Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV0637

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
11/01886
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV0637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beëindiging overeenkomst van opdracht; wie is wederpartij? Onvoldoende gesteld voor toelating bewijsaanbod.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/113
RvdW 2012/458
NJB 2012/834
JAR 2012/113
JWB 2012/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 maart 2012

Eerste Kamer

11/01886

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.K. van der Brugge,

t e g e n

TMG DISTRIBUTIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en TMG.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak CV 09-8900 van de kantonrechter te Amsterdam van 17 september 2009;

b. het arrest in de zaak 200.052.974/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 december 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

TMG heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugverwijzing ter fine van het alsnog horen van getuigen.

De advocaat van TMG heeft bij brief van 20 januari 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] heeft zich op 31 augustus 2005 bij schriftelijke overeenkomst met als opschrift "Overeenkomst Freelance Organisatie" verbonden om met ingang van 1 september 2005 de zondagkrant van De Telegraaf in de gemeente Vaals te bezorgen. In deze overeenkomst is onder "Gegevens opdrachtgever" (sub 2) de naam [betrokkene 1] vermeld. Voorts is daarop onder "Handtekening" (sub 6) bij "Opdrachtgever" een handtekening geplaatst die leest "[betrokkene 1]". Onderaan het formulier (sub 7) is de volgende tekst opgenomen: "Door ondertekening van dit document verklaart de opdrachtnemer alle gegevens naar waarheid te hebben ingevuld, geldige documenten te hebben overgelegd en akkoord te gaan met de Algemene Voorwaarden en de bijlagen verstrekt door de opdrachtgever."

(ii) [Betrokkene 1] was ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst depothouder van TMG (toen genaamd DistriQ), een transport- en distributiebedrijf dat voor een aantal uitgevers van dagbladen de landelijke distributie verzorgt.

(iii) Blijkens door [eiser] overgelegde bankafschriften uit het jaar 2007 werd de betaling van de voor de bezorging van De Telegraaf verschuldigde vierwekelijkse vergoeding over de periode 1 - 10 van 2007 overgemaakt op een door [eiser] bij de Postbank aangehouden girorekening onder de vermelding "KN: (...) DistriQ BV/De Telegraaf vergoeding relatienr [001] (...)".

De betalingen zijn verricht door het (aan TMG gelieerde) Administratiekantoor 't Gooi met hetzelfde sofinummer als TMG.

(iv) Eind 2005 heeft TMG aan onder meer [eiser] een "Unieke aanbieding voor bezorgers en overige freelancers" doen toekomen betreffende het afsluiten van een collectieve zorgverzekering voor bezorgers.

(v) [Betrokkene 1] is op enig moment als depothouder opgevolgd, respectievelijk de bedrijfsmatige activiteiten van [betrokkene 1] zijn overgenomen, door [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

(vi) Bij brief van 24 september 2007 heeft laatstgenoemde aan [eiser] meegedeeld dat een in die brief beschreven handelwijze haar vertrouwen in de bereidheid van [eiser] om voor een correcte bezorging van De Telegraaf op Zondag zorg te dragen ernstig had geschaad en dat zij iemand anders voor de bezorgwijken Vaals 1 en Vaals 2 zou gaan inzetten.

3.2 [Eiser] vordert in dit geding, kort gezegd, (door)betaling van de hem ingevolge de overeenkomst toekomende vergoeding, alsmede betaling van een bedrag dat gemoeid is geweest met de aanschaf van een nieuwe bril, nadat hij (in 2001) bij het bezorgen van de krant ten val was gekomen. [Eiser] legt aan de eerste vordering ten grondslag dat TMG zijn contractuele wederpartij is en dat er geen grond bestond de overeenkomst te beëindigen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat niet TMG maar de hiervoor in 3.1 onder (i) bedoelde [betrokkene 1] als opdrachtgever van [eiser] moet worden aangemerkt.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het oordeelde dat [eiser] begrepen moet hebben dat niet TMG maar de depothouder zijn wederpartij was, waartoe het redengevend achtte dat [eiser] niet betwist dat TMG bij de verspreiding van kranten gebruik maakt van de diensten van locale distributeurs (depothouders) met wie zij een contractuele relatie heeft en dat die depothouders bezorgers inzetten, alsmede dat vaststaat dat in de door [eiser] ondertekende akte als contractspartij niet TMG maar een opdrachtgever met een districts- rayon- en depotnummer is vermeld en dat [eiser] die akte teruggekregen heeft met daarin opgenomen [betrokkene 1] als opdrachtgever en ondertekenaar. Daaraan doet niet af, dat het bij de in het contract vermelde algemene voorwaarden om door TMG opgestelde voorwaarden ging, aldus het hof. (rov. 4.4.1).

Voorts heeft het hof geoordeeld dat [eiser] niet heeft bestreden dat het [betrokkene 1] is geweest die hem aanwijzingen voor zijn werk heeft gegeven en dat daaraan niet afdoet dat [eiser] betalingen heeft ontvangen van de hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde instantie met de aldaar vermelde referentie. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat TMG aan [eiser] een collectieve zorgverzekering heeft aangeboden en hem een bezorgershandleiding van DistriQ zou zijn ter hand gesteld (rov. 4.4.2). Op grond van het vorenstaande heeft het hof geoordeeld dat [eiser] zijn standpunt dat een contractuele relatie tot stand is gekomen tussen hem en TMG onvoldoende feitelijk heeft toegelicht in het licht van het daartegen door TMG gevoerde verweer (rov. 4.5). In rov. 4.6 heeft het hof het bewijsaanbod gepasseerd dat [eiser] bij memorie van grieven heeft gedaan om [betrokkene 4] en [betrokkene 1] als getuigen te horen over de in die memorie (op pag. 5 onder a) beschreven gang van zaken. Het overwoog daartoe:

"De inhoud van de door [eiser] ter staving van zijn betoog overgelegde, niet ondertekende verklaring d.d. 27 september 2009 (productie 2 bij memorie van grieven) legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal reeds omdat [betrokkene 1], wiens naam onder de verklaring is geplaatst, in een wel door hem ondertekende verklaring (productie 1 bij memorie van antwoord) betwist dat de bewuste 'brief' van 27 september 2009 van hem afkomstig is en voorts uit die 'brief' ook niet duidelijk op te maken valt dat [eiser] niet met de depothouder van TMG doch met TMG zelf een contractuele relatie is aangegaan (vgl. gedeeltelijk doorgestreepte eerste volzin). Het hof ziet gelet op dit een ander geen aanleiding om op het bewijsaanbod van [eiser] ter zake in te gaan en zal dit mitsdien passeren.

[Eiser] heeft voorts nog gewezen op de inhoud van een door hem bij memorie van grieven als productie 3 overgelegde brief van [betrokkene 2] aan hem van 15 september 2006, waaruit zijn inziens zou volgen dat [betrokkene 3] niet de mening is toegedaan dat zij een contractuele relatie heeft gehad met [eiser]. Dit valt echter in die brief niet te lezen en valt voorts niet te rijmen met de inhoud van de brief van [betrokkene 3] aan de advocaat van [eiser] van 13 februari 2007 (productie 6 bij conclusie van antwoord) waarin zij zich bereid verklaart om met [eiser] een regeling te treffen. Het hof ziet in het licht hiervan evenmin aanleiding om in te gaan op het aanbod van [eiser] om [betrokkene 2] als getuige te doen horen."

Het hof heeft de afwijzing van de schadevordering ter zake van de bril bekrachtigd op de grond dat [eiser] daarop in de memorie van grieven niet is ingegaan en hij zijn standpunt dat TMG voor die schade aansprakelijk is, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd (rov. 4.7).

3.3.1 Middel I klaagt in negen onderdelen dat het hof (in rov. 4.4.1-4.6) ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd, met passering van zijn bewijsaanbod, de stelling van [eiser] heeft verworpen dat tussen hem en TMG een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.

De onderdelen 1-7 bevatten geen klachten.

Onderdeel 1 verwijst naar de in hoger beroep door [eiser] ingenomen stellingen (a) dat hij een arbeidsovereenkomst met TMG heeft gehad en nog heeft,

(b) dat hij nooit erkend heeft in dienst te zijn geweest van [betrokkene 3], noch dat zij de overeenkomst heeft beëindigd, (c) dat hij geen overeenkomst met [betrokkene 1] heeft gesloten, maar van [betrokkene 4] een blanco overeenkomst heeft ontvangen, die hij later terugkreeg met daarin de naam van [betrokkene 1] ingevuld, (d) dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat [eiser] nimmer bij hem in dienst is geweest maar dat de overeenkomst is gesloten met [betrokkene 4] namens TMG en (e) dat uit de brief van 15 september 2006 van [betrokkene 2] namens zijn echtgenote en DistriQ blijkt dat TMG contracten sluit en niet [betrokkene 1] en dat sprake was van een duidelijke gezagsverhouding tussen DistriQ/TMG en [eiser]. De onderdelen 2-7 bevatten een weergave van het verdere debat in hoger beroep. Onderdeel 8 klaagt, onder verwijzing naar de stellingen, vermeld in onderdeel 1 en hetgeen in de onderdelen 2-7 is weergegeven, dat het hof onjuist, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het [eiser] zonder meer duidelijk moet zijn geworden dat niet TMG maar de regionale depothouder als zijn opdrachtgever beschouwd moest worden en dat gelet op al het overige dat in rov. 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen, [eiser] zijn standpunt onvoldoende feitelijk heeft toegelicht. Onderdeel 9 bestrijdt de beslissing van het hof (rov. 4.6) het bewijsaanbod van [eiser] te passeren. Het voert daartoe aan dat de voorgedragen getuigen ([betrokkene 4], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) de juistheid kunnen bevestigen van de stellingname van [eiser] en betoogt dat de door het hof genoemde gronden om het bewijsaanbod te passeren nu juist de noodzaak van een getuigenverhoor bevestigen.

3.3.2 Deze klachten falen. Het hof heeft, zonder miskenning van enige rechtsregel en niet onbegrijpelijk, kunnen oordelen dat in het licht van hetgeen in rov. 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen, waarbij ook enkele stellingen van [eiser] zijn verworpen - een en ander als weergegeven hiervoor in 3.2 - van [eiser] mocht worden verwacht dat hij, wilde hij worden toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen, met betrekking tot de gang van zaken rond de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst meer zou stellen dan hij heeft gedaan, ook indien daarbij betrokken wordt hetgeen hij in de memorie van grieven op blz. 5 onder (a) achter de vier gedachtestreepjes heeft aangevoerd, nu het hof daaromtrent - in cassatie als zodanig onbestreden - heeft overwogen dat daaruit op zichzelf niet volgt dat [eiser] TMG als zijn contractspartij mocht beschouwen. Het hof heeft derhalve geoordeeld en kunnen oordelen dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten, waaraan hetgeen in onderdeel 9 is aangevoerd niet kan afdoen.

3.4 De in middel II aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van TMG begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 maart 2012.