Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV2956

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/04391
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV2956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht m.b.t. doen van onjuiste aangifte omzetbelasting. De tot het bewijs gebezigde facturen hebben geen betrekking op de in de bewezenverklaring genoemde aangiftetijdvakken. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0824
RvdW 2012/476

Uitspraak

20 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/04391

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 2010, nummer 23/002236-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van feit 3 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het onder 3 bewezenverklaarde wat betreft het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over de aangiftetijdvakken oktober 1999, oktober 2000, oktober 2001 en april 2002 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"zij op tijdstippen in de periode van 24 november 1999 tot en met 19 juni 2002 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte ten name van fiscale eenheid [A] B.V. en [B] B.V. voor de omzetbelasting over de periode oktober 1999 tot en met december 1999 en de jaren 2000 en 2001 en de periode van januari 2002 tot en met mei 2002 (D16 t/m D/47), onder meer

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 1999 (D/16) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2000 (D/28) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak oktober 2001 (D/40) en

- de aangifte omzetbelasting betreffende aangiftetijdvak april 2002 (D/46), onjuist heeft gedaan,

immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Haarlem ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde perioden en jaren telkens bij vraag 5b "voorbelasting" een bedrag opgegeven dat (mede) was opgebouwd uit de op de facturen van [C] B.V. aan [D] in rekening gebrachte BTW, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de aanvulling op het verkorte arrest.

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

"De facturen van [C] B.V. (feit 3)

Aan de aangiften omzetbelasting over tijdvakken in de jaren 1999 tot en met 2002 hebben (mede) facturen ten grondslag gelegen die afkomstig waren van [C] B.V.. Uit onderzoek van de forensische account [betrokkene 1] alsook uit onderzoek van de FIOD-ECD volgt dat genoemd bedrijf helemaal niet heeft bestaan. Eén van de werknemers die al 20 jaar werkt in het bedrijf van [medeverdachte] heeft ook nooit gehoord van [C] B.V.. Als er daadwerkelijk leveringen zijn geweest moet hij dat zeker hebben geweten, aldus de getuige [getuige]. Naar het oordeel van het hof volgt dan ook uit de bewijsmiddelen dat de betreffende facturen vals zijn. Verder staat vast de facturen van dit niet bestaande bedrijf zijn gebruikt door de verdachte en haar medeverdachten voor het doen van de aangifte omzetbelasting. De verklaringen van de verdachte en haar medeverdachte acht het hof dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De onjuiste aangifte omzetbelasting (feit 3)

De verdachte wordt verweten valse aangiften omzetbelasting en vennootschapbelasting te hebben gedaan. Met betrekking tot feit 3 rustte op de fiscale eenheid [A] B.V., [B] B.V. de plicht aangifte te doen terzake van de omzetbelasting. De echtgenoot van de verdachte was blijkens het zich in het dossier bevindende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel directeur-grootaandeelhouder van [E] B.V. Onder deze Beheer B.V. vielen, blijkens het organigram zoals opgenomen op pagina 8 van het overzichtsproces-verbaal, [A] B.V. en [B] B.V.. De verdachte was binnen het bedrijf verantwoordelijk voor de bedrijfsadministratie en verzorgde feitelijk de aangiften. Naar het oordeel van het hof is de verdachte derhalve aan te merken als medepleger van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het strekkingsvereiste (feit 3)

Het onder feit 3 bewezenverklaarde feit had naar het oordeel van het hof de strekking dat te weinig belasting werd geheven. De in dit feit omschreven gedragingen zijn, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van dit feit voldaan."

2.3. De tot bewijs gebezigde facturen van [C] BV aan [D] BV (bewijsmiddelen 18-21) hebben geen betrekking op de in de bewezenverklaring genoemde aangiftetijdvakken. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook niet toereikend gemotiveerd.

2.4. In zoverre slaagt het middel.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 maart 2012.