Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV2861

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/00608
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV2861
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 187
NBSTRAF 2012/187
RvdW 2012/481

Uitspraak

20 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/00608

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 januari 2010, nummer 20/000416-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij omstreeks 21 april 2007 te Tilburg opzettelijk een horloge (merk: Audemars Piguet, type: Royal OAK Offshore, nr: [001], toebehorende aan [betrokkene 1], welk goed zij anders dan door misdrijf, te weten als onderpand, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte d.d. 23 april 2007, proces-verbaalnummer PL204F/07-112157, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, dossierpagina 19, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 21 april 2007 heb ik in het huis van mijn ouders aan de [a-straat] in Tilburg bezoek gehad van een escortdame. Omstreeks 01.30 uur ging de dame naar huis en moest ik een bedrag van 190 euro betalen. Ik dacht dat ik dit bedrag in huis had liggen maar dit was niet het geval. De dame vroeg om mijn horloge als borg. Ik heb mijn horloge als borg aan haar meegegeven na overleg met het escortbureau. Dit is een horloge van 25.000 euro, inclusief de doos. Het escortbureau ging akkoord met de borg en ik had de afspraak gemaakt dat ik zondag 22 april de 190 euro zou komen betalen.

Op 22 april 2007 heb ik telefonisch contact gehad met het escortbureau. De mevrouw die ik aan de telefoon had was van alles op de hoogte. Ze vertelde mij dat ik hen 190 euro schuldig was en dat ze zuinig op het horloge waren. Door deze dame werd mij verteld dat ik omstreeks 19.00 uur terug moest bellen omdat de chauffeur en escortdame nog lagen te slapen.

Op 22 april 2007 om 18.30 uur heb ik het escortbureau terug gebeld en hoorde ik dat het gehele bedrag van 190 euro al door mij was betaald. Het was bij het escortbureau niet bekend dat ik mijn horloge als borg had gegeven. Ik vind dit heel raar want de escortdame heeft vanuit de woning van mijn ouders het bureau gebeld en zij gingen hiermee akkoord. Het escortbureau vertelde mij toen dat ze er niets vanaf wisten en dat het meisje wel voor het bureau werkt maar zelfstandig.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor d.d. 30 april 2007, proces-verbaalnummer PL204F/07-112157, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, dossierpagina 26, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben als escort werkzaam voor het Escort buro [A]. In de nacht van zaterdag op zondag ben ik als escort gebracht naar een adres op de [a-straat]. De klant had mij naar het adres van zijn ouders laten komen, die met vakantie waren. Ik ben daar naar toegebracht door mijn chauffeur. Dat is mijn man. Die wachtte voor de deur in de auto.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2008, proces-verbaalnummer PL204F/07-112157, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], surveillant van politie, en [verbalisant 4], hoofdagent van politie, dossierpagina 8, voor zover hier van belang inhoudende als relaas van eigen waarneming en/of bevindingen van desbetreffende verbalisanten:

Op 17 maart 2008 deden wij, verbalisanten [verbalisant 3 en 4], dienst in de opvangeenheid Eindhoven. Op voornoemde datum werd aan ons de verdachte met de volgende personalia overgedragen:

Naam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornamen verdachte]

Geboren op/te: [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats]

Na controle in de registers van de regiopolitie Brabant Midden-West bleek dat [verdachte] verdacht werd van een verduistering gepleegd op de [a-straat 1] te Tilburg. De aangever [betrokkene 1] had aangifte gedaan van verduistering van een horloge. In de aangifte stonden de volgende specifieke kenmerken van het verduisterde horloge vermeld:

Benadeelde: [betrokkene 1]

Soort: horloge

Hoeveelheid: 1 stuks

Kleur: goud

Bijzonderheid: Merk Audemars Piguet, type Royal Oak Offshore nr. [...]

Kort nadat verdachte [verdachte] was aangehouden verscheen aan het hoofdbureau van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost een man welke opgaf te zijn:

Naam: [achternaam betrokkene 2]

Voornamen: [voornamen betrokkene 2]

Geboren op/te: [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats]

[Betrokkene 2] verklaarde de man van [verdachte] te zijn. Op dat moment zagen wij, verbalisanten [verbalisant 3 en 4], dat [betrokkene 2] aan zijn linkerpols een groot gouden horloge droeg. Wij vroegen of wij dat mochten zien en hoorden dat hij het geen probleem vond om dat ons te tonen. Wij zagen dat het een horloge was van het merk Audemars Piguet, type Royal Oak met het No. [001]. Wij zagen dat het horloge voorzien was van het volgende nummer: [001].

Door ons werden foto's van het horloge gemaakt.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor d.d. 20 april 2008, proces-verbaalnummer PL204F/07-112157, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, dossierpagina 24, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1]:

Ik begrijp van u dat u iets wilt weten met betrekking tot het ontvreemde horloge van het merk Audemars Piquet waarvan ik vorig jaar in april aangifte heb gedaan. U zegt me dat een soortgelijk horloge is aangetroffen en dat het ingeslagen nummer afwijkt van mijn aangifte.

Ik kan u zeggen dat ik het garantiecertificaat van dat horloge nog heb. Verder kan ik u ook zeggen dat ik vorig jaar, bij het doen van mijn aangifte, niet precies wist welk nummer in het horloge ingeslagen stond. Ik heb toen een willekeurig nummer van 3 cijfers opgegeven en ik denk niet dat dat het juiste nummer was. Ik weet zeker dat het nummer in het horloge dat bij mij ontvreemd werd, gelijk is aan het nummer dat vermeld stond op het garantiecertificaat. Ik zal u een afschrift van dat certificaat doen toekomen.

5. Het in aanhef dezes genoemde proces-verbaal, pagina 6, inhoudende als relaas van eigen waarneming en/of bevindingen van de verbalisant:

Door aangever werd een copie van het garantiecertificaat afgegeven. Die copie is bij dit dossier gevoegd. Ik zag dat op dit certificaat de nummers [nummers] vermeld stonden.

Aan [betrokkene 3], juwelier te Eindhoven, werden foto's van het betreffende horloge getoond alsmede een copie van het door aangever ter beschikking gestelde certificaat.

6. Het schriftelijk stuk met de aanhef 'Certificat d'Origine et de Garantie' weergegeven op dossierpagina 25, onder meer inhoudend:

Référence [002]

No. de boite [001].

7. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor d.d. 10 juli 2008, proces-verbaalnummer PL204F/07-112157, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, dossierpagina 33, voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Ik ben eigenaar van een juwelierszaak in Eindhoven. U toont mij foto's van een horloge en een kopie van een certificaat. Ik kan u zeggen dat het serienummer op het certificaat in combinatie met het referentienummer uniek is. Het referentienummer is: [002]. Het serienummer is: [001]. Dit serienummer in combinatie met dat referentienummer is uniek. Er bestaat dus maar 1 origineel horloge met deze combinatie nummers.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 7 januari 2010, voor zover dat inhoudt als verklaring van de verdachte:

Het klopt dat ik als escortdame in de nacht van 21 op 22 april 2007 in Tilburg een bezoek heb gebracht aan [betrokkene 1]."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat verdachtes echtgenoot [betrokkene 2] op 17 maart 2008 het horloge droeg waarover aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij dat (elf maanden tevoren) als onderpand aan verdachte had gegeven en dat hij niet had teruggekregen.

Het hof trekt daaruit -zijnde bij het onderzoek ter terechtzitting een andere wijze, waarop [betrokkene 2] dat horloge zou hebben verworven dan dat de verdachte hem dat op enig moment ter hand heeft gesteld, niet door argumenten geschraagd gesteld noch anderszins aannemelijk geworden- het gevolg dat verdachte het horloge heeft verduisterd. Dat zij dat omstreeks 21 april 2007 heeft gedaan leidt het hof af uit de uit bewijsmiddel 1 blijkende gang van zaken."

2.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden, samengevat weergegeven, het volgende in. De verdachte, die zelfstandig werkt voor een escortbureau, heeft diensten verleend aan [betrokkene 1], waarvoor deze op 21 april 2007 aan haar het verschuldigde bedrag diende te voldoen. [Betrokkene 1] heeft dit bedrag toen niet voldaan, maar op verzoek van de verdachte zijn horloge aan haar in onderpand gegeven en daarbij afgesproken dat hij het verschuldigde bedrag op 22 april 2007 zou betalen. Op die dag heeft [betrokkene 1] het escortbureau opgebeld. Toen hoorde hij dat het gehele bedrag van 190 euro al door hem betaald was en dat het escortbureau niet bekend was met een horloge als onderpand. Het horloge van [betrokkene 1] is nadien aangetroffen bij de echtgenoot van de verdachte, die op 21 april 2007 als chauffeur de verdachte naar het huis had gereden waar zij [betrokkene 1] heeft ontmoet en die voor de deur van dat huis op de verdachte is blijven wachten. Het Hof heeft voorts - niet onbegrijpelijk - in aanmerking genomen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de echtgenoot het horloge op een andere wijze heeft verworven dan doordat de verdachte het hem ter hand heeft gesteld.

Door onder deze omstandigheden bewezen te achten dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering omstreeks 21 april 2007, heeft het Hof de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt, behoefde de omstandigheid dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] de verdachte eerst heeft aangemaand of gesommeerd het horloge aan hem terug te geven het Hof niet ervan te weerhouden bewezen te achten dat de verdachte omstreeks 21 april 2007 als heer en meester over het horloge heeft beschikt.

2.4. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 95 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 47 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit Arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster , en uitgesproken op 20 maart 2012.