht om dit voorafgaand aan de rolzitting via voormeld e-mailadres kenbaar te maken, zodat daarmee bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak rekening kan worden gehouden

• U wordt verzocht om uiterlijk drie dagen voor de rolzitting via voormeld e-mailadres een actueel overzicht van uw verhinderdata in de hiervoor genoemde kalendermaanden september 2011, oktober 2011, november 2011 of december 2011 te verstrekken, opnieuw onder vermelding van de datum van de rolzitting, de naam van uw cliënt en het parketnummer.

Tijdens de rolzitting

• In voorkomende gevallen kan het hof vaststellen dat niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 408 Sv en hieraan consequenties verbinden. Ook kan het hof, indien er geen grieven zijn ingediend, in voorkomende gevallen gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 416 lid 2 Sv;

• Op de rolzitting wordt, op basis van de ingekomen schriftelijke informatie (en wat er eventueel nog ter zitting aan de orde komt) beoordeeld of de zaken zittingsrijp zijn;

• In het geval de advocaat-generaal een (deels) afwijzend standpunt ten aanzien van de onderzoekswensen heeft ingenomen of in het geval het hof een nadere toelichting van de onderzoekswensen wenselijk acht, dan wordt, rekening houdend met uw opgave van verhinderdata, een datum voor een regiezitting bepaald. Tijdens de regiezitting wordt op de onderzoekswensen beslist;

In het andere geval wordt, rekening houdend met de door u opgegeven verhinderdata, een datum voor de inhoudelijke behandeling bepaald;

• Er wordt een proces-verbaal van de rolzitting opgemaakt.

Na de rolzitting

• U wordt zo snel mogelijk na de rolzitting, bij voorkeur dezelfde dag, per e-mail op de hoogte gesteld van de voor de inhoudelijke behandeling dan wel een regiezitting bepaalde zittingsdatum.

Het zal duidelijk zijn, dat deze werkwijze een efficiënter gebruik van de beschikbare zittingstijd beoogt te bewerkstelligen. Verzoeken om aanhouding na de rolzitting zullen dan ook nog slechts in uitzonderingsgevallen worden gehonoreerd.

Mocht u vragen hebben over de rolzitting, wordt u vriendelijk verzocht deze via het e-mailadres rolzittinghofstrafrecht@rechtspraak.nl kenbaar te maken.

Hoogachtend,

De sectorvoorzitter."

(iv) een print van een email van 27 mei 2011 van de raadsman van de verdachte aan 'Rolzitting Hof Strafrecht (Gerechtshof 's-Hertogenbosch)', inhoudende:

"Onderwerp: [verdachte] (...) Rolzitting Gerechtshof Den Bosch

Edelgrootachtbaar college,

In opgemelde kwestie deelt de verdediging hierbij mede dat zij geen onderzoekswensen heeft in opgemelde kwestie.

Tevens deelt de verdediging hierbij mede dat de verhinderdata uitsluitend 5 t/m 16 september 2011 betreft.

(...)."

2.5. Art. 416 Sv luidt, voor zover hier van belang:

"1.(...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.6. De hiervoor in 2.4 onder (iii) weergegeven begeleidende brief houdt onder meer in dat op de "rolzitting" de voordracht van de zaak achterwege blijft en geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt, en dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte op de rolzitting in beginsel niet noodzakelijk is. Die brief kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende de mededeling aan de raadsman van de verdachte dat de strafzaak in ieder geval op een latere terechtzitting verder - en dan voor de eerste maal inhoudelijk - zal worden behandeld. Het Hof heeft op de voor die "rolzitting" bepaalde datum, waarop de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en zijn beslissing mede gegrond op de omstandigheid dat de verdachte op die terechtzitting niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.

Dat oordeel is onbegrijpelijk, nu het Hof eraan heeft voorbijgezien dat de mededeling dat op een nadere terechtzitting de inhoudelijke behandeling van de zaak zal volgen, meebrengt dat eerst op die nadere terechtzitting de zaak door de Advocaat-Generaal zal worden voorgedragen en de verdachte alsdan op de voet van art. 416, eerste lid, Sv de gelegenheid zal hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Dat oordeel is bovendien onjuist, indien het Hof ervan is uitgegaan dat art. 416, tweede lid, Sv, waarnaar in die brief wordt verwezen ("indien er geen grieven zijn ingediend, kan het hof in voorkomende gevallen gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 416 lid 2 Sv"), het bepaalde in het eerste lid van art. 416 Sv opzij kan zetten.

2.7. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 17 april 2012.