Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9205

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
11/01495
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. De mededeling van de griffier van de Rechtbank in het zich bij de stukken van het geding bevindende schrijven kon ASA Legal Assistent - dat geen beroep kan doen op het in art. 51 Sv ten aanzien van de raadsman bepaalde - niet opvatten als “bevestiging dat zij op de hoogte gehouden zou worden van het verdere verloop van de strafzaak in hoger beroep” en van de datum van de behandeling van de zaak in hoger beroep. De door ASA Legal Assistent verstuurde brief naar de griffie van het Hof met de vraag of er nieuwe ontwikkelingen waren te melden, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2012/10.9
RvdW 2012/623
NJB 2012/1125
NJ 2012/322

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 11/01495

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juli 2009, nummer 23/001724-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. van Vliet, advocaat te Alkmaar, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaardingen in eerste aanleg en in hoger beroep rechtsgeldig zijn betekend.

2.2. Bij de stukken van het geding bevinden zich:

(i)een proces-verbaal van de politie Amsterdam-Amstelland, District 3, nummer 2006232073-8, gedateerd 9 september 2006, onder meer inhoudende dat de verdachte heeft opgegeven te wonen te [plaats A];

(ii)een dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat die dagvaarding op 3 december 2007 als gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats A], alsmede een GBA-overzicht van diezelfde datum dat vermeldt dat van de verdachte geen GBA-adres bekend is en dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd;

(iii) een dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat die dagvaarding op 9 juni 2009 als aangetekende brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats A], alsmede een GBA-overzicht van diezelfde datum dat vermeldt dat van de verdachte geen GBA-adres bekend is en dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd.

2.3. Zowel het vonnis in eerste aanleg als de bestreden uitspraak zijn bij verstek gewezen.

2.4. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588 lid 2 Sv). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.19).

2.5. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding en de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig zijn betekend, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De klacht faalt.

2.6. Het middel beoogt kennelijk voorts erover te klagen dat verzoeker een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is onthouden doordat ASA Legal Assist, dat in deze zaak de belangen van de verdachte wenste te behartigen, niet op de hoogte is gebracht van tijd en plaats van de terechtzitting in hoger beroep.

2.7. Ter ondersteuning van die stelling wordt in de toelichting op het middel beroep gedaan op een schrijven van de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam aan ASA Legal Assist van 1 april 2009, inhoudende:

"Hierbij stuur ik u een bewijsstuk dat uw cliënt [verdachte] in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam d.d. 30 maart 2009.

Te zijner tijd zult u hierover nader worden bericht."

2.8. Anders dan in het middel wordt betoogd kon ASA Legal Assist - dat geen beroep kan doen op hetgeen in art. 51 Sv is bepaald ten aanzien van de raadsman die zich voor de verdachte heeft gesteld - deze mededeling niet opvatten "als bevestiging dat zij op de hoogte gehouden zou worden van het verdere verloop van de strafzaak in hoger beroep. Hieronder valt uitdrukkelijk ook de datum van de behandeling van de zaak in hoger beroep, met een kopie van de dagvaarding." Dit wordt niet anders door de in het middel aangevoerde omstandigheid dat ASA Legal Assist vervolgens (op een vóór die terechtzitting gelegen tijdstip) nog een brief naar de griffie van het Hof heeft gezonden met de vraag of er nieuwe ontwikkelingen waren te melden, welke brief onbeantwoord zou zijn gebleven. Ook deze klacht mist derhalve doel.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 17 april 2012.