Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9184

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/04593
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9184
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De Hoge Raad herhaalt en verduidelijkt de toepasselijke overweging uit HR LJN BH3079. Het verzuim dat een aangehouden verdachte niet of niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen, dient - behoudens de twee in HR LJN BH3079 genoemde uitzonderingen - zonder meer tot bewijsuitsluiting te leiden. Het Hof heeft dit miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/646

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/04593

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 10 september 2010, nummer 21/001364-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, ten onrechte bij de bewijsvoering heeft betrokken.

2.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode tussen 9 februari 2009 en 11 februari 2009 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander een damesfiets merk Batavus, type Crescendo, kleur mintgroen/paars voorhanden heeft gehad terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.

hij op 28 september 2008 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vader [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto, met een behoorlijke snelheid, op [betrokkene 1] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

- met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde:

een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik ga geen vragen stellen als iemand met een fiets komt, maar als ik na ga denken dan had ik wel kunnen weten dat de fiets gestolen zou kunnen zijn, omdat er geen slot op zat."

- met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde:

een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 28 september 2008 te Utrecht startte ik de motor van de auto en reed naar mijn vader toe. Hij stond toen bij de bestuurderskant van de Mercedes. Ik stak eerst een paar meter achteruit en daarna reed ik naar voren richting mijn vader. Ik reed ongeveer 20 tot 30 kilometer per uur."

2.2.3. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

"Verweren

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan die verhoren in de gelegenheid is gesteld een raadsman te consulteren. De raadsman verwijst hierbij naar de uitspraak van het EHRM gewezen op 27 november 2008, 36391/02 (Salduz v. Turkije), en concludeert dat de afgelegde verklaringen van verdachte niet tot het bewijs gebezigd mogen worden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de uitspraak in de zaak Salduz relevant is voor de onderhavige zaak. Uit het proces-verbaal van politie kan worden afgeleid dat verdachte zonder dat hij is gewezen op het recht een raadsman te raadplegen verklaringen heeft afgelegd. In beginsel dienen deze verklaringen dan ook voor het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof gaat hier evenwel niet toe over en overweegt daartoe het navolgende. Zowel bij de politierechter als voor het hof is verdachte niet verschenen. Zijn gemachtigd raadsman heeft in eerste aanleg en in hoger beroep de verdediging gevoerd. Daarbij is door de raadsman aangevoerd dat de handelingen van verdachte geen schuldheling dan wel poging tot zware mishandeling opleveren, maar is de inhoud van de verklaringen zoals verdachte die tegenover de politie heeft afgelegd niet betwist. Sterker nog, van die verklaringen is de raadsman in zijn pleidooi uitgegaan en daarop heeft hij zijn nadere stellingen gestoeld. Nu verdachte na zijn afgelegde verklaringen bij de politie niet op die verklaringen is teruggekomen of deze in een later stadium heeft ingetrokken en hij voorts nadien geen beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat hij voorafgaande aan de verhoren niet in de gelegenheid is gesteld een raadsman te consulteren, niet in de weg staat aan het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs. Het hof zal deze verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs. Het hof volstaat met de constatering dat zich een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft voorgedaan."

2.3. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349).

2.4. Uit genoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat een dergelijk verzuim - behoudens de twee hiervoor genoemde uitzonderingen - zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor dan zal de desbetreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt en is er geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van art. 359a Sv.

2.5. Het Hof heeft vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een vormverzuim als hiervoor onder 2.3 bedoeld. Wat betreft het daaraan te verbinden gevolg heeft het Hof echter het hiervoor onder 2.4 overwogene miskend.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede en het derde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 17 april 2012.