Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV8944

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
10/03755
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht. Artikelen 6:22 en 8:72, lid 3, Awb. Gevolgen van ontbreken schriftelijk mandaat tot het doen van uitspraak op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 929 met annotatie van Niessen-Cobben
FutD 2012-0733 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2012/710
V-N 2012/17.7 met annotatie van Redactie
FED 2012/74 met annotatie van Mr. dr. J.A. Smit
BNB 2012/179 met annotatie van P.J. van Amersfoort
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 maart 2012

nr. 10/03755

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X1 B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 juli 2010, nrs. 04/01924 en 04/02050, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting en een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2000 en 2001 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn bij uitspraken op bezwaar de aanslagen verminderd en is het verlies van het jaar 2001 vastgesteld.

Het Hof heeft het beroep tegen de uitspraak betreffende de aanslag voor het jaar 2000 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de voor dat jaar opgelegde aanslag verminderd, en het beroep tegen de uitspraken betreffende de aanslag voor en de verliesbeschikking van het jaar 2001 ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. De door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn behandeld door AA, die ook de uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Deze uitspraken zijn gedagtekend 31 juli 2004 (aanslag voor het jaar 2000) respectievelijk 14 augustus 2004 (aanslag voor en verliesbeschikking van het jaar 2001).

3.2. Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/P (zijnde de Inspecteur) onder anderen AA aangewezen om krachtens mandaat de aan de Inspecteur toekomende bevoegdheden uit te oefenen. Voor de periode vóór 10 augustus 2004 ontbreekt een schriftelijk mandaatbesluit.

3.3. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur bij brief van 22 december 2008 de volgende verklaring, gedagtekend 15 december 2008, aan het Hof gestuurd:

"Hierbij bekrachtig ik de handelingen die AA gemandateerd als inspecteur voor 10 augustus 2004 inzake (...) het bezwaarschrift vennootschapsbelasting 2000 van X1 BV en het bezwaarschrift vennootschapsbelasting 2001 van X1 BV heeft verricht.

Was getekend

(...)

voorzitter van het managementteam Belastingdienst/ P".

4. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

4.1. Middel 1 is gericht tegen het oordeel van het Hof dat met de hiervoor in 3.3 weergegeven verklaring de handelingen bij het doen van de bestreden uitspraken op bezwaar rechtsgeldig zijn bekrachtigd en dat niet (opnieuw) uitspraken op bezwaar behoeven te worden gedaan.

4.2. Wat betreft de uitspraak op bezwaar die is gedaan met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2000, heeft het volgende

te gelden. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en vervolgens zelf in de zaak voorzien. Middel 1 klaagt niet over 's Hofs beslissing om zelf in de zaak te voorzien. Het middel kan daarom bij gebrek aan belang reeds in zoverre niet slagen.

4.3.1. Wat betreft de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslag voor en de verliesbeschikking van het jaar 2001 heeft het volgende te gelden.

4.3.2. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 14 augustus 2004, derhalve op een moment dat aan AA een schriftelijk mandaat was verleend. Aan de rechtsgeldigheid van dit mandaatbesluit van 10 augustus 2004 doet, anders dan middel 1 betoogt, niet af de omstandigheid dat in de aanhef van het mandaatbesluit - behalve naar artikel 10:5 Awb - mede wordt verwezen naar een artikel uit de per 1 januari 2003 vervallen Uitvoeringsregeling Belastingdienst.

Het vorenstaande brengt mee dat, indien - zoals middel 1 voorts betoogt - het mandaatbesluit van 10 augustus 2004 niet in werking kan zijn getreden als gevolg van het formele gebrek dat het niet op de wettelijk voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, de onbevoegdheid van AA uitsluitend op dit formele gebrek berustte. Belanghebbende heeft haar voor het Hof betrokken stelling dat zij is benadeeld door het optreden van AA niet hierop gegrond dat dit nadeel verband hield met de omstandigheid dat het mandaatbesluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 6:22 Awb kon daarom ondanks het formele gebrek de uitspraken op het bezwaar door het Hof in stand worden gelaten (vgl. HR 7 maart 2003, nr. 37702, LJN AF5364, BNB 2003/181).

4.3.3. Uit het hiervoor in 4.3.2 overwogene volgt dat juist is 's Hofs oordeel dat op de ingediende bezwaren tegen de aanslag voor en de verliesbeschikking van het jaar 2001 niet opnieuw uitspraak behoefde te worden gedaan. Middel 1 faalt derhalve ook voor het overige.

4.4. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Het incidentele beroep

Gelet op het hiervoor in 4.4 overwogene heeft de Staatssecretaris geen belang bij het incidentele beroep, zodat dat beroep geen behandeling behoeft.

6. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.