Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV7979

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
10/04700 Hs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef. Afwijzing aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/04700 Hs

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 4 maart 2004, nummer 06/070347-03, ingediend door mr. J.P. Moggré, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, althans tot een andere kwalificatie van het bewezenverklaarde feit, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

Aan de aanvrage is gehecht een brief van 29 maart 2007 van het Arrondissementsparket Zutphen gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van 1997 tot en met maart 2006 door speurhondengeleiders. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008/591).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft een veroordeling van de aanvrager ter zake van een op 7 mei 2003 te Nunspeet gepleegde diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2. De Politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak als bedoeld in art. 378a, eerste lid, Sv. Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken geen proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter.

Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

(i) Aangever [betrokkene 1] werd op woensdag 7 mei 2003 op zijn vakantieadres gebeld door zijn dochter, die hem vertelde dat er was ingebroken in zijn woning aan de [a-straat 1] te Nunspeet. Toen hij bij zijn woning kwam, zag hij dat de voordeurruit was ingeslagen ter hoogte van het slot. Hij zag dat laden en kastdeuren los stonden en dat diverse spullen en goederen verspreid over de grond lagen. Hij miste diverse goederen. Er zijn drie schilderijen weggenomen, twee Hiddinks en nog een ander schilderij. Uit de slaapkamer op de benedenverdieping is uit de lade van een kastje een sieradendoos weggenomen met daarin meerdere sieraden. Op de computerkamer op de bovenverdieping is een scanner gestolen. Voor het overige zijn er uit de hele woning diverse goederen gestolen waaronder een bestekcassette. Deze lag in de kast in een bestekkist in de woonkamer. Er zijn twee ouderwetse portemonnaies gestolen, vier of vijf zakjes met geld met euro-munststukken en een 'John Player' plastic busje, eveneens met euro-munststukken en een stuk of tien CD's. (Proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(ii) Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben het volgende gerelateerd. Op dinsdag 7 mei 2003 omstreeks 02:35 uur kregen zij van de regionale meldkamer te Apeldoorn opdracht naar Nunspeet te gaan waar volgens een getuige zou worden ingebroken in de [b-straat]. Na een achtervolging door de politie van twee verdachte personen werd de aanvrager aangehouden. In de bosschages werden een goudkleurige brillenkoker en een goudkleurig doosje aangetroffen alsmede een blauwe sjaal en een computerstekker. Deze goederen werden achtergelaten door de persoon die werd aangehouden (de aanvrager). Achter in de brandgang werden een flatbedscanner van het merk Canon, een zwarte rubberen wapenstok en een houten kistje met sieraden aangetroffen. Vermoedelijk werden deze goederen achtergelaten door de tweede verdachte die de brandgang invluchtte en die niet meer werd aangetroffen. (Proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(iii) Verbalisant [verbalisant 3] heeft het volgende gerelateerd. Nadat de aanvrager was aangehouden werd hij gefouilleerd. In de rechterzak van zijn jas trof de verbalisant een tweetal girobetaalkaarten aan op naam van [betrokkene 1]. Blijkens het systeem van de politie woont [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1] te Nunspeet, kort bij de plaats waar de aanvrager is aangehouden. (Proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(iv) [Betrokkene 2], wonende aan de [b-straat] te Nunspeet heeft het volgende verklaard. Hij is kunstschilder. In de nacht van woensdag 7 mei 2003 omstreeks 01.30 uur was hij in een slaapkamer, aan de voorzijde van zijn woning aan het schilderen. Zijn aandacht werd toen getrokken door een auto die meerdere malen langs kwam. De auto reed een paar maal over de [b-straat] en [a-straat]. Een poosje later zag hij een man op het grasveld voor zijn woning lopen. Hij zag dat de man naar een hulstboom liep en bij de hulstboom een schilderij pakte. Kennelijk was bij die hulstboom een schilderij verborgen. De man liep met het schilderij weg in de richting van de [a-straat]. [Betrokkene 2] heeft op dat moment geen zicht meer op de auto. Mogelijk dat die aan de [a-straat] heeft gestaan. Even later zag hij twee mannen, waaronder de man met het blauwe jasje, vanuit de richting van de [a-straat] lopen in de richting van de bejaardenhuisjes. Hij zag dat de twee mannen kennelijk een van deze woningen binnengingen. Naar later bleek was dit perceel [a-straat 1]. [Betrokkene 2] heeft vervolgens de politie gebeld. Toen de politie kwam, zag hij dat de twee mannen vanuit de woning wegrenden. Later zag hij dat de politie een van hen had gearresteerd. (Proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(v) De aanvrager heeft verklaard dat hij binnen is geweest in de woning waar ingebroken is. Hij is naar binnen gelopen via de voordeur. Hij liep samen met [betrokkene 3] naar binnen. De deur was open. [Betrokkene 3] is eerst alleen naar de woning geweest. De aanvrager weet niet hoe [betrokkene 3] is binnengekomen. De aanvrager is in ieder geval in de gang en in de woonkamer geweest. In de woning heeft hij goederen van [betrokkene 3] aangereikt gekregen. Dit zijn de goederen die hij tijdens de achtervolging van zich heeft afgegooid en die de politie heeft inbeslaggenomen. Hij weet niet specifiek wat voor goederen dat waren. Hij kan zich niet herinneren dat hij in de woning in andere ruimten is geweest. Toen hij samen met [betrokkene 3] bij de woning kwam, heeft hij niet gezien dat er iets verbroken was aan de deur van de woning. Toen hij de woning inging, begreep hij dat dit niet de woning van [betrokkene 3] was. Hij begreep, op het moment dat hij zich in de woning bevond, dat hij samen met [betrokkene 3] aan het inbreken was in een woning waar zij geen recht hadden om naar binnen te gaan. Hij begrijpt dat hij goederen heeft aangenomen van [betrokkene 3] die van diefstal afkomstig waren en die in eigendom toebehoren aan een ander. Hij heeft dus met [betrokkene 3] ingebroken in die woning en niet met andere personen. Zij waren met zijn tweeën. Hij verklaarde verder dat hij [betrokkene 3] verder niet van naam kent. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(vi) De aanvrager heeft verklaard dat hij niet wist dat [betrokkene 3] in de woning ging inbreken. Hij heeft in de woning goederen uit de woning aangepakt van [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] had deze goederen weggenomen. De aanvrager is alleen in de hal en de huiskamer geweest. Hij is verder niet in andere vertrekken geweest. Volgens de aanvrager is [betrokkene 3] wel naar boven gelopen in deze woning. Hij weet niet of er schilderijen uit de woning zijn weggenomen. Hij heeft in ieder geval niet gezien dat [betrokkene 3] schilderijen heeft weggenomen uit de woning. Verder zijn alleen goederen weggenomen uit de woning die de aanvrager bij zich heeft gehad na de woninginbraak, waaronder het zakje met muntgeld en de girobetaalkaarten. De rest van wat de aanvrager bij zich had, heeft hij tijdens het wegrennen voor de politie van zich afgegooid. Hij is alleen mededader in de woninginbraak in Nunspeet, waarvoor hij is aangehouden. Verder heeft hij nergens ingebroken. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(vii) De aanvrager heeft verklaard dat hij in de woning alleen spullen heeft aangepakt van [betrokkene 3] en dat hij verder zover hij weet geen spullen heeft aangeraakt in de woning. Hij erkent dat hij samen met [betrokkene 3] in de woning is geweest. [Betrokkene 3] heeft de woning opengebroken. De aanvrager was daar niet bij. Vanuit de woning heeft hij goederen meegenomen naar buiten. Dit waren de goederen die [betrokkene 3] hem heeft aangegeven. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0613/03-276037).

(viii) Uit een door [verbalisant 4], speurhondengeleider, brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, [verbalisant 5], brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Gelderland Midden en [verbalisant 6], brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, op 12 mei 2003 verrichte geuridentificatieproef bleek onder meer dat speurhond REX een geurovereenkomst waarnam tussen het aangeboden geurmonster van een stekker en de geurdragers welke waren vastgehouden door de aanvrager. (Proces-verbaal geuridentificatieproef, proces-verbaalnummer 12.05.03.12.15.[...]).

5.3. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan, ook zonder het hiervoor onder 5.2 sub (viii) vermelde resultaat van de geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, met voldoende mate van aannemelijkheid de bewezenverklaarde betrokkenheid van de aanvrager bij de tenlastegelegde inbraak worden afgeleid.

5.4. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken of ter zake van een minder zware strafbepaling zou hebben veroordeeld.

De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 maart 2012.