Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU9925

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
11/00992
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU9925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Cassatie; Wet griffierechten burgerlijke zaken. Verzet op de voet van art. 29 lid 1 Wgbz tegen door griffier op basis van art. 10 lid 2 Wgbz in rekening gebrachte griffierecht. Ook onder werking Wgbz moet voor het vaststellen van griffierecht in onteigeningszaken in cassatie worden aangesloten bij het griffierecht dat geldt voor zaken met betrekking tot vorderingen van onbepaalde waarde (vgl. wetsvoorstel Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/472
RvdW 2012/537
NJ 2012/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2012

Eerste Kamer

11/00992

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink,

beiden advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

OPPOSANTEN op de voet van art. 29 lid 1 Wet

griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) tegen een beslissing van de griffier van de Hoge Raad, mede optredend namens de gemeente Apeldoorn.

1. De feiten

[A] B.V., [betrokkene 1], [B] B.V. en [C] B.V. (hierna gezamenlijk: [A] c.s.) hebben bij dagvaarding van 6 december 2010, ingeschreven onder rolnummer 10/05512, beroep in cassatie ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 26 november 2008 (tussenvonnis) en 13 oktober 2010 (eindvonnis) uitgesproken vonnissen in de procedure tussen [A] c.s. en de gemeente Apeldoorn. Die procedure betreft een onteigeningsprocedure waarin de rechtbank bij eindvonnis van 13 oktober 2010 de door de gemeente aan [A] c.s. verschuldigde schadeloosstelling heeft vastgesteld op in totaal € 1.630.642,58 en de gemeente heeft veroordeeld tot betaling van € 101.190,58, vermeerderd met de wettelijke rente.

Mr. Scheltema en mr. Wiegerink (hierna: opposanten) hebben zich ter rolle van 7 januari 2011 voor de gemeente gesteld.

De hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht is door de (waarnemend) griffier van de Hoge Raad bepaald op € 5.815,--.

Tegen de beslissing van de (waarnemend) griffier zijn de opposanten op 25 februari 2011 in verzet gekomen bij verzoekschrift als bedoeld in art. 29 lid 1 Wgbz.

De (waarnemend) griffier van de Hoge Raad heeft op 23 maart 2011 een verweerschrift ingediend en verzocht het verzet ongegrond te verklaren.

Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot gegrondverklaring van het verzet en tot vaststelling van het in cassatie verschuldigde griffierecht op het bedrag van € 710,--.

2. Beoordeling van het verzet

2.1 In deze onteigeningszaak heeft de (waarnemend) griffier wegens in cassatie verschuldigd griffierecht een bedrag van € 5.815,-- in rekening gebracht, zulks op basis van art. 10 lid 2 Wgbz, dat inhoudt dat in zaken waarin een vordering tot onteigening wordt gedaan, de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de som die in de dagvaarding als schadeloosstelling wordt aangeboden.

2.2 Opposanten stellen zich op het standpunt dat het griffierecht had moeten worden bepaald op € 710,-- op de grond dat onteigeningszaken in cassatie moeten worden aangemerkt als zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde.

2.3 Ingevolge het tot 31 oktober 2010 geldende art. 2 lid 2, onder f, Wet tarieven burgerlijke zaken (Wtbz) was de hoogte van het griffierecht in onteigeningszaken in eerste aanleg gerelateerd aan het bedrag van de aangeboden schadeloosstelling. Voor het griffierecht in onteigeningszaken in cassatie ontbrak echter in de Wtbz een specifieke regeling, zodat in cassatie griffierecht werd geheven zoals dat gold voor zaken met betrekking tot vorderingen van onbepaalde waarde (vgl. HR 27 april 2007, LJN AZ8747, NJ 2007/260).

Nu de wetgever bij de invoering van de Wgbz blijkbaar niet heeft beoogd wijziging te brengen in de maatstaf voor de vaststelling van het griffierecht in onteigeningszaken, moet ervan worden uitgegaan dat ook onder de werking van de Wgbz voor het vaststellen van het griffierecht in onteigeningszaken in cassatie moet worden aangesloten bij het griffierecht dat geldt voor zaken met betrekking tot vorderingen van onbepaalde waarde, zodat in het onderhavige geval een griffierecht van € 710,-- verschuldigd is. Het verzet is dus gegrond.

Opmerking verdient dat op 2 december 2011 bij de Tweede Kamer is ingediend het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken). In dit wetsvoorstel is onder meer opgenomen dat aan het hiervoor in 2.1 genoemde art. 10 lid 2 Wgbz een zin wordt toegevoegd, inhoudende dat in onteigeningszaken in cassatie griffierecht wordt geheven ter hoogte van de vordering van onbepaalde waarde op basis van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 108, nr. 2, blz. 2-3).

3. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het verzet gegrond;

stelt het door de gemeente Apeldoorn voor de cassatieprocedure met rolnr. 10/05512 verschuldigde griffierecht op het bedrag van € 710,--.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.D.H. Asser, M.A. Loth en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel op 10 februari 2012.