Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU9884

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11/01906
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU9884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vaststelling Nederlanderschap; art. 4 lid 1 (oud) en 17 RWN. Foutieve buitenlandse geboorteakte; (on)geldigheid naar Dominicaans recht. Bezit van staat overeenkomstig art. 1:209 BW. Eis van duurzaamheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20120093 met annotatie van G.-R. de de
NJB 2012/719
RvdW 2012/386
NJ 2012/291 met annotatie van S.F.M. Wortmann
Module Nationaliteitsrecht 2013/802
JWB 2012/133

Uitspraak

9 maart 2012

Eerste Kamer

11/01906

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.H. Samama.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en verweerster.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak 319089/HA RK 08-914 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2009, 1 april 2010, 15 juli 2010 en 20 januari 2011;

De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van de rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Verweerster heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 20 januari 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In deze zaak, betreffende een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in verbinding met art. 4 lid 1 (oud) van die wet, luidende: "Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend.", kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 2 november 1982 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de geboorte van [verweerster] (hierna: verweerster) aangegeven bij de burgerlijke stand te Galvan, Dominicaanse Republiek. Naar aanleiding van deze aangifte is een geboorteakte opgesteld waarin is opgenomen dat verweerster, in deze akte aangeduid als "[naam]", is geboren op 22 oktober 1982 als kind van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

(ii) In 1995 is een akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Galvan, waarin is opgenomen dat [betrokkene 3] voor deze ambtenaar als getuige is verschenen en heeft verklaard dat [betrokkene 4] de biologische moeder is van verweerster. Verder heeft [betrokkene 3] verklaard dat verweerster op 22 januari 1982 is geboren in Galvan en dat haar de naam "[naam]" is gegeven. Laatstgenoemde datum is de juiste geboortedatum van verweerster.

(iii) [Betrokkene 4], die de Dominicaanse nationaliteit heeft, is op 7 april 1997 in de Dominicaanse Republiek gehuwd met de Nederlander [betrokkene 5].

(iv) Op 11 april 1997 is in de Dominicaanse Republiek een nieuwe geboorteakte van verweerster opgemaakt, waarin [betrokkene 5] heeft verklaard dat verweerster de dochter is van hem en [betrokkene 4]. Naar Dominicaans recht kan slechts de biologische vader een kind erkennen. [Betrokkene 5] is niet de biologische vader van verweerster.

(v) In februari 1998 heeft verweerster zich samen met [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in Nederland gevestigd. Het huwelijk tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] is op 6 februari 2008 door echtscheiding ontbonden.

(vi) DNA-onderzoek heeft bevestigd dat [betrokkene 4] de biologische moeder is van verweerster.

3.2 Verweerster heeft zich tot de rechtbank gewend met het verzoek vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft dienover-eenkomstig beslist. Daartoe heeft zij, samengevat, het volgende overwogen. De hierna te noemen nummers van de rechtsoverwegingen zijn die van de eindbeschikking, tenzij anders vermeld.

Uit het door verweerster overgelegde DNA-onderzoek volgt dat [betrokkene 4] haar biologische moeder is.

De geboorteakte uit 1982 vermeldt ten onrechte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als de biologische ouders. Zij zijn een tante onderscheidenlijk oom van verweerster en daarmee familieleden die volgens de Dominicaanse wet niet bevoegd zijn aangifte te doen van haar geboorte. Die geboorteakte is onjuist en in strijd met de Dominicaanse wet (rov. 1.2, 1.3 en 1.5 van de tussenbeschikking van 1 april 2010 alsmede rov. 2.1). Dat de akte inhoudelijk evident onjuist is, wordt door de Staat niet langer weersproken. Het is dan onnodig formalistisch om, op de grond dat geen rectificatie heeft plaatsgevonden door een Dominicaanse rechter, toch uit te gaan van de juistheid van die akte. Om dezelfde reden kan de Staat niet staande houden dat verweerster reeds een juridische vader heeft, te weten de in de akte genoemde [betrokkene 2], die haar zou hebben erkend (rov. 2.2). De op 11 april 1997 opgemaakte nieuwe geboorteakte strekte mede tot erkenning van verweerster door [betrokkene 5]. Die erkenning is met toestemming van zowel [betrokkene 4] als verweerster geschied (rov. 2.3). De toestemming is echter niet schriftelijk vastgelegd, zodat - formeel gezien - naar Nederlands recht geen sprake is van erkenning. In de tussenbeschikking van 1 april 2010 is uiteengezet onder welke omstandigheden verweerster zowel naar Dominicaans als naar Nederlands recht een beroep op "bezit van staat" (van erkend kind) toekomt. Bezit van staat (art. 1:209 BW) doet zich voor indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij of zij in een bepaalde familiebetrekking staat ten opzichte van een ander (rov. 2.4). Verweerster heeft vanaf haar vijftiende levensjaar de achternaam [achternaam van betrokkene 5] gedragen. [Betrokkene 5] heeft haar als zijn kind behandeld, in haar onderhoud voorzien en haar opgevoed. In de Nederlandse maatschappij wordt zij gezien als zijn kind. Dit volgt uit de kopie van het inburgeringsdiploma, alsmede uit de bank- en verzekeringspasjes die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft getoond. Daarop staat als haar achternaam "[achternaam van betrokkene 5]". Ook de familie van [betrokkene 5] heeft haar steeds als diens dochter gezien (rov. 2.5). Gelet op de in rov. 2.5 genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerster vanaf een moment dat gelegen is ruim voor haar meerderjarig worden - de rechtbank bepaalt dat moment op 11 april 1999, twee jaar na de akte van 11 april 1997 - de staat bezit van erkend kind van [betrokkene 5]. Dat die akte niet is opgemaakt in Nederland doet aan een beroep op bezit van staat niet af, waarbij de rechtbank verwijst naar HR 5 september 2007, LJN BD2711, NJ 2008/477. De familierechtelijke status van verweerster staat vanaf 11 april 1999 gelijk met die van een (door [betrokkene 5]) erkend kind, zodat zij sindsdien de Nederlandse nationaliteit heeft op grond van art. 4 lid 1 (oud) RWN.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Verweerster heeft gesteld dat over het geschilpunt inzake art. 1:209 BW (bezit van staat) eerst in hoger beroep door het hof had moeten worden beslist en dat pas daarna de Hoge Raad zich daarover zou kunnen uitlaten.

Dit niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1.

5. Beoordeling van het middel

5.1.1 Klacht 1, waarvan de onderdelen 1.1 - 1.4 een inleiding behelzen, bestrijdt vanuit min of meer verschillende gezichtshoeken het oordeel van de rechtbank dat erop neerkomt dat aan de geboorteakte van 1982 geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag wie als de ouders van verweerster hebben - en met name als haar vader heeft - te gelden, nu die akte niet rechtsgeldig (rov. 1.5 tussenbeschikking van 1 april 2010) en inhoudelijk evident onjuist (rov. 2.2) is, en desondanks vasthouden daaraan op de grond dat de akte nimmer door een Dominicaanse rechter is gerectificeerd, van onnodig formalisme getuigt (rov. 2.2).

5.1.2 De onderdelen 1.5 en 1.7 kunnen gezamenlijk worden behandeld. Zij klagen in wezen dat de aan het slot van 5.1.1 vermelde oordelen onbegrijpelijk zijn omdat, zoals de Staat in feitelijke aanleg heeft aangevoerd, volgens Dominicaans recht een foutieve geboorteakte uitsluitend kan worden gerectificeerd door een uitspraak van een Dominicaanse rechter.

5.1.3 De klacht faalt. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld - en ook de Staat voor juist houdt - worden foutieve Dominicaanse geboorteregistraties niet strijdig met de Dominicaanse wet geoordeeld, ongeacht welke persoon als aangever is vermeld, mits alle andere gegevens juist zijn. Dat laatste is hier, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, niet het geval, nu immers [betrokkene 1] niet de biologische moeder van verweerster is en [betrokkene 2] niet haar biologische vader. Bij dat uitgangspunt zijn de bestreden oordelen geenszins onbegrijpelijk.

5.1.4 Onderdeel 1.6 behoeft in verband met het in 5.1.3 overwogene nog slechts behandeling voor zover daarin wordt geklaagd dat hetgeen de rechtbank in rov. 1.5 van de tussenbeschikking van 1 april 2010 heeft overwogen ten aanzien van (on)geldigheid van de geboorteakte van 1982 en de vermelding (ten onrechte) in die akte van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als de biologische ouders van verweerster, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling. Gegeven het bestaan van die akte diende, aldus het onderdeel, verweerster het bewijs te leveren dat deze (naar Dominicaans recht) ongeldig is (en die uit 1997 geldig).

5.1.5 Deze klacht ziet eraan voorbij dat de rechtbank op grond van niet betwiste feiten en met toepassing van Dominicaans recht tot het oordeel is gekomen dat de geboorteakte van 1982 niet rechtsgeldig is, zodat onderdeel 1.6 in zoverre wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

5.2 Klacht 2 behelst - in de onderdelen 2.2 en 2.3 - het verwijt dat de rechtbank bij de (ontkennende) beantwoording van de vraag of de akte van 11 april 1997 naar Nederlands recht een rechtsgeldige erkenning door [betrokkene 5] inhoudt, in verschillende opzichten is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen bestrijden echter niet dat van een zodanige rechtsgeldige erkenning geen sprake is en falen derhalve bij gebrek aan belang.

5.3.1 In klacht 3 wordt in acht onderdelen - onderdeel 3.1 bevat slechts een inleiding - opgekomen tegen (de motivering van) het oordeel van de rechtbank dat verweerster sedert 11 april 1999 de staat heeft van erkend kind van [betrokkene 5].

5.3.2 De rechtbank heeft bij dit oordeel met juistheid tot uitgangspunt genomen dat sprake is van bezit van staat indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander. Sedert de invoering van het nieuwe afstammingsrecht per 1 april 1998 (Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Stb. 1997,772) wordt ook afstamming ingevolge erkenning beschermd door bezit van staat.

5.3.3 Onderdeel 3.2 betoogt dat de rechtbank door te oordelen dat verweerster al twee jaar na het opmaken van de geboorteakte van 11 april 1997, die mede ertoe strekte haar te erkennen als kind van [betrokkene 5], de staat van kind van [betrokkene 5] verkreeg, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het begrip duurzaamheid in voormelde zin.

5.3.4 Het onderdeel faalt. Het oordeel van de rechtbank geeft in de gegeven omstandigheden niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip duurzaamheid en kan voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

5.3.5 Onderdeel 3.4 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.6 dat aan het oordeel dat verweerster de staat bezit van erkend kind van [betrokkene 5] niet afdoet dat de geboorteakte van 11 april 1997 niet in Nederland is opgemaakt. Naar het onderdeel betoogt, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bezit van staat overeenkomstig een akte, zoals bedoeld in art. 1:209 BW. Deze bepaling, aldus het onderdeel, is een bewijsregel gebaseerd op de bewijskracht van een Nederlandse geboorteakte, althans van een geboorteakte die - anders dan met betrekking tot de akte van 11 april 1997 het geval is - in de Nederlandse rechtsorde is, althans kan worden erkend.

5.3.6 Het onderdeel faalt in beide opzichten. Nu bezit van staat in de zin van art. 1:209 ertoe strekt de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen, valt niet in te zien dat de omstandigheid dat het hier gaat om een in het buitenland opgemaakte geboorteakte aan toepassing van deze wetsbepaling in de weg zou staan. Voor zover het onderdeel betoogt dat dit laatste anders is indien het, zoals hier, een akte betreft die niet in de Nederlandse rechtsorde is of kan worden erkend, ziet het eraan voorbij dat het bij bezit van staat nu juist steeds gaat om gebrekkige akten.

5.3.7 Onderdeel 3.7 dat zich met een motiveringsklacht richt tegen het oordeel van de rechtbank dat verweerster de staat van erkend kind van [betrokkene 5] bezit, treft evenmin doel. Dit oordeel behoefde geen nadere motivering dan door de rechtbank is gegeven. Onbegrijpelijk is het niet.

5.3.8 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerster begroot op € 339,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, M.A. Loth en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 maart 2012.