Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9194

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/05585 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak; noodweer(exces). Het Hof heeft de gestelde aanranding dat de verdachte door de aangever bij de keel werd beetgepakt niet aannemelijk geacht. Dit is gelet op de door het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde feitelijke toedracht niet onbegrijpelijk en dat oordeel draagt de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces zelfstandig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/649

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/05585

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juli 2010, nummer 22/005704-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de middelen

2.1. De middelen komen met motiveringsklachten op tegen de verwerping door het Hof van een ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde namens de verdachte gedaan beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 23 mei 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [het slachtoffer]), tegen zijn neus heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"5. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2010 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik sloeg hem op zijn neus. U vraagt mij hoe het kan dat de aangever een gebroken neus heeft. Ik zeg u dat ik hem een vuist heb gegeven.

6. Het proces-verbaal van verhoor aangever, nr. PL1512/2009/27134-7, d.d. 24 mei 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op genoemde datum tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [het slachtoffer] (dossierpagina 19):

Ik was op 23 mei 2009 omstreeks 23.15 uur te 's-Gravenhage bij Café [A], een homobar. Ik was daar met mijn partner [betrokkene 1]. We stonden daar voor de deur. Ik zag dat één van de jongens op mijn partner af kwam lopen en dat hij iets in zijn oor fluisterde. Ik heb die jongen vastgepakt. Ik voelde een harde vuistslag op mijn neus. Mijn neus begon hevig te bloeden. Ik vermoed dat mijn neus gebroken is.

7. Een geschrift, zijnde een medische verklaring

d.d. 28 mei 2009, opgemaakt en ondertekend door de geneeskundige R.A. van Dijk. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze geneeskundige (dossierpagina 42):

Uitwendig waargenomen letsel: gebroken neus

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige, nr. PL1512/2009/27134-1, d.d. 24 mei 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op genoemde datum tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (dossierpagina 31):

Ik stond met mijn vriend, [het slachtoffer] en [betrokkene 2] op de [a-straat] aan een tafeltje. Een groep jongens passeerde ons. Ik hoorde dat uit de groep scheldwoorden in onze richting werden geroepen. Ik hoorde dat ze ons uitgescholden voor: Homo's. Ik zag dat de Marokkaanse jongen dicht tegen mij aan kwam staan. Ik voelde dat hij tegen mij aan duwde. Ik zag dat mijn vriend met zijn vlakke hand de jongen wegduwde. Ik zag dat de jongen direct met zijn tot een vuistgebalde rechterhand en met kracht mijn vriend op zijn neus raakte. Ik zag dat door de vuistslag van die jongen de neus van mijn vriend scheef stond en bloedde."

2.2.3. Het Hof heeft het in de middelen bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het hem onder 2 meer subsidiair, 1e alternatief/cumulatief tenlastegelegde nu de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Ter adstructie heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte zich heeft verdedigd tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf nu de verdachte door de aangever bij zijn keel werd beetgepakt.

Subsidiair bepleit de raadsman noodweerexces. De verdachte heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden als onmiddellijk gevolg van zijn hevige gemoedsbeweging die door de aanranding vanwege de aangever werd veroorzaakt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, voor zover hier van belang, kan naar het oordeel van het hof als vaststaand het volgende worden aangenomen. In de nacht van 23 op 24 mei 2009 staan de aangever, zijn partner [betrokkene 1] en een tweetal vrienden voor café [A], een homobar, in het centrum van Den Haag. De verdachte en zijn vrienden lopen langs en roepen in de richting van de groep mensen die voor het café staat. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij verstond dat de groep "Homo's" riep. Op het moment dat de verdachte langs [betrokkene 1] loopt roept hij iets in diens oor. [Betrokkene 1], die de Nederlandse taal nog niet machtig is, verstaat het niet en vraagt: "Wat zeg je?". De verdachte loopt terug naar [betrokkene 1], gaat dicht bij hem staan en duwt tegen hem aan. Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte een zeer dreigende houding aannam. Hierop loopt de aangever naar de verdachte, duwt hem weg en pakt hem vast, waarop de verdachte de aangever met zijn vuist tegen diens neus slaat.

De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in hoger beroep als in eerste aanleg verklaard dat de aangever hem bij zijn keel heeft beetgepakt. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden nu geen van de getuigen noch de aangever dit bevestigd. Het hof gaat derhalve voorbij aan deze verklaring van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de verdachte de situatie zoals omschreven zelf heeft uitgelokt door te roepen en terug te lopen en aldus de confrontatie op te zoeken. Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het beroep op noodweer nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit kan blijken van enige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, waartegen de verdediging noodzakelijk was in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de raadsman bedoeld.

Het hof verwerpt voorts het beroep op noodweerexces nu van een noodweersituatie geen sprake is geweest."

2.3. Door de raadsman is aan het beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces ten grondslag gelegd dat de verdachte door de aangever bij de keel werd beetgepakt. Het Hof heeft de gestelde aanranding niet aannemelijk geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de door het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde feitelijke toedracht. Voorts draagt dat oordeel de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces zelfstandig, zodat de middelen, voor zover zij opkomen tegen hetgeen het Hof ten aanzien van de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces overigens nog heeft overwogen, geen bespreking behoeven.

2.4. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van vier weken en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 17 april 2012.