Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV8291

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/04310 W
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wots-zaak. 1. Art. 2 Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). 2. Art. 3.1.d WOTS en beroep op een strafuitsluitingsgrond. 3. Verzoek als bedoeld in art. 328 Sv jo. art. 331 Sv. Ad 1. Gelet op het toelichtend rapport van het art. 2 Aanvullend Protocol heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat ook in een geval als het onderhavige, waarin de veroordeelde eerst na ontvluchting de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, art. 2 van toepassing is en dat daarmee een verdragsbasis voor de tenuitvoerlegging aanwezig is. Ad 2. De HR stelt voorop dat een in een vreemde Staat opgelegde sanctie in Nederland slechts kan worden tenuitvoergelegd voor zover, in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest ingevolge art. 3.1.d WOTS. Derhalve dient de Nederlandse rechter ingeval in de exequaturprocedure een beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen, de gegrondheid van dat beroep te beoordelen, al dan niet na op de voet van art. 28.5 WOTS onderzoek te hebben gedaan. Het oordeel van de Rechtbank dat het Bulgaarse recht psychische overmacht als "een vorm van strafuitsluitingsgrond" kent, volgt niet zonder meer uit de door de Rechtbank genoemde stukken. Ad 3. Het middel klaagt terecht dat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de veroordeelde om de zaak aan te houden om een rapportage te laten maken; dit verzuim leidt ex. artt. 328 jo. 331 Sv jo. 28.4 WOTS tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/625
NJ 2013/204

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 11/04310 W

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden, zitting houdende te Groningen, van 7 september 2011, nummer 18/810045-10, omtrent een verzoek van de Republiek Bulgarije tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:

[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Leeuwarden, zitting houdende te Groningen, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank te Plovdiv (Bulgarije) ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, aangezien daartoe een verdragsbasis ontbreekt, omdat art. 2 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) niet van toepassing is.

2.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

"Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt primair de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar te verklaren.

(...)

Ontbreken verdragsbasis

Bulgarije beroept zich volgens de ingediende vordering op artikel 2 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat artikel 2 van het Aanvullend Protocol niet van toepassing is op veroordeelde, nu zij ten tijde van haar veroordeling en ten tijde van haar vlucht geen onderdaan was van Nederland, maar onderdaan van Bulgarije.

De verdragsbasis, zoals is vereist ex artikel 2 WOTS voor het onderhavige verzoek, ontbreekt derhalve.

(...)

Oordeel van de rechtbank

(...)

Ontbreken verdragsbasis

De rechtbank stelt allereerst vast dat het Aanvullend Protocol bij het VOGP tot stand is gekomen met het doel om te voorkomen dat veroordeelden zich kunnen onttrekken aan de straf die is opgelegd. Blijkens de toelichting ziet artikel 2 op gevallen waarin de gevonniste persoon zich onttrekt aan het wettig gezag op het grondgebied van de veroordelende Staat en naar het grondgebied van de Staat van zijn of haar nationaliteit vlucht. Veroordeelde heeft echter twee nationaliteiten te weten zowel de Nederlandse als de Bulgaarse nationaliteit en zij heeft zich onttrokken aan het grondgebied van de veroordelende Staat, waarvan zij de nationaliteit bezat, door te vluchten naar Nederland, het land waarvan zij later de nationaliteit heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank valt ook de situatie als de onderhavige onder de werking van artikel 2 van het protocol, gelet op de strekking van het protocol.

Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 2 WOTS te weten dat sprake moet zijn van een verdragsbasis."

2.3. Art. 2 van het Aanvullend Protocol bij het VOGP luidt, in de Nederlandse vertaling, als volgt:

"1. Wanneer een onderdaan van een Partij die is veroordeeld bij onherroepelijk vonnis, uitgesproken op het grondgebied van een andere Partij, zich aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling tracht te onttrekken door te vluchten naar het grondgebied van de eerstgenoemde Partij voordat hij de veroordeling heeft ondergaan, kan de Staat van veroordeling de andere Partij verzoeken de tenuitvoerlegging van de veroordeling over te nemen.

(...)

3. De instemming van de gevonniste persoon is voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van de veroordeling niet vereist."

2.4. Gelet op het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6 aangehaalde toelichtend rapport bij art. 2 van het Aanvullend Protocol heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat ook in een geval als het onderhavige, waarin de veroordeelde eerst na de ontvluchting de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, voornoemd art. 2 van toepassing is en dat daarmee een verdragsbasis voor de tenuitvoerlegging aanwezig is.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen het verweer dat aan de veroordeelde een beroep op psychische overmacht toekomt, terwijl het strafrecht van Bulgarije een dergelijke strafuitsluitingsgrond niet kent.

3.2. De Rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw verzoekt primair de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar te verklaren.

(...)

Dubbele strafbaarheid

Veroordeelde is naar Nederlands recht geen strafbare dader omdat haar een beroep op psychische overmacht toekomt. Uit de overgelegde vertalingen van de artikelen uit het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering blijkt echter niet dat het Bulgaarse recht als strafuitsluitingsgrond de psychische overmacht kent. Er is derhalve geen sprake van dubbele strafbaarheid, zodat de tenuitvoerlegging niet kan worden overgenomen.

(...)

Oordeel van de rechtbank

(...)

Dubbele strafbaarheid

Op grond van de stukken, waaronder de vertaling van het vonnis alsmede de vertaling van de artikelen 12, 54 en 118 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Bulgaarse Wetboek van Strafvordering kan worden vastgesteld dat het Bulgaarse recht psychische overmacht als een vorm van strafuitsluitingsgrond kent. Uit de vertaling van het vonnis leidt de rechtbank af dat veroordeelde een beroep heeft gedaan op deze exceptie door te wijzen op de psychische toestand waarin zij verkeerde. Dit beroep is afgewezen (pagina 5 van het vonnis). Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van dubbele strafbaarheid."

3.3. De door de Rechtbank genoemde Bulgaarse wettelijke bepalingen luiden, in de Engelse vertaling, als volgt:

"Art. 12 Criminal Code

(1) An act shall be considered not dangerous to society, where it has been committed in situation of inevitable defence, defence against immediate unlawful attack on state or public interests, on the person or the rights of the person defending himself or of another person, by inflicting harm on the attacker within the framework of the necessary limits.

(2) The limits of inevitable self-defence shall be considered exceeded where the defence obviously did not compare to the nature and danger of the attack.

(3) (New, SG No. 62/1997, amended, SG No. 120/1997, No. 75/2006) The limits of inevitable defence shall not be considered exceeded where the attack took place through violent penetration into premises or through violent housebreaking.

(4) (Amended, SG No. 28/1982, renumbered from Paragraph 3, SG No.62/1997) The acting person shall not be punishable if he has committed the act of exceeding the limits of inevitable self-defence due to fright or confusion.

METING OUT OF PUNISHMENTS

Article 54 Criminal Code

(1) The court shall mete out punishments within the limits provided by law for the crime committed, guided by the provisions of the general part of this Code and taking into consideration the following:

the degree of social danger of the act and the perpetrator,

the motives for crime perpetration, and other attenuating or aggravating circumstances.

(2) The attenuating circumstances shall condition the infliction of a milder punishment, and the aggravating ones of a severer punishment.

Article 118 Criminal Code (Amended, SG No. 28/1982)

For murder committed in a state of strong vexation, provoked by the victim with violence, with a grave insult or slander or with another unlawful action, from which serious consequences have set in or could set in for the culprit or his next-of-kin, the punishment shall be: in the cases of Article 115 - deprivation of liberty for one to eight years, and in the cases under Article 116, sub-paragraphs 1 - 6 deprivation of liberty for three to ten years.

Art. 337 Criminal Procedure Code

Modification of the first-instance sentence

(1) The intermediate appellate review court may:

1. reduce the punishment;

2. apply a law providing for equally or less heavily punishable crime;

3. exempt the defendant from serving the punishment in accordance with Article 64, paragraph 1 or Article 66 of the Criminal Code;

4. exempt the defendant from criminal liability in accordance with Articles 78 and 78a of the Criminal Code.

(2) Where a protest or appeal correspondingly by the prosecutor or private complainant or the private prosecutor exist, the appellate court may:

1. increase the punishment;

2. revoke the exemption from serving the punishment under Article 64, paragraph 1 or Article 66 of the Criminal Code.

(3) The intermediate appellate review instance may also rule only in respect of the reasons and grounds for acquittal of the defendant or with regard to the civil claim."

3.4. Blijkens de tot de stukken van het geding behorende Nederlandse vertaling van het vonnis van de Rechtbank te Plovdiv heeft de Bulgaarse rechter, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"De tegenspraak van de verdediging van de verdachte, dat de daad in een sterk geïrriteerde door het slachtoffer veroorzaakte toestand verricht is voor art. 12 van het Wetboek van Strafrecht - noodzakelijke verdediging, zelfs voor ontoerekeningsvatbaarheid wegens een grote hoeveelheid ingeslikte kalmerende medicijnen zijn niet gegrond en worden bestrijd door de in de zaak verzamelde bewijzen. In de morgen toen het slachtoffer in het huis van de verdachte kwam, was hij dronken en hij ging vlug naar bed en viel in slaap, zonder dat hij enig lichamelijk geweld tegenover haar oefende. Zulke beschuldigingen zijn niet gesteld bij het verhoor in het gerecht. Er zijn geen gegevens beschikbaar over aanval in strijd met het recht en verzet tegen deze aanval bij bovengaan van de normen van de noodzakelijke verdediging. De daden van de verdachte waren volledig doelgericht en opeenvolgend met de bedoeling de realisatie van het door haar bedachte. De omstandigheid, dat ze later geschrokken en diep aangegrepen was, ligt meer aan het feit, dat ze de uitdrukking van de ogen van het slachtoffer zag, de angst, dat hij zal overleven en zich op haar wreken. Het is absoluut normaal dat men in zo'n toestand geraakt na het plegen van moord vooral als deze persoon de psyche van de verdachte heeft. Maar dat maakt haar niet ontoerekeningsvatbaar. De conclusie van de rechtelijk psychiatrische expertise is categorisch, dat ze de inhoud en de betekenis van de daad het plegen van de moord besefte en ze haar daden kon besturen."

3.5.1. Art. 3 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) luidt als volgt:

"1. Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland slechts worden ten uitvoer gelegd voor zover:

a. de rechterlijke beslissing in die Staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is;

b. de sanctie niet bestaat uit de betaling van proceskosten of uit een veroordeling tot schadevergoeding aan een benadeelde partij;

c. de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar Nederlands recht eveneens strafbaar is;

d. in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest.

2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt een feit naar Nederlands recht strafbaar geacht, indien krachtens de Nederlandse wet eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde, als blijkens de in de vreemde Staat gewezen rechterlijke beslissing op de rechtsorde van die Staat is gemaakt, strafbaar is."

Art. 28 WOTS luidt als volgt:

"1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van de officier van justitie, de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing van belang zijn. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de veroordeelde vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

2. De officier van justitie en de veroordeelde en diens raadsman worden in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting van de rechtbank te worden gehoord.

3. De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.

4. De artikelen 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, eerste lid, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid, 280, 281, 286, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 293, 299, 300, 301, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 310, 311, tweede tot en met vierde lid, 315 tot en met 317, 319, 320, 322, eerste en tweede lid, 324 en 326 tot en met 331 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.

5. Indien getuigen zijn opgeroepen ter verkrijging van inlichtingen omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde of indien de rechtbank het noodzakelijk acht feiten te onderzoeken ter beoordeling van het bestaan van gronden die naar Nederlands recht, doch niet naar dat van de vreemde Staat, de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluiten, vinden voorts de artikelen 287, tweede lid, 288, vierde lid, 289, eerste tot en met derde lid, 290 tot en met 292, 294 tot en met 297, 301, derde lid, en 311, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.

6. Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 26, tweede lid, heeft geweigerd een getuige te doen oproepen kan de veroordeelde de rechtbank verzoeken alsnog de oproeping van de getuige te bevelen. De rechtbank gaat hiertoe over indien zij van oordeel is dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

7. De in het derde en het vijfde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.

8. De officier van justitie legt, na voorlezing, een conclusie aan de rechtbank over. Indien de conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft zij de straf of maatregel welke naar het oordeel van de officier van justitie in plaats van de buitenlandse sanctie behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de officier van justitie in dat geval met welk strafbaar feit naar Nederlands recht het feit op grond waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie is onderworpen, overeenkomt."

3.5.2. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WOTS houdt onder meer het volgende in:

"De beoordeling van de strafbaarheid van feit en dader in het concrete geval vraagt om een andere toetsing. Het gedrag van de dader kan de rechter immers nopen tot het oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het door hem gepleegde feit niet als strafbaar is aan te merken of dat dit feit, hoewel strafbaar, aan de dader niet kan worden toegerekend. In de gevallen dat uit de uitspraak van de buitenlandse rechter of uit de stukken die aan zijn uitspraak ten grondslag liggen (en die, zo nodig, nader kunnen worden opgevraagd) blijkt, dat deze een beroep op bijzondere omstandigheden, waaronder het feit is begaan, heeft verworpen, is de Nederlandse exequaturrechter daaraan, als zijnde een feitelijke constatering van de veroordelende rechter, gebonden. Zou de veroordeelde eerst voor de exequaturrechter een beroep op een strafuitsluitingsgrond doen, waarop hij zich ook naar het buitenlands recht had kunnen beroepen, dan moet het ervoor gehouden worden dat die grond zich in het concrete geval niet voordoet, ook al zou in de buitenlandse rechterlijke beslissing niet uitdrukkelijk worden geconstateerd dat een dergelijk beroep niet opgaat. Er is in zo'n geval in beginsel geen ruimte voor een nader feitelijk onderzoek door de Nederlandse exequaturrechter. Dat neemt overigens niet weg, dat de veroordeelde nog de mogelijkheid ter beschikking kan staan in de staat van veroordeling herziening van de veroordelende uitspraak te vragen. Anders ligt de zaak echter wanneer naar Nederlands recht een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond bestaat, welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen. Bekend is het voorbeeld uit het Engelse recht, dat - althans tot voor kort - geen beroep op overmacht toeliet in geval van moord. Aan een dergelijk beroep had de Engelse rechter derhalve voorbij te gaan. Bij een dergelijke ongelijkheid tussen het buitenlandse en het Nederlandse recht zal de exequaturrechter, indien daarop een beroep wordt gedaan of anderzins het vermoeden rijst dat van een dergelijke ongelijkheid sprake is, niet aan een aanvullend feitelijk onderzoek kunnen ontkomen en in voorkomend geval de veroordeelde, nu deze door de overdracht van de buitenlandse executie onder de werking van de Nederlandse rechtssfeer wordt gebracht, van eventuele gunstiger Nederlandse rechtsregels behoren te laten profiteren. Het vijfde lid van artikel 28 is voor dergelijke situaties geschreven. Het aanvullend onderzoek kan bestaan uit het verwerven van inlichtingen omtrent de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht en het verhoor van getuigen, via rogatoire commissies of ter zitting, al dan niet voorafgegaan door een onderzoek door de rechter-commissaris op de voet van art. 316 Sv."

(Kamerstukken II 1983/84, 18 129, nr. 3, p. 29)

3.6. Vooropgesteld moet worden dat ingevolge art. 3, eerste lid onder d, WOTS een in een vreemde Staat opgelegde sanctie in Nederland slechts kan worden tenuitvoergelegd voor zover, in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest. Derhalve dient de Nederlandse rechter ingeval in de exequaturprocedure een beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen, de gegrondheid van dat beroep te beoordelen, al dan niet na op de voet van art. 28, vijfde lid, WOTS onderzoek te hebben gedaan.

3.7. Het oordeel van de Rechtbank dat het Bulgaarse recht psychische overmacht als "een vorm van strafuitsluitingsgrond" kent, volgt niet zonder meer uit de door de Rechtbank genoemde stukken, waaronder het Bulgaarse vonnis alsmede de overgelegde art. 12, 54 en 118 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht en art. 337 van het Bulgaarse Wetboek van Strafvordering.

3.8. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar de Rechtbank te Groningen, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 17 april 2012.