Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV8934

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
10/04653
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9627, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; artikelen 3.30 en 3.54 Wet IB 2001; afschrijvingsgrondslag kan niet worden verhoogd door een deel van de herinvesteringsreserve pro rata aan de restwaarde toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/711
BNB 2012/156
V-N 2012/16.12 met annotatie van Redactie
FutD 2012-0737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 maart 2012

nr. 10/04653

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2010, nr. P09/00024, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/3231) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De activiteiten van belanghebbende bestaan in de exploitatie van vastgoed. Ter zake van in het verleden gerealiseerde boekwinsten bij verkopen van onroerende zaken heeft zij een herinvesteringsreserve gevormd. Bij de aanschaf van een vervangend bedrijfsmiddel placht belanghebbende de aanschafwaarde te splitsen in een restwaarde en een afschrijvingsdeel, waarna zij de herinvesteringsreserve pro rata afboekte van de restwaarde en het af te schrijven deel.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop belanghebbende de afschrijvingen berekent, geen steun vindt in het

recht. Uit het bepaalde in de artikelen 3.30 en 3.54 Wet IB 2001 kan, aldus het Hof, worden afgeleid, dat de wetgever ervan is uitgegaan dat alvorens de afschrijving van een bedrijfsmiddel op de voet van artikel 3.30 Wet IB 2001 wordt bepaald, de op de voet van artikel 3.54 Wet IB 2001 in aanmerking te nemen aanschaffingskosten dienen te worden vastgesteld. Gelet op de systematiek van de wet dient volgens het Hof de uitdrukking "aanschaffings- of voortbrengingskosten" in artikel 3.30 Wet IB daarbij te worden opgevat als het bedrag van deze kosten na eventuele afboeking van een herinvesteringsreserve op de voet van artikel 3.54 Wet IB 2001. Vervolgens dient voor het bepalen van de afschrijvingsbasis een eventuele restwaarde van het desbetreffende bedrijfsmiddel te worden bepaald.

3.2.2. De klachten verzetten zich tegen `s Hofs oordeel met het betoog dat de methode die het Hof voorstaat arbitrair is en bovendien niet volgt uit de wet(tekst) respectievelijk uit de wetsgeschiedenis. Nu de wetgever geen wijze van afboeken voorschrijft, heeft een belastingplichtige - aldus de klachten - de keuze om een evenredig deel van de herinvesteringsreserve af te boeken van de restwaarde.

3.3. De klachten falen. Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.