Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9190

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
10/05088
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Art. 322.3 Sv. Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 is toen - voor het eerst - een aanvang gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het bestreden arrest, dat is gewezen door de raadsheren die op voormelde datum zitting hadden, houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van “het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep”, waarmee bezwaarlijk iets anders kan zijn bedoeld dan het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2010. Daaraan kan niet afdoen dat als gevolg van een kennelijke misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 - anders dan in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2010 - niet met zoveel woorden is opgenomen dat het onderzoek opnieuw zal worden aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof. 2. Ongegronde bewijsklacht opzet aanwezigheid van hennep. 3. Verbeurdverklaring. Gelet op ‘s Hofs overwegingen en bewezenverklaring geeft het oordeel van het Hof dat de zeecontainers vatbaar zijn voor verbeurdverklaring niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/648

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/05088

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 juni 2010, nummer 20/004352-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het arrest van het Hof ten onrechte is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 maart 2010 en 10 juni 2010, terwijl het Hof op 10 juni 2010 anders was samengesteld.

2.2. Het arrest van het Hof houdt in dat het is gewezen door mrs. Vluggen, De Lange en Wiemans "naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg".

Bij de stukken bevinden zich onder meer:

- een proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2010 van het Hof, toen samengesteld uit mrs. Van Gink, Westenbroek en Kolkert en

- een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 van het Hof, toen samengesteld uit mrs. Vluggen, De Lange en Wiemans.

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2010 houdt in dat de Voorzitter heeft bevolen dat het onderzoek opnieuw zal worden aangevangen, waarna de Advocaat-Generaal en de raadsman van de verdachte zich (uitsluitend) hebben uitgelaten over de stand van zaken met betrekking tot het horen van de getuigen. Vervolgens is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 10 juni 2010 en zijn de stukken in handen gesteld van de Rechter-Commissaris teneinde een getuige te horen en stukken aan het dossier toe te voegen.

2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 houdt, voor zover hier van belang, in:

"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven. De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. Ter toelichting op de reden van het hoger beroep verklaart de verdachte als volgt.

(...)"

2.5. Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 is toen - voor het eerst - een aanvang gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het bestreden arrest, dat is gewezen door de raadsheren die op voormelde datum zitting hadden, houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van "het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep", waarmee bezwaarlijk iets anders kan zijn bedoeld dan het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2010. Aldus mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden. Daaraan kan niet afdoen dat als gevolg van een kennelijke misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 - anders dan in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2010 - niet met zoveel woorden is opgenomen dat het onderzoek opnieuw zal worden aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaringen niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de aanwezigheid van hennep, terwijl het Hof de bewezenverklaringen mede heeft doen steunen op feiten en omstandigheden die daarvoor niet redengevend kunnen worden geacht.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"(parketnummer 02-620105-08)

hij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 22 mei 2007 te Waalwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 448 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(parketnummer 02-628783-08)

hij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Heeze, gemeente Heeze-Leende opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [b-straat 1] 432 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

3.2.2. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsvoering:

"1. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Midden en West Brabant. District Oosterhout, Team Opsporing, nr. PL203M/07-0 16393, d.d. 21 januari 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie (p. 3-7 van het proces-verbaal met dossiernr, PL203M/O7-016393), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

In het kader van het Project [A] werd een controle geïnitieerd door de gemeente Waalwijk op het bedrijfsverzamelgebouw gelegen aan de [a-straat 1] te Waalwijk. Op 22 mei 2007 werden alle panden van het bedrijfsverzamelgebouw gecontroleerd. Door een onbekende passant ter plaatse werd gemeld dat hij het vermoeden had dat er illegale activiteiten in pand [a-straat 1] plaatsvonden. Verbalisant Nieuwenhuis heeft, nadat er op aanbellen niet werd gereageerd het dak beklommen en bemerkte dat er uit de op het dak aanwezige afvoer van pand [a-straat 1] warme lucht werd geblazen, die naar de hem ambtshalve bekende hennepgeur rook. Na binnentreden werden in de bedrijfshal drie zeecontainers aangetroffen met in elke container een in werking zijnde hennepkwekerij. In totaal werden 448 hennepplanten aangetroffen. Na telefonisch contact met de eigenaar van het bedrijfsverzamelgebouw bleek dat de bedrijfshal [a-straat 1] was verhuurd via [B] bedrijfsmakelaars te Waalwijk. Uit het door de makelaar ter hand gestelde huurcontract bleek dat de loods verhuurd was aan [C], vertegenwoordigd door [verdachte].

2. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Opsporing, nr. PL203M/07-141014, d.d. 11 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 3], hoofdagente van politie (p. 13-15 van het proces-verbaal met dossiernr. PL203M/07-016393), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte [verdachte]:

Via Makelaar [B] heb ik het bedrijfspand aan de [a-straat 1] gehuurd. Ik wilde een pand huren voor mijn bedrijf. Ik heb een bedrijf in de verkoop en verhuur van zeecontainers. Ik ben een huurovereenkomst aangegaan voor de periode van 3 jaar, ingaande per 2 mei 2007.

Ik heb in de week tussen 2 mei en 8 mei 2007 in de loods het kantoorgedeelte weggebroken. Ik heb vervolgens de elektriciteit aangelegd. Ik heb vanaf de meterkast een kabel langs de muur aangelegd.

Verder heb ik drie zeecontainers naar die loods gebracht. De containers waren ingericht voor de sierteelt van planten. Ik lever de containers met een complete installatie af.

Er moet een aangemeld nummer gebeld worden naar een bepaald nummer (06-20521026 en 06-20521026) om het hek te openen.

Ik heb deze loods voor mezelf gehuurd.

3. Het ambtsedig proces-verhaal van politie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Opsporing nr. PL203M/07-141014, dd. 31 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie (p. 11-12 van het proces-verbaal met dossiernr. PL203M/07-016393), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

Ik ben werkzaam als makelaar bij [B] Makelaardij. Ik heb als makelaar bemiddeld in de huurovereenkomst van het pand aan de [a-straat 1] te Waalwijk. [Verdachte] heeft het pand gehuurd en is naar het makelaarskantoor gekomen voor ondertekening van het huurcontract. Het huurcontract is per 1 mei 2007 ingegaan voor de duur van 3 jaren.

Op 21 mei 2007 ben ik door [verdachte] gebeld dat hij het huurcontract op naam van een andere persoon wilde zetten. Op 22 mei 2007 werd ik via ons kantoor op de hoogte gesteld dat de politie een inval had gedaan in het pand [a-straat 1] te Waalwijk en dat er een hennepkwekerij was aangetroffen. In het contract is een passage opgenomen dat onderverhuur niet is toegestaan.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Opsporing, d.d. 23 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie (p. 35 van het proces-verbaal met dossiernr. PL203M/07-016393), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 22 mei 2007 werd een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet in het bedrijfspand [a-straat 1] te Waalwijk. De aangeboden hoeveelheid verdovende middelen bestond uit: een monster plantendelen. De genoemde plantendelen werden door mij herkend als materiaal van het geslacht Cannabis, beter bekend als hennep.

Het aangeboden monster werd getest conform het gestelde in de "Forensisch technische norm 120.02" waarbij gebruik werd gemaakt van MMC Cannabis test. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor Marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish, vermeld op Lijst II, onderdeel b van de Opiumwet.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Waalwijk - Loon op Zand, nr. P1203G/07- 171140, d.d. 8 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [betrokkene 2]:

Ik ben mede-eigenaar, mededirecteur, van het bedrijf genaamd [D] B.V. Wij doen in beheer van onroerend goed. Onze panden in Waalwijk worden onder meer door makelaar [B], gevestigd te Waalwijk, verhuurd.

In april 2007 heeft [verdachte] contact opgenomen met [B] in verband met het huren van ons pand aan de [a-straat 1] te Waalwijk. De makelaar is met [verdachte] naar het pand gaan kijken. Op dat moment was ik samen met mijn vrouw op het terrein aanwezig. Ik heb toen ook met [verdachte] gesproken. Ik heb hem toen gevraagd wat zijn bedoeling was met het pand. Ik vraag dat eigenlijk altijd aan een huurder. Hij vertelde mij dat hij containers ombouwde tot schaftketen voor in de bouw.

Op 22 mei 2007 werd ik gebeld door een rechercheur van de politie. Hij vertelde mij dat hij mij moest hebben in verband met de Opiumwet. Ik vertelde hem eigenaar te zijn van het pand. Ik vertelde hem dat ik het pand sinds 3 weken verhuurd had.

Om het bedrijfspand is een hekwerk bevestigd. Overdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur is het hek open en daarna kan het via een 06-nummer geopend worden.

Je kunt alleen het terrein op als ik je telefoonnummer heb ingevoerd en zij naar het nummer bellen met het ingevoerde telefoonnummer. Zo kan je ook weer van het terrein af. Het hek gaat dan niet vanzelf open.

Ik wil nog vertellen dat [verdachte] de dag voordat de kwekerij werd ontdekt contact had opgenomen met de makelaar om te vragen of het huurcontract niet op naam van iemand anders gezet kon worden. De makelaar vertelde mij dit. Ik wil nog opmerken dat in het huurcontract staat vermeld dat het pand niet onderverhuurd mag worden. Hierop staat een boete van 100 % huurverhoging.

6. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Cranendonck-Heeze-Leende-Maarheeze, nr. PL2202/07-058260, d.d. 22 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, en [verbalisant 6], aspirant van politie (p. 20-21 van het proces-verbaal met dossiernr. PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op 15 mei 2007 kregen wij een melding van wateroverlast in een loods gevestigd aan de [b-straat 2] te Heeze. Het water zou afkomstig zijn van de naastgelegen loods met pandnummer [b-straat 1]. Het vermoeden bestond dat daar een hennepkwekerij in werking zou zijn. Op 15 mei 2007 waren wij ter plaatse en de huurder van de loods met het pandnummer [b-straat 2], tevens de melder, deelde ons mede dat hij de huurder van de loods met nummer [b-straat 1] had gebeld en dat deze onderweg was om iets aan de wateroverlast te doen. De naam van de huurder zou [verdachte] zijn. Een man, die later [verdachte] bleek te zijn, kwam aan bij de loods en werd aangesproken door de melder. Op het moment dat hij onze opvallende dienstvoertuigen zag liep hij weg van de loods in de richting van zijn voertuig. Wij hebben de man staande gehouden en later is hij aangehouden.

In het pand werden drie zeecontainers aangetroffen met in elke container een in werking zijnde hennepkwekerij. Elke container was voorzien van 144 planten.

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een document met als titel 'onderzoek van hennep en/of hashish' afkomstig van de Politie Brabant Zuid-Oost / Forensisch Technische Ondersteuning, Mutatienummer: PL2202/07-058260, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] op 17 mei 2007 (p. 42 van het proces-verbaal met dossiernr. PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - het resultaat van een MMC International BV Cannabis test:

Nummer 01: 28200 gram henneptoppen, nummer 02: 352,50 gram plantenmateriaal, nummer 03: 282 gram plantenmateriaal.

Resultaat nummers 1 t/m 3: door tester herkend als hennep en positief getest als hennep.

8. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Cranendonck Heeze-Leende-Maarheeze. nr. PL2202/07-058260, d.d. 21 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], brigadier van politie (p. 33-34 van het proces-verbaal met dossiernr, PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [betrokkene 3]:

Drie weken geleden kwam een man bij mij in de zaak die mijn loods wilde bekijken. Hij wachtte op de makelaar omdat hij pand [b-straat 1] wilde huren. Hij vertelde dat er containers in de loods geplaatst zouden worden, maar dat wij daar geen last van zouden hebben als buren.

Tevens vertelde hij dat hij er niet vaak zou zijn. Een andere buurman bij mijn bedrijf, die naast [b-straat 1] is gevestigd, vertelde later dat hij de gehele dag een compressor hoorde en harde muziek. De man die bij mij kwam kijken heb ik twee keer gezien. De tweede keer was toen hij een afvoerpijp op het dak monteerde. Drie dagen voordat de politie de loods binnenviel heb ik hem ook nog gezien, toen hij op het dak een doorvoer aan het maken was samen met [betrokkene 4] uit Geldrop.

9. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Cranendonck Heeze-Leende-Maarheeze, nr. PL2202/07-058260, d.d. 16 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], brigadier van politie (p. 35-36 van het proces-verbaal met dossiernr. PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte [verdachte]:

Ik ben de huurder van de loods gelegen aan de [b-straat 1] te Heeze.

Ik huur deze loods van [betrokkene 5] uit Leende. Dit is gegaan via Makelaar [E] te Eindhoven. Ik huur de loods via mijn bedrijf genaamd [C]. Mijn bedrijf is een eenmanszaak. Mijn bedrijf bestaat uit de reparatie van auto's, boten en motoren en de verkoop en verhuur van zeecontainers. Ik zit in het pand te Heeze vanaf 1 mei 2007. Ik heb een huurcontract voor drie jaar. Ik heb de loods onderverhuurd aan een Pool.

Ik heb vorige week twee zeecontainers geleverd op het adres [b-straat 1] te Heeze. Ik ben gisterenavond gebeld door de eigenaar van de loods [betrokkene 5] dat er wateroverlast was. Ik ben vervolgens naar Heeze gereden en daar werd ik door de politie aangehouden.

Ik heb in twee van de drie containers de inrichting verzorgd. Als ik een container lever, zit er alles bij. Ik lever alles kant en klaar af. Deze week ben ik bij de loods geweest voor het maken van de daktoevoeren.

10. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Cranendonck-Heeze-Leende-Maarheeze, nr. PL2202/07-058260. d.d. 21 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], brigadier van politie (p. 37 van het proces-verbaal met dossiernr. PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 16 mei 2007 werd de verdachte [verdachte] gehoord. Tijdens het afleggen van zijn verklaring, verklaarde [verdachte] ook enkele feitelijkheden, die hij niet op schrift wilde. Verdachte [verdachte] verklaarde ten overstaan van mij, [verbalisant 9], het navolgende: "Jullie weten dat ik me met wiethandel bezig houd. Kijk maar in jullie computer. Ik ben eigenlijk een grote wietboer. Als ik nog voorwaardelijk heb lopen, dan neem ik niets op mijn naam. Over 1 jaar is mijn voorwaardelijk afgelopen en dan kan ik de loods weer op mijn naam hebben. Dan gaat die Pool eruit".

11. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Cranendonck-Heeze-Leende-Maarheeze,

nr. PL2202/07-058260, d.d. 21 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], hoofdagent van politie (p. 40-41 van het proces-verbaal met dossiernr, PL2202/07-006407), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Op 18 mei 2007 hoorde ik verdachte [verdachte] omtrent het strafbare feit. De verdachte wenste op papier geen verklaring of te leggen. Ik sprak hierop met de verdachte en stelde hem een aantal vragen.

Ik zei dat er door ons in de loods een alarmsysteem was aangetroffen en dat in dit systeem een simkaart, voorzien van het nummer 06[001] aanwezig was die op de bewegingsmelder stond aangesloten. Ik zei dat deze simkaart in geval van alarm direct een ingeprogrammeerd nummer belde, +31[002]. Ik vroeg aan verdachte hoe het kon dat de politie, omstreeks het tijdstip van het alarm, vanuit de GSM van verdachte een uitgaande oproep heeft ontdekt naar het nummer van deze simkaart.

Verdachte antwoordde hierop dat hij dit alarmsysteem ook had geleverd en dat het bellen van deze simkaart waarschijnlijk een vergissing was geweest. Verdachte zei dat het nummer +31[002] op de simkaart in zijn GSM stond omdat dit een los contact van hem was.

12. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juni 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik heb een bedrijf dat zich bezighoudt met de koop, verkoop en verhuur van zeecontainers. Ik was altijd op zoek naar kleine loodsen om zeecontainers op te kunnen slaan. Ik had daarom bij verschillende makelaars zoekopdrachten neergelegd.

Op een gegeven moment hebben zich bij mij twee makelaars gemeld met twee verschillende bedrijfspanden, één loods in Heeze en één loods in Waalwijk. Dat waren de in tenlasteleggingen genoemde loodsen.

U houdt mij voor dat uit de stukken blijkt dat de makelaar, [betrokkene 6], heeft verklaard dat ik half april 2007 bij hem ben geweest en kort daarna ben teruggekomen voor de ondertekening van het huurcontract. Ik heb de huurovereenkomst op 19 april 2007 getekend.

De ingangsdatum van de huurovereenkomst was op een zondag. De maandag daarop heb ik de sleutel ontvangen en ben ik begonnen met de verbouwing van het pand.

U houdt mij voor dat getuige [betrokkene 2] op 8 november 2007 bij de politie heeft verklaard dat iemand alleen het bedrijfsterrein kan betreden als hij het telefoonnummer van de betrokkene in het alarmsysteem heeft ingevoerd.

Ik heb destijds twee telefoonnummers doorgegeven aan [betrokkene 2]. Ik had twee kaartjes ontvangen, Dat waren een soort telefoonkaartjes.

Eén van die was gekoppeld aan mijn eigen telefoonnummer.

Ik lever sierteeltcontainers. Dat zijn zeecontainers die ik ombouw en geschikt maak voor teelt van planten.

Ik heb in de loods in Heeze twee containers afgeleverd.

Ik lever de containers met daarin 144 potten en 13 lampen.

De warmte die in de containers ontstaat wordt aan de achterkant afgezogen. Het klopt dat ik op het dak van de loods in Heeze een afvoerpijp heb aangebracht.

U vraagt mij hoe het komt dat ik zoveel van hennepteelt weet. Ik heb mij in het verleden met hennepteelt beziggehouden. Als ik me ergens mee bezighoud, doe ik het ook goed.

Ik heb hennep gekweekt in het jaar 2006. De containers die in de loods in Waalwijk zijn aangetroffen, waren allemaal containers bestemd voor de groei van planten.

Mijn veroordeling in 2006 had ook betrekking op hennepteelt in zeecontainers. De betreffende containers kwamen destijds terug uit de verhuur en die heb ik toen zelf ingericht voor de hennepteelt, Natuurlijk weet ik dat hennep in zeecontainers wordt gekweekt.

Nadere bewijsoverweging

In het arrest onder het kopje "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" heeft het hof overwogen dat de verdachte op 20 mei 2007, derhalve vijf dagen na de ontdekking van hennepplanten in de loods te Heeze, pogingen in het werk heeft gesteld het huurcontract betreffende de loods te Waalwijk op naam van [betrokkene 7] te laten zetten. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen moet in plaats van 20 mei 2007 echter worden gelezen: 21 mei 2007, derhalve niet vijf maar zes dagen na de ontdekking van hennepplanten in de loods te Heeze."

3.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering in het arrest onder het kopje "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" voorts nog het volgende overwogen:

"Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij van de gehele tenlastelegging moet worden vrijgesproken, omdat hij geen enkele wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepplantages in de in de tenlastelegging genoemde loodsen.

Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

- de aangetroffen zeecontainers met daarin hennepkwekerijen niet aan de verdachte toebehoorden, maar aan twee Polen genaamd [betrokkene 7] en [betrokkene 8] aan wie hij de containers verkocht had;

- verdachte de door hem gehuurde loods in Waalwijk had onderverhuurd aan [betrokkene 7];

- verdachte de door hem gehuurde loods in Heeze had onderverhuurd aan [betrokkene 8];

- hij de betreffende zeecontainers weliswaar in voormelde loodsen heeft geplaatst, maar genoemde Polen de hennepkwekerijen buiten zijn medeweten in de containers (verder) hebben ingericht.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter onderbouwing van zijn stellingen aan de politie twee huurovereenkomsten overgelegd, die betrekking hebben op voormelde panden, waaruit blijkt dat [C], het bedrijf van verdachte, de bedrijfsruimte in het pand [b-straat 1] te Heeze heeft onderverhuurd aan [betrokkene 8], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] in Polen, en de bedrijfsruimte in het pand aan de [a-straat 1] te Waalwijk aan [betrokkene 7], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] in Polen. Bij deze huurovereenkomsten zijn fotokopieën van de paspoorten van genoemde Polen gevoegd.

Op verzoek van de verdediging heeft het hof op 15 september 2009 de zaak verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank Breda om een aantal opgegeven getuigen, onder wie voornoemde Polen, te horen. Door de rechter-commissaris zijn vervolgens als getuigen gehoord de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12] en [betrokkene 7].

De getuigenverklaringen van de drie eerstgenoemde personen bevestigen in de kern het bestaan van voornoemde Polen en hun relatie met het bedrijf van de verdachte. Met name getuige [betrokkene 9] bevestigt het verhaal van de verdachte tot in detail.

Op 15 januari 2010 is door de rechter-commissaris mr. Borst-Leppens in Polen de getuige [betrokkene 7] gehoord. Zijn alstoen afgelegde verklaring komt erop neer dat hij ontkent de verdachte en zijn bedrijf te kennen, dat hij geen bedrijfsruimte in Waalwijk heeft gehuurd, dat de handtekening die onder het door de verdachte overgelegde huurcontract niet van hem is, dat hij op de contractdatum niet in Nederland is geweest en dat hij weliswaar in Nederland heeft gewerkt, echter niet in de omgeving van Eindhoven, maar in Sneek.

(De getuige [betrokkene 8] is door de Poolse autoriteiten niet gehoord. De verdediging heeft ter terechtzitting van 10 juni 2010 afstand gedaan van het verhoor van deze getuige.)

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat:

- het bedrijf van de verdachte zich in de ten laste gelegde periode onder meer bezighield met de verkoop van omgebouwde zeecontainers, geschikt voor het telen van planten;

- het bedrijf van de verdachte voormelde loodsen (aanvankelijk) heeft gehuurd;

- de in deze bedrijven aangetroffen zeecontainers, althans het overgrote deel daarvan, door de verdachte zijn ingericht;

- de verdachte deze containers in de betreffende loodsen heeft geplaatst;

- de verdachte op 15 mei 2007 naar aanleiding van een melding van wateroverlast in de loods te Heeze ter plaatse is gegaan en zich aan de politie bekend heeft gemaakt als zijnde de huurder van de betreffende loods;

- de verdachte, op het moment dat hij ter plaatse politievoertuigen zag staan, van de loods wegliep in de richting van zijn voertuig;

- de verdachte in de periode van begin mei 2007 tot aan 15 mei 2007 de dag van de ontdekking van hennepkwekerijen door getuige [betrokkene 3] tweemaal in de buurt van de loods te Heeze is gezien en - samen met een ander - drie dagen voor de inval door de politie nog een afvoerpijp op het dak van de loods heeft gemonteerd;

- de verdachte op 16 mei 2007 ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij "een grote wietboer" is, dat hij over een jaar als zijn voorwaardelijke straf is afgelopen de loods weer op zijn naam kan hebben en "die Pool" er dan uitgaat;

- vanuit de mobiele telefoon van de verdachte omstreeks het tijdstip waarop het alarm in de loods te Heeze afging (het hof begrijpt: op 15 mei 2007 in verband met wateroverlast) een uitgaande oproep heeft plaatsgevonden met het mobiele nummer waarmee het alarmsysteem in geval van alarm contact maakte;

- de verdachte op 20 mei 2007, derhalve vijf dagen na de ontdekking van hennepplanten in de loods te Heeze, pogingen in het werk heeft gesteld het huurcontract betreffende de loods te Waalwijk op naam van [betrokkene 7] te laten zetten.

Op grond van het vorenstaande staat voor het hof vast dat de verdachte in ieder geval heeft geweten van de aanwezigheid van hennepplanten in de loods te Heeze. Het hof is op grond daarvan er ook van overtuigd dat de verdachte heeft geweten van de aanwezigheid van hennepplanten in de loods te Waalwijk, waarbij het in het bijzonder wijst op de sterk overeenkomende omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals hiervoor omschreven. Op grond van voormelde wetenschap, gecombineerd met het feit dat verdachte hoofdhuurder van de loodsen was, acht het hof bewezen dat verdachte de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Het hof sluit overigens niet uit dat voornoemde Poolse mannen op enigerlei wijze betrokken waren bij de onderhavige feiten. Het kan echter niet vaststellen waar die betrokkenheid uit heeft bestaan. Vandaar ook dat het hof het medeplegen niet bewezen acht. In dit verband wordt nog opgemerkt dat het hof aan de verklaringen van de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11] en [betrokkene 12] voorbij gaat. Het hof acht deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar nu deze personen in een vriendschappelijke dan wel zakelijke relatie tot de verdachte staan. Aldus is naar het oordeel van het hof ook het door de verdachte geschetste scenario zoals het blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt verworpen."

3.3. Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof het door de verdachte gevoerde verweer, dat hij geen opzet had op de aanwezigheid van de desbetreffende hennep omdat hij geen enkele wetenschap had van de hennepplantages in de loodsen, verworpen. Dat verweer berustte op het "door de verdachte geschetste scenario", inhoudende dat hij de loods in Waalwijk en de loods in Heeze telkens had onderverhuurd aan een Poolse man, welke Polen de hennepkwekerijen buiten zijn medeweten hebben ingericht, en dat de aangetroffen zeecontainers met daarin hennepkwekerijen niet aan hem toebehoorden, maar aan de twee Polen aan wie hij de containers verkocht had. Dat scenario heeft het Hof niet aannemelijk bevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Uit hetgeen het Hof op grond van de bewijsvoering heeft vastgesteld, heeft het Hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat ten aanzien van de aangetroffen hennepkwekerijen de betrokkenheid van de verdachte als (hoofd)huurder van de loodsen en als degene die de voor de teelt van planten compleet ingerichte zeecontainers in de loodsen heeft geplaatst zodanig intensief is geweest en zijn wetenschap als "grote wietboer" van de teelt van hennep in zeecontainers zodanig manifest was, dat het niet anders kan zijn dan dat hij het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de hennep in de zeecontainers in de loodsen, ook al zou hij de loodsen (op papier) hebben onderverhuurd aan de beide Poolse mannen. Aan die laatstgenoemde omstandigheid behoefde het Hof - zelfs als het deze omstandigheid, anders dan het heeft gedaan, niet onaannemelijk had geacht - immers niet te ontlenen dat de verdachte, zoals hij heeft gesteld, "geen enkele wetenschap had van de hennepplantages in de loodsen".

Voor zover wordt geklaagd dat het Hof een niet redengevend onderdeel in bewijsmiddel 9 heeft opgenomen, te weten de zinsnede in de verklaring van de verdachte: "Ik heb de loods onderverhuurd aan een Pool", geldt dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht dat de Polen de hennepkwekerijen buiten medeweten van de verdachte hebben ingericht. Aan voormelde zinsnede kan redengevende kracht voor het bewijs niet worden ontzegd, nu het Hof tevens heeft overwogen dat niet uit te sluiten valt dat de Poolse mannen op enigerlei wijze betrokken waren bij de hennepkwekerijen.

3.4. Het middel faalt in zoverre. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de verbeurdverklaring van drie zeecontainers heeft uitgesproken.

4.2. Het Hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:

"De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die blijkens het onderzoek ter terechtzitting aan (het bedrijf van) de verdachte toebehoren, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2010 houdt als verklaring van de verdachte omtrent het beslag - kort samengevat - in dat hij de zeecontainers heeft verkocht en dat hij ze niet terug hoeft omdat ze niet van hem zijn.

4.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat drie zeecontainers zijn aangetroffen met in elke container een in werking zijnde hennepkwekerij. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de aangetroffen hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof overwogen dat verdachte onder meer heeft aangevoerd dat hij de zeecontainers had verkocht, maar dat het "door de verdachte geschetste scenario (...) niet aannemelijk [is] geworden". Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de zeecontainers nog aan de verdachte toebehoorden, nu niet aannemelijk is geworden dat hij ze had verkocht. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het voorts toereikend gemotiveerd.

4.5. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr.

5.2. Het middel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr;

beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, in mindering zal worden gebracht de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in verzekering heeft doorgebracht;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 17 april 2012.