Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV3451

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
11/02292 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV3451
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. 1. Klacht over ontbreken voorgehouden processen-verbaal van politie bij de stukken, stuit af op de omstandigheid dat niet is gebleken dat de raadsman een schriftelijk verzoek om aanvulling aan de rolraadsheer heeft gedaan (vgl. art. IV lid 3 Procesreglement Strafkamer HR 2008, Stcrt. 147). 2. Conservatoir beslag. Art. 94a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL2823 t.a.v. de aan te leggen maatstaf bij een beklag door een derde onder wie het beslag niet is gelegd die stelt eigenaar te zijn. Het oordeel van de Rb dat ondanks de overeenkomst van overdracht tussen de beslagene en klager en het feit dat beide personenauto’s op naam van klager zijn gesteld vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu bij de beantwoording van de vraag of degene die stelt eigenaar te zijn van onder een ander inbeslaggenomen voorwerpen redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen moet worden aangemerkt, niet doorslaggevend is dat die voorwerpen volgens een door klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan klager en in het kentekenregister t.n.v. klager zijn gesteld. Het oordeel is voorts gelet op de door de Rb vastgestelde f&o niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 3. De Rb behoefde niet te onderzoeken of de situatie van art. 94a.3 of 4 Sv zich voordeed, nu zij heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 181
NBSTRAF 2012/181 met annotatie van mr. P.C. Verloop
RvdW 2012/409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2012

Strafkamer

nr. S 11/02292 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Alkmaar van 28 september 2009, nummer RK 09/300, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. Mr. R-J. Boswijk, advocaat te Amsterdam, raadsman van de klager, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1. Het middel strekt ten betoge dat zich bij de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken niet bevinden de processen-verbaal van politie die blijkens de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer aldaar zijn voorgehouden.

2.2. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008).

In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman met betrekking tot de processen-verbaal een dergelijk verzoek heeft ingediend. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd.

3.2. De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen personenauto BMW, type M5, met kenteken [AA-00-BB], personenauto BMW, type M5, met kenteken [CC-00-DD], en motorfiets van het merk Suzuki, type GW71, ongegrond verklaard.

3.3. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

"2. De feiten

Met betrekking tot de feiten verwijst de rechtbank naar een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer 200900730 0930 2216, d.d. 30 juli 2009 opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], Korps Noord-Holland Noord, met bijlagen.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat op 29 juli 2009 onder [betrokkene 1] in conservatoir beslag zijn genomen (voor zover van belang):

- personenauto BMW, type M5, met kenteken [AA-00-BB] en chassisnummer [001].

- personenauto BMW, type M5, met kenteken [CC-00-DD] en chassisnummer [002].

- motorfiets van het merk Suzuki, type GW71, met kenteken [EE-00-FF] en chassisnummer [003].

Dit beslag is gegrond op de machtiging strafrechterlijk financieel onderzoek ex artikel 126 van het wetboek van Strafvordering, verleend door de Rechter-Commissaris d.d. 27 april 2009. Het beslag dient tot bewaring van het recht van verhaal van een aan [betrokkene 1] voornoemd op te leggen ontnemingsmaatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, thans geschat op € 2.211.860,00.

Bij de stukken bevindt zich een vordering strafrechtelijk financieel onderzoek, gedateerd 23 april 2009. Dit onderzoek betreft [betrokkene 1]. Het vermoeden bestaat dat deze persoon zich schuldig heeft gemaakt aan het telen dan wel aanwezig hebben van een verboden middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zijnde hennep, gepleegd in het pand [a-straat 1] Heerhugowaard in de periode van 31 oktober 2007 tot en met 24 maart 2009. Voorts wordt [betrokkene 1] verdacht van diefstal in hetzelfde pand en gedurende dezelfde periode.

Bij de stukken bevindt zich een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer 20090916 1130 2216, gedateerd l6 september 2009, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met bijlagen.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verdenking gerezen is dat [betrokkene 1] de eigendom van zijn vermogensbestanddelen tracht te verhullen en dat hij voorts tracht te voorkomen dat er (conservatoir) beslag op wordt gelegd.

Op maandag 29 juli 2009 is in het pand [b-straat 1] te Amstelveen binnengetreden en aldaar zijn ten laste van:

[betrokkene 1]

[geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]

[c-straat 1] te [woonplaats]

de volgende voertuigen conservatoir inbeslaggenomen:

- Motorfiets van het merk Yamaha, type RN22, voorzien van het kenteken [GG-00-HH] en voorzien van het chassisnummer [004];

- Motorfiets van het merk Suzuki, type GW71, voorzien van het kenteken [EE-00-FF] en voorzien van het chassisnummer [003];

- Personenauto van het merk BMW, type M5, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] en voorzien van chassisnummer [002];

- Personenauto van het merk BMW, type M5, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en voorzien van chassisnummer [001];

Deze inbeslagneming heeft plaatsgevonden in opdracht van de officier van justitie op basis van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek, verleend door de rechter-commissaris d.d. 27 april 2009.

Voorafgaande aan deze inbeslagname heeft op 6 juli 2009 een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] plaatsgevonden. Voorts is op voornoemde datum getracht [betrokkene 1] aan te houden, doch hij was niet aanwezig en is vervolgens in opdracht van de officier van justitie gesignaleerd.

Met betrekking tot het aantreffen en de tenaamstelling van de hiervoor genoemde voertuigen is door [verbalisant 2], inspecteur van politie, een proces-verbaal opgemaakt. Uit dit proces-verbaal blijkt kort en zakelijk weergegeven onder meer dat:

- tijdens de doorzoeking op 6 juli 2009 de op dat moment op naam van [betrokkene 1] staande voertuigen [AA-00-BB], [CC-00-DD], [II-00-JJ] en [EE-00-FF] niet aangetroffen zijn;

- na de doorzoeking van 6 juli 2009 het voertuig [EE-00-FF] onmiddellijk gesignaleerd is en de voertuigen [CC-00-DD] en [AA-00-BB] door een technische storing eerst op 9 juli 2009 omstreeks 13.00 uur;

- de voertuigen [CC-00-DD] en [AA-00-BB] op 9 juli 2009 (de rechtbank constateert: na de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] op 6 juli 2009) omstreeks 08.30 uur op naam van [klager 1], geboren op [geboortedatum] 1964 overgeschreven zijn;

- ten gevolge van de signalering deze overschrijving ten name van [betrokkene 1] van het voertuig [EE-00-FF] niet gelukt is;

- uit door AVL Systems verstrekte informatie kon blijken dat het voertuig [AA-00-BB] voor het laatst gesignaleerd werd op het adres [b-straat 1] te Amstelveen;

- laatst genoemd pand eigendom is van [klager 1];

- door [verbalisant 2] op 28 juli 2009 gezien is dat [betrokkene 1] en 3 andere personen zich bij het pand bevonden en vervolgens wegreden;

- [betrokkene 1] zich op 29 juli 2009 gemeld heeft bij de politie en vervolgens is aangehouden;

- hieruit het ernstige vermoeden ontstond dat een of meerdere voertuigen op het adres [b-straat 1] te Amstelveen zijn gestald met de bedoeling deze aan het beslag te onttrekken;

- op 29 juli 2009 in voornoemd pand is binnengetreden ter inbeslagneming en dat daarbij onder meer de voertuigen [EE-00-FF], [CC-00-DD] en [AA-00-BB] aangetroffen zijn;

- de sleutels van het pand na telefonisch overleg met [klager 1] door [betrokkene 2], de vriendin van [betrokkene 1] werden gebracht.

Naast het hiervoor gerelateerde is uit het onderzoek tot op heden nog het volgende gebleken:

De BMW voorzien van het kenteken [CC-00-DD] is op 22 januari 2009 door [betrokkene 1] gekocht voor een bedrag van € 15.000,00 en dit bedrag is door hem contant betaald aan [betrokkene 3].

De BMW voorzien van het kenteken [AA-00-BB] is op l april 2007 gekocht. De factuur van Garage [A] staat op naam van [betrokkene 1]. Een groot deel van het aankoopbedrag is vanaf een bankrekening van [B] B.V. betaald. Tussen de in de woning van [betrokkene 1] aangetroffen stukken zijn contante betalingen van de motorrijtuigenbelasting van dit voertuig aangetroffen. Voorts werden 2 facturen van AVL inzake het BMW Meldkamer- en GSM abonnement aangetroffen. Deze facturen zijn vanaf de girorekening [005] ten name van [betrokkene 1] betaald.

Uit informatie van het CJIB blijkt dat [betrokkene 1] verscheidene keren staande gehouden is, terwijl hij met voornoemde BMW [AA-00-BB] reed en bekeurd is.

(De rechtbank merkt op dat in de periode 11 juni 2009 - 8 augustus 2009 [betrokkene 1] in totaal 40 bekeuringen heeft ontvangen, waarvan een groot aantal betrekking heeft op de BMW met nummer [AA-00-BB]).

[Betrokkene 1] wordt er van verdacht dat hij deel uit maakt van een criminele organisatie, waar ook [betrokkene 4] en zijn echtgenote [betrokkene 5] deel van uitmaken. Uit informatie van het CJIB kan blijken dat zij op 17 en 29 maart 2008 gebruik gemaakt hebben van de BMW voorzien van het kenteken [AA-00-BB].

Voorts verwijst de rechtbank naar een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer 200909241615 2216, d.d. 24 september 2009 opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], Korps Noord-Holland Noord, met bijlagen.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat tijdens de doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] op 6 juli 2009 in een kluis een kopie van het proces-verbaal ten behoeve van de raadkamerzitting van een medeverdachte in het onderzoek Colorado genaamd [betrokkene 6] werd aangetroffen. In dit proces-verbaal is onder meer gerelateerd dat op 24 maart 2009 tijdens het ontmantelen van de hennepkwekerij op de [a-straat 1] te Heerhugowaard voertuigen inbeslaggenomen zijn. Voorts wordt in dit proces-verbaal gerelateerd dat in dit onderzoek [betrokkene 1] als verdachte wordt aangemerkt en nog aangehouden gaat worden. De aangetroffen kopie was voorzien van opmerkingen en markeringen. Uit het hiervoor gerelateerde rijst het ernstige vermoeden dat [betrokkene 1] kon weten dat hij aangehouden zou gaan worden. Voorts kon hij redelijkerwijs vermoeden dat er, gelet op het hiervoor gerelateerde en mede gelet op de aard van de door hem gepleegde misdrijven, conservatoir beslag op zijn vermogensbestanddelen gelegd zou gaan worden.

(...)

4. De beoordeling

(...)

Onder [betrokkene 1] zijn op 9 juli 2009 inbeslaggenomen de personenauto BMW, type M5, met kenteken [AA-00-BB] en chassisnummer [001], de personenauto BMW, type M5, met kenteken [CC-00-DD] en chassisnummer [002] en de motorfiets van het merk Suzuki, type GW71, met kenteken [EE-00-FF] en chassisnummer [003]. Dit beslag is gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [betrokkene 1] voornoemd en is verricht met toestemming van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Het beslag dient ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door [betrokkene 1] voornoemd welk voordeel, thans wordt geschat op € 2.211.860,00.

In de stukken bevinden zich een proces-verbaal met nummer 200900730 0930 2216, d.d. 30 juli 2009 opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], Korps Noord-Holland Noord, met bijlagen en een proces-verbaal met nummer 200909241615 2216, d.d. 24 september 2009 opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], Korps Noord-Holland Noord, met bijlagen.

Uit deze processen verbaal, in onderling verband bezien, rijst naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat een ander dan klager de eigenaar van genoemde inbeslaggenomen voorwerpen is.

Als het beklag tegen beslag op grond van artikel 94a van het wetboek van Strafvordering is gericht en door een derde/niet-beslagene is gedaan, zal het gegrond moeten worden verklaard als buiten redelijke twijfel staat dat die derde eigenaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, niet het geval. De rechtbank oordeelt dat ondanks de overeenkomst van overdracht van 2 juli 2009 tussen [betrokkene 1] en klager en het feit dat beide personenauto's daarna op de naam van klager zijn gesteld, vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat [klager 1] als eigenaar van de in beslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd.

Aan een toets aan het bepaalde in artikel 94a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt dan ook niet toegekomen.

Nog afgezien van het voorgaande toetst de rechtbank in een procedure als de onderhavige slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De rechtbank oordeelt dat in het onderhavige geval bij een marginale anticiperende toetsing het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de voorwerpen verbeurd zal verklaren, aan het verkeer zal onttrekken, een geldboete zal opleggen of wederechtelijk voordeel zal ontnemen.

Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard."

3.4. Ingeval een beslag is gelegd als bedoeld in art. 94a Sv en een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

3.5. Bij de beantwoording van de vraag of degene die stelt eigenaar te zijn van onder een ander inbeslaggenomen voorwerpen, zoals de onderhavige personenauto's en motorfiets, redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen moet worden aangemerkt, is niet doorslaggevend dat die voorwerpen volgens een door de klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan de klager en in het kentekenregister op de naam van de klager zijn gesteld. Het oordeel van de Rechtbank "dat ondanks de overeenkomst van overdracht van 2 juli 2009 tussen [betrokkene 1] en klager en het feit dat de beide personenauto's daarna op naam van klager zijn gesteld, vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat [de klager] als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd", geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd en is - gelet op de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden - niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 94a, derde lid, Sv.

4.2. Het middel faalt. Nu de Rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden aangemerkt, behoefde de Rechtbank niet te onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2012.