Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV3930

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
10/05449 en 11/01414
Formele relaties
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2013:2456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

KB-Lux.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/12.27.3
V-N Vandaag 2012/454
FutD 2012-0447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2012

nrs. 10/05449 en 11/01414

Arrest

gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 november 2010, nr. 04/02835, en van 10 februari 2011, nr. 10/00885, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, en op de hierna te vermelden verzoeken van belanghebbende.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1994 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1995 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

Aan belanghebbende zijn voorts over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Het Hof heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrente verminderd en de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie en verzoeken belanghebbende

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft verweerschriften ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak met nr. 10/05499 doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.

De Staatssecretaris heeft eveneens tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft die beroepen ingetrokken.

Na deze intrekking heeft belanghebbende de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van de beroepen in cassatie.

De Staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Belanghebbende heeft de verzoeken doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, voornoemd.

De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en verhogingen (hierna samen: boeten) en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arresten van 15 april 2011 met nr. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206 (hierna: het IB-arrest van 15 april 2011) en met nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207 (hierna: het VB-arrest van 15 april 2011).

3.2. 's Hofs uitspraken geven wat betreft de beoordeling van de onderscheiden boeten blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van beide arresten van 15 april 2011. De middelen slagen in zoverre.

3.3. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. 's Hofs uitspraken kunnen niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.8.3 en 4.8.4 van het IB-arrest van 15 april 2011 en onderdelen 4.11.3 en 4.11.4 van het VB-arrest van 15 april 2011.

3.5. In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:

(i) in hoeverre de Inspecteur voor elk van de boeten het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) in hoeverre elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 10/05450, 10/05451, 10/05452, 10/05454, 10/05455 en 10/05456 met de onderhavige zaak met nummer 10/05449 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en dat de zaken met nummers 11/01162, 11/01163, 11/01164 en 11/01166 met de onderhavige zaak met nummer 11/01414 samenhangen in de zin van het Besluit.

5. Beoordeling van de verzoeken

Belanghebbende heeft ter zake van de ingetrokken cassatieberoepen geen proceshandelingen verricht als genoemd in de lijst (A) van de bijlage bij het Besluit. De Hoge Raad acht derhalve geen termen aanwezig voor inwilliging van het verzoek.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de beroepen in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraken van het Hof uitsluitend wat betreft de verhogingen die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1994 tot en met 1997 en op die in de VB over de jaren 1995 tot en met 1998, en de boeten die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2000 en op die in de VB over de jaren 1999 en 2000,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van de beroepen in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 2622 en een vijfde van € 1311, derhalve € 636,77, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de verzoeken van belanghebbenden om een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie in verband met de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2012.