Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV3442

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/05244
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV3442
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BO5253, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bewijsklacht. 2. Strafmotivering. 3. Geen beslissing t.a.v. beslag; art. 353.1 Sv. 4. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. Het Hof heeft in de bewijsmiddelen als verklaring van verdachte o.m. de zinsnede opgenomen dat hij aanvankelijk rustig en daarna stampend van de trap is afgegaan om X af te schrikken. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het dat motief voor het stampen van verdachte niet aannemelijk acht. Weliswaar heeft het Hof ten onrechte dat op zichzelf niet redengevende onderdeel van de verklaring van verdachte onder de bewijsmiddelen opgenomen, maar zulks staat hier - gelet op de bewijsvoering als geheel - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg. De Hoge Raad herhaalt vervolgens nog toepasselijke overwegingen uit HR LJN BA5858. Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. Ad 2. Het Hof heeft in zijn strafmotivering kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de bij verdachte geconstateerde psychische problematiek voor een deel ten grondslag heeft kunnen liggen aan het plegen van het bewezenverklaarde handelen, maar dat die mogelijkheid in het onderhavige geval niet in de weg staat aan de toerekening van dat handelen aan verdachte. Dat met feitelijke waarderingen samenhangende oordeel is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich het vonnis van de Rechtbank inhoudende dat de Rechtbank t.a.v. een aantal voorwerpen op de beslaglijst de bewaring t.b.v. de rechthebbenden gelast en t.a.v. een voorwerp de onttrekking aan het verkeer beveelt. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353.1 Sv geen beslissing in ta.v. de inbeslaggenomen voorwerpen. Ad 4. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij (vgl. HR LJN BN2366). Het Hof heeft verzuimd in zijn arrest op te nemen dat het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt, in die zin dat verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en v.z.v hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 196
NBSTRAF 2012/196
RvdW 2012/469
NJ 2012/204
NJB 2012/842
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/05244

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 2010, nummer 22/004160-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Norgerhaven" te Veenhuizen.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu het Hof een deel van een verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl het Hof dat gedeelte onaannemelijk heeft geacht.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 2 juli 2008 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] met messen meermalen in het lichaam gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2010. Deze verklaring houdt volgens het bestreden arrest het volgende in:

"Ik ben op 2 juli 2008 naar de woning aan de [a-straat] gegaan. Ik heb aangebeld bij de buren op nummer [1] omdat ik via hun balkon naar het balkon van nummer [2] wilde klimmen. Eenmaal in de woning aan de [a-straat 2] kon ik niet via de voordeur naar buiten. Ik ben in slaap gevallen op de bank boven. Toen [slachtoffer] thuis kwam, werd ik wakker, pakte twee messen en ging bovenaan de trap staan luisteren. Ik had de twee messen in één hand. Ik denk dat ik daar zo'n tien minuten heb staan wachten. Het kan ook vijftien minuten hebben geduurd dat ik bovenaan de trap heb staan wachten. Het was in ieder geval een tijdje. Het was stil. Vervolgens ben ik met de messen in mijn linkerhand de trap af gegaan. Halverwege de trap zag ik dat de sleutels in de voordeur zaten. Ik ben aanvankelijk rustig de trap afgegaan en daarna stampend. Dit deed ik om [slachtoffer] af te schrikken. Ik stak [slachtoffer] één keer met de messen in zijn borst, daarna draaide hij zich om en toen stak ik hem nog een keer. De messen waarmee ik hem heb gestoken waren scherp. Ik stak met de messen schuin omhoog, dus richting zijn buik. Ik denk dat [slachtoffer] dacht dat ik hem achterna wilde komen. Dat kwam denk ik omdat ik de messen nog vast had. Ik heb de messen pas uit mijn hand laten vallen toen [slachtoffer] uit het raam geklommen was. [Slachtoffer] had alleen een onderbroek aan. Op het moment dat [slachtoffer] thuis kwam die avond heb ik geen stemmen van andere mensen gehoord."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2010 is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte naar de woning is gegaan om zijn spullen op te halen in de wetenschap dat het slachtoffer niet thuis was; eenmaal binnen bleek dat hij de woning niet kon verlaten omdat de deur op slot zat, reden waarom hij zich genoodzaakt zag daar te wachten; toen het slachtoffer thuiskwam bleef het "angstvallig stil" beneden waardoor de verdachte het idee kreeg mogelijk in de val gelokt te worden; uit angst heeft hij de messen gepakt en is naar beneden gelopen, waar hij door het slachtoffer met een spijkertrekker werd aangevallen en in een tijdsbestek van enkele seconden het slachtoffer tweemaal met de messen heeft gestoken. Volgens de raadsman is er geen sprake van voorbedachte raad en kan moord derhalve niet worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2010 stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is op 2 juli 2008 rond 21:00 uur naar de woning gegaan en via het balkon van de buren van nummer [1] binnengekomen. De verdachte heeft boven in de woning de komst van het slachtoffer afgewacht. Toen het slachtoffer thuis kwam, heeft de verdachte een tweetal messen gepakt en vervolgens minstens tien minuten boven aan de trap staan wachten. Daarna is hij met de twee messen in zijn linkerhand naar beneden gegaan; daar heeft een confrontatie met het slachtoffer plaatsgevonden, waarbij de verdachte het slachtoffer met die messen heeft gestoken.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer een aantal vrienden mee had genomen naar huis niet aannemelijk; dit alleen al aangezien de verdachte naar eigen zeggen na thuiskomst van het slachtoffer tenminste tien minuten heeft staan luisteren bovenaan de trap en gedurende al die tijd niets heeft gehoord. Gezien het nachtelijke tijdstip waarop het slachtoffer was thuisgekomen, gecombineerd met de stilte daarna, lag het veeleer voor de hand om aan te nemen dat het slachtoffer na thuiskomst naar bed was gegaan. Dat dit waarschijnlijk ook het geval is geweest, kan worden afgeleid uit het feit dat het slachtoffer later slechts in zijn onderbroek gekleed is aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard aanvankelijk rustig en vervolgens stampend de trap af te zijn gegaan, naar hij zegt om het slachtoffer af te schrikken. Het hof acht deze reden voor het stampen van de verdachte niet aannemelijk. Als de verdachte bang zou zijn geweest voor het slachtoffer zou het veeleer in de rede hebben gelegen dat hij zich zo stil mogelijk had gehouden om ongezien weg te kunnen komen via de voordeur. Hij had naar eigen zeggen bij het afdalen van de trap immers al gezien dat de sleutel inmiddels in het slot van de voordeur stak. Het stampen van de verdachte op de trap wijst er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte bewust de confrontatie heeft opgezocht met het slachtoffer.

Hoewel het hof het zeer wel mogelijk acht dat het slachtoffer door het stampen van de verdachte op de trap gealarmeerd is geraakt en wellicht op dat moment een spijkertrekker heeft gepakt om zich tegen een eventuele aanval van een voor hem onverwachte bezoeker te kunnen verweren, acht het hof het, gelet op het ontbreken van (ernstige) verwondingen anders dan enkele schaafwondjes aan de hand van de verdachte waarmee hij - alweer naar eigen zeggen - een slag van de spijkertrekker tegen zijn hoofd heeft afgeweerd, niet aannemelijk dat het slachtoffer de verdachte heeft geslagen met de spijkertrekker.

Ook het feit dat de verdachte ervoor heeft gekozen om niet eens te proberen de woning te verlaten via dezelfde weg als waarlangs hij gekomen was, wijst erop dat hij een confrontatie met het slachtoffer niet uit de weg is gegaan.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg en dat dit handelen niet is ingegeven door een ogenblikkelijke gemoedsbeweging door een onverhoedse aanval van de zijde van het slachtoffer. Tenminste vanaf het moment dat de verdachte met twee messen in de hand luidruchtig van de trap naar beneden liep, terwijl hij van daaruit de sleutel in het slot kon zien zitten en het latere slachtoffer zich toen niet in het halletje bij de voordeur bevond, moet dat voornemen bij hem aanwezig zijn geweest. Hierbij heeft het hof tevens acht geslagen op hetgeen de verdachte vlak na zijn aanhouding uit eigen beweging tegen de verbalisanten die transporteerden, heeft gezegd: "Ik hoop dat hij doodgaat!" en "Als hij niet dood is, [slachtoffer], dan kom ik na zeven jaar terug, dan pak ik hem opnieuw, dan vermoord ik hem alsnog" (zie het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2008, p.39). Hoewel uit deze uitlatingen alléén niet de voorbedachte raad kan worden afgeleid, passen zij eerder bij een zojuist ondernomen doelbewuste poging het slachtoffer om het leven te brengen dan bij het hebben gehandeld uit angst voor, dan wel ten verwere tegen, een aanval van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof is vast komen te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof acht alles in aanmerking genomen dan ook bewezen dat er bij de verdachte sprake was van opzet en voorbedachte raad om het slachtoffer van het leven te beroven."

2.3. Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen als verklaring van de verdachte onder meer de zinsnede opgenomen dat hij aanvankelijk rustig en daarna stampend van de trap is afgegaan om [slachtoffer] af te schrikken. In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het dat motief voor het stampen van de verdachte niet aannemelijk acht. Weliswaar heeft het Hof ten onrechte dat op zichzelf niet redengevende onderdeel van de verklaring van de verdachte onder de bewijsmiddelen opgenomen, maar zulks staat hier - gelet op de bewijsvoering als geheel - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg.

2.4. Het middel faalt derhalve.

2.5. Opmerking verdient nog het volgende. Wanneer de rechter zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008/80). Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel komt op tegen de motivering van de opgelegde straf.

4.2. Het Hof heeft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, gefrustreerd doordat zijn huisgenoot het slot van de woning had veranderd, heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn voormalige huisgenoot door deze 's nachts en in zijn woning met twee messen diepe steekwonden toe te brengen. Het slachtoffer is vervolgens op het balkon over het tussenschot naar het balkon van de buren geklommen, waar hij kort daarna is overleden.

Door zijn handelwijze heeft de verdachte het slachtoffer van zijn grootste rechtsgoed, het leven, beroofd. Dit is een zeer ernstig feit, waardoor de rechtsorde in ernstige mate is geschokt en aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed is aangedaan.

Ten nadele van de verdachte wordt meegewogen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2010, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Het hof heeft acht geslagen op een psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende de verdachte d.d. 29 juni 2010, waaruit naar voren komt dat de verdachte een zeer gecompliceerd persoonlijkheidsbeeld vertoont en dat er sprake is geweest van pedagogische en affectieve verwaarlozing. De verdachte kan zich door problemen volledig in beslag laten nemen en laat een gebrekkige 'coping' zien. Hij gaat impulsief te werk en er is sprake van een hoge mate van directe agressie. De verdachte heeft een borderline-stoornis met antisociale trekken en er is sprake van een alcoholafhankelijkheid.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar zal worden verklaard voor het tenlastegelegde, waarvoor het rapport van de psycholoog zijns inziens voldoende aanknopingspunten biedt.

Ook al onthoudt het psychologisch rapport zich van een conclusie omtrent een eventueel causaal verband tussen de bij de verdachte geconstateerde psychische problematiek en het plegen van het tenlastegelegde feit, toch neemt het hof aan dat zijn door de psycholoog beschreven psychische stoornis, onder meer tot uiting komend in de impulsieve wijze waarop problemen worden aangepakt, het gebrek aan remmingen over intense gevoelens van woede en een hoge mate van directe agressie, voor een deel ten grondslag heeft kunnen liggen aan het plegen van het bewezenverklaarde, maar het hof gaat niet zo ver dat dat moet leiden tot enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep uiteindelijk blijk van heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daad.

Het hof is - al het bovenstaande in aanmerking genomen - van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur zoals hierna vermeld."

4.3. Het Hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de bij de verdachte geconstateerde psychische problematiek voor een deel ten grondslag heeft kunnen liggen aan het plegen van het bewezenverklaarde handelen, maar dat die mogelijkheid in het onderhavige geval niet in de weg staat aan de toerekening van dat handelen aan de verdachte. Dat op feitelijke waarderingen steunende oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

5.2. Tot de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich het vonnis in de onderhavige zaak van de Rechtbank inhoudende dat de Rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden gelast ten aanzien van de voorwerpen welke als 5 tot en met 15 op de beslaglijst zijn genummerd en ten aanzien van het onder nummer 16 genoemde voorwerp de onttrekking aan het verkeer beveelt.

5.3. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing in ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen. Het middel klaagt hierover terecht.

6. Beoordeling van het vijfde middel

6.1. Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het gevorderde bedrag van € 5.267,37 (...) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij."

6.3. Voor zover het middel klaagt dat het Hof een ongeoorloofde beslissing heeft genomen door de verdachte te veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, faalt het. Geen rechtsregel verzet zich immers er tegen dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij (vgl. HR 2 november 2010, LJN BN2366).

6.4. Voor zover het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in zijn arrest op te nemen dat het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt, in die zin dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade, is het terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal daarom beslissen zoals hieronder is vermeld.

7. Beoordeling van het zesde middel

7.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

7.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren.

8. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen, alsmede wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze dertien jaren en tien maanden beloopt;

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag de verplichting tot betaling aan de Staat doet vervallen en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak wat betreft de beslissing inzake de inbeslaggenomen voorwerpen op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 20 maart 2012.