Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV8508

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
10/05226
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geneeskundige behandeling; art. 7:454 en 456 BW. Afgifte door kliniek van kopieën patiëntendossiers aan (zelfstandig) hulpverlener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Burgerlijk Wetboek Boek 7 454
Burgerlijk Wetboek Boek 7 456
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1312
RvdW 2012/764
RCR 2012/56
RAV 2012/84
NJ 2012/566 met annotatie van J. Legemaate
JWB 2012/260
GJ 2012/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 mei 2012

Eerste Kamer

10/05226

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

VELTHUIS KLINIEK NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Kliniek en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 447836/KG ZA 10-32 SR/KR van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 9 februari 2010;

b. het arrest in de zaak 200.060.141/01 SKG van het gerechtshof te Amsterdam van 7 september 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Kliniek beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Kliniek heeft bij brief van 23 maart 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Kliniek is een bedrijf gericht op het uitvoeren van medische en esthetische behandelingen.

(ii) Op 23 december 2004 hebben [verweerder] en (de rechtsvoorgangster van) de Kliniek een samenwerkingsovereenkomst, hierna ook: de overeenkomst, gesloten op basis waarvan [verweerder] vanaf 1 januari 2005 cosmetisch-chirurgische handelingen heeft verricht bij door de Kliniek geworven patiënten. De Kliniek stelde [verweerder] faciliteiten ter beschikking en factureerde de patiënten namens [verweerder]. Na aftrek van de vergoeding voor aan [verweerder] geleverde facilitaire diensten - in welke vergoeding een premie voor de verzekering van het debiteurenrisico begrepen was - betaalde de Kliniek maandelijks het gefactureerde bedrag aan hem uit.

(iii) In art. 1 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat [verweerder] gebruik zal kunnen maken van de door de Kliniek aangeboden faciliteiten teneinde voor eigen rekening en risico cosmetisch-chirurgische diensten te kunnen aanbieden aan door de Kliniek geworven patiënten. In art. 2 van de overeenkomst is bepaald dat, indien een patiënt van de diensten van [verweerder] gebruik wenst te maken, [verweerder] op eigen naam een behandelingsovereenkomst met de patiënt zal aangaan en dat hij hiertoe gebruik zal maken van een modelbehandelingsovereenkomst die door de medische staf van de Kliniek is goedgekeurd. In art. 5 is bepaald dat [verweerder] zich verplicht, indien hij door of namens de Kliniek geworven patiënten behandelt, deze te behandelen in de Kliniek met gebruikmaking van de faciliteiten van de Kliniek en voorts dat deze verplichting ook na beëindiging van de overeenkomst blijft voortbestaan.

(iv) De behandelingsovereenkomst die met een patiënt werd gesloten, hield (in afwijking van het in art. 2 van de overeenkomst bepaalde) onder meer in:

"De ondergetekende: [verweerder], arts, hierna te noemen "behandelaar", ten deze handelend namens Velthuis Kliniek Eindhoven B.V. (...)".

v) De Kliniek heeft de overeenkomst met [verweerder] bij brief van 29 september 2009 met onmiddellijke ingang opgezegd. In oktober en november 2009 heeft [verweerder] nog werkzaamheden in het kader van de overeenkomst verricht, vanaf december 2009 niet meer. De Kliniek heeft [verweerder] op 28 oktober 2009 de toegang tot de centrale patiëntendatabase ontzegd.

3.2.1 [Verweerder] heeft de Kliniek in dit kort geding gedagvaard en gevorderd dat de Kliniek op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld tot afgifte van de (digitale en niet digitale) patiëntendossiers van de patiënten die hij in de periode 2005-2009 heeft behandeld, althans tot afgifte van een kopie van deze dossiers. De voorzieningenrechter heeft de Kliniek veroordeeld om in een situatie waarin een patiënt zich tot [verweerder] heeft gewend, op eerste verzoek van [verweerder] een kopie van het desbetreffende patiëntendossier aan hem te verschaffen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het hof heeft - met vernietiging in zoverre van het vonnis van de voorzieningenrechter - de Kliniek veroordeeld tot afgifte aan [verweerder] van kopieën van de dossiers met betrekking tot door hem behandelde patiënten, op verbeurte van dwangsommen.

3.2.2 Daartoe overwoog het hof, verkort weergegeven, het volgende. Een toets, zoals door de Kliniek bepleit, of de afgifte van kopieën van de patiëntendossiers wel noodzakelijk is, acht het hof, gelet op [verweerder]s hoedanigheid van hulpverlener, onjuist. De overeenkomst houdt voorts niet in dat [verweerder] slechts de beschikking over de bewuste dossiers krijgt indien hij die voor de behandeling van een patiënt nodig heeft. Het hof ziet niet in hoe de leden 1 en 2 van art. 7:457 BW, welk artikel ziet op de geheimhouding die de hulpverlener jegens derden met betrekking tot informatie over zijn patiënten moet betrachten, [verweerder] als hulpverlener zouden kunnen beperken in zijn recht op afgifte van (kopie van) de bedoelde dossiers. Nu [verweerder] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de Kliniek ook hulpverlener is in de zin van art. 7:446 BW en de kliniek bovendien ingevolge de samenwerkingsovereenkomst als beheerder van de dossiers is aangesteld, zal het hof afgifte van kopieën van de dossiers bevelen. (rov. 3.6-3.7)

3.3 De onderdelen 2.1 en 2.1-I (onderdeel 1 bevat slechts een inleiding) richten rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.6 en 3.7 en de daarop voortbouwende rov. 3.8-3.13. In de kern nemen de klachten tot uitgangspunt dat in het geval een niet in loondienst van het ziekenhuis werkzame arts dat ziekenhuis verlaat en zich elders beroepsmatig vestigt, de dossiers van de door hem behandelde patiënten in beginsel in het ziekenhuis dienen achter te blijven, ook indien die arts tijdens zijn werkzaamheden in het ziekenhuis hulpverlener was in de zin van art. 7:446 BW. Indien deze hoofdregel niet zonder meer kan worden toegepast, dient een belangenafweging plaats te vinden waarbij ook dient te worden betrokken het belang van patiënten dat hun dossiers niet onnodig worden vermenigvuldigd.

De klachten falen. In cassatie is uitgangspunt dat zowel [verweerder] als de Kliniek dient te worden aangemerkt als (zelfstandig) hulpverlener in de zin van art. 7:446 ter zake van de hiervoor in 3.2.1 bedoelde patiënten.

Art. 7:454 BW legt op iedere hulpverlener de verplichting om een dossier in te richten en te bewaren. Op grond van art. 7:456 BW dient de hulpverlener aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in of afschrift van het dossier te verstrekken. Uit deze bepalingen vloeit voort dat iedere hulpverlener dient te beschikken over de dossiers van patiënten voor zover deze door hem als hulpverlener zijn behandeld, hetgeen meebrengt dat hij in zoverre (in beginsel) recht heeft op in ieder geval een kopie van die dossiers. In een geval als het onderhavige, waarbij verschillende hulpverleners uiteengaan, is daarom geen sprake van onnodig kopiëren van patiëntendossiers, zoals het onderdeel suggereert. Voor zover de klachten nog betogen dat het hof bepaalde belangen van de Kliniek onvoldoende zou hebben meegewogen, miskennen zij dat geen belangenafweging nodig was om vast te stellen dat [verweerder] als hulpverlener recht had op afgifte van kopieën van de patiëntendossiers.

Op het bovenstaande stuiten ook de klachten van de onderdelen 2.1-II en 2.1-III, voor zover zij hierop voortbouwen, af.

3.4 De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Kliniek in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 361,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.