Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV3807

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
11/04724 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Afstand doen van het motorrijtuig doet de verzekeringsplicht a.b.i. art. 2.1 WAM niet zonder meer vervallen. Daarom kan deze omstandigheid niet het voor herziening noodzakelijke ernstige vermoeden wekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/345
SR-Updates.nl 2012-0103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 februari 2012

Strafkamer

nr. S 11/04724 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 6 augustus 2008, nummer 09/726717-08, ingediend door mr. H. Weisfelt, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden", gepleegd op 5 december 2007 met het motorvoertuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB], veroordeeld tot twee weken hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. In de aanvrage wordt - met verwijzing naar bijlagen - aangevoerd dat de auto met het kenteken [AA-00-BB] reeds op 28 augustus 2004 in Duitsland in beslag is genomen en dat de aanvrager eind 2005 afstand heeft gedaan van de auto. Volgens de aanvrager zou het onderzoek der zaak destijds niet hebben geleid tot zijn veroordeling, althans hebben geleid tot toepassing van art. 9a Sr, indien het voorgaande toen reeds bekend zou zijn geweest.

3.3. De kentekenhouder is ingevolge art. 2, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekeringsplichtig zolang aan hem een kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven en de geldigheid van het kentekenbewijs niet op aanvraag van de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer is geschorst overeenkomstig art. 67, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (vgl. HR 27 maart 2001, LJN AB0746, NJ 2001/380).

3.4. Dat de aanvrager na de inbeslagneming door de Duitse autoriteiten van het motorrijtuig daarvan afstand heeft gedaan, doet de verzekeringsplicht dus niet zonder meer vervallen en kan daarom niet het ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. Voor zover in de aanvrage wordt aangevoerd dat een en ander zou hebben geleid tot toepassing van art. 9a Sr, wordt eraan voorbijgezien dat onder "eene minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder valt niet de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie, waaronder begrepen de toepassing van art. 9a Sr.

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 14 februari 2012.