Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV3556

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
11/04067
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV3556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Cassatie; Wet griffierechten burgerlijke zaken. Griffierecht niet tijdig voldaan. Geval vergelijkbaar met dat van HR 4 november 2011, LJN BU3348 (verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie). Op gronden vermeld in dat arrest levert toepassing sanctie niet-ontvankelijkheid ook thans een onbillijkheid van overwegende aard op (art. 282a lid 4, art. 427b Rv.).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/478
RvdW 2012/539
NJ 2012/231
RvdW 2012/1526
JWB 2012/84
JWB 2012/561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2012

Eerste Kamer

11/04067

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. L.C. Blok,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de beschikking met zaaknummer 344179/HA RK 09-390 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2011.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift tot cassatie is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het door verzoeker verschuldigde griffierecht is op 10 oktober 2011 door de Hoge Raad ontvangen.

Aan de advocaat van verzoeker is verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan.

De advocaat van verzoeker heeft per brief van 10 november 2011 een reactie ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt ertoe dat de Hoge Raad toepassing zal geven aan de hardheidsclausule en een datum zal bepalen voor indiening van een verweerschrift.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift, bij de Hoge Raad binnengekomen op 7 september 2011, beroep in cassatie ingesteld. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende hij ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken daarna, derhalve uiterlijk op 5 oktober 2011, op de rekening van de Hoge Raad was bijgeschreven dan wel ter griffie van de Hoge Raad was gestort. Hij heeft het griffierecht eerst op 10 oktober 2011 voldaan. Het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. brengt, in beginsel, mee dat hij in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2 De advocaat van verzoeker heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, bij brief van 10 november 2011 zich uitgelaten over de te late betaling van het griffierecht en het daaraan te verbinden rechtsgevolg. Hij heeft aangevoerd dat op de hem toegestuurde griffierechtnota van 19 september 2011 was vermeld dat het griffierecht binnen 28 dagen na dagtekening van de nota moet worden voldaan, en heeft een kopie van die nota bijgevoegd.

3.3 Het gaat hier om een geval vergelijkbaar met dat van HR 4 november 2011, LJN BU3348, waarin eveneens sprake was van verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie. Op de gronden vermeld in rov. 3.4, tweede en derde alinea, van dat arrest moet ook thans worden geoordeeld dat toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Dit brengt mee dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad bepaalt dat zal worden voortgeprocedeerd.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel op 10 februari 2012.