Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU8250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
10/04919
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU8250
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7041, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Accijns; overige alcoholhoudende dranken; artikel 71, lid 1, aanhef en letter d, van de Wet op de accijns, artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit accijns, artikel XXVIb van het Belastingplan 2003; artikel 22, lid 5, van Richtlijn nr. 92/12/EEG; geen recht op meer teruggaaf aan belasting dan eerder op aangifte werd voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1239 met annotatie van Stuijt en Van Dam
FutD 2012-1131
V-N Vandaag 2012/1042
V-N 2012/23.30
BNB 2012/230

Uitspraak

20 april 2012

Nr. 10/04919

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2010, nr. 09/00472, betreffende een naheffingsaanslag in de accijns.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2003 tot en met 31 maart 2003 een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (AWB 08/1817) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op

21 november 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende drijft een groothandel in alcoholhoudende dranken. Zij beschikt in dat kader over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats in de zin van artikel 39 van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) waarin zij alcoholhoudende dranken onder schorsing van accijns voorhanden mag hebben.

3.1.2. Eind 2002 heeft belanghebbende van derden een partij van 82.763 liter alcoholhoudende producten gekocht. Voor deze partij was accijns voldaan naar het toen geldende tarief van € 15,04 per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volume-percent alcohol.

3.1.3. Belanghebbende heeft op 30 december 2002 een hoeveelheid van 41.982,162 liter alcoholhoudende producten aan A B.V. verkocht en uit haar accijnsgoederenplaats uitgeslagen. Ter zake van deze uitslag heeft belanghebbende op aangifte accijns voldaan naar het op het tijdstip van de uitslag geldende, hiervoor in 3.1.2 vermelde tarief.

3.1.4. Met ingang van 1 januari 2003 is bij Wet van 12 december 2002, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2003), Stb. 2002, 615, (hierna: het Belastingplan 2003) het accijnstarief voor "overige alcoholhoudende producten" verhoogd van € 15,04 naar € 17,75 per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volume-percent alcohol.

3.1.5. In maart 2003 heeft belanghebbende een deel van de hiervoor in 3.1.2 bedoelde partij alcoholhoudende producten gebracht binnen haar accijnsgoederenplaats. Belanghebbende heeft voor de desbetreffende producten teruggaaf van accijns verzocht en gekregen door - overeenkomstig artikel 31, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit accijns (hierna: het Besluit) - in haar aangifte accijns over het tijdvak maart 2003 met de over dat tijdvak verschuldigde accijns te verrekenen de accijns voor de binnen de accijnsgoederenplaats gebrachte producten. Laatstbedoelde accijns berekende belanghebbende naar het tarief van € 17,75 per hectoliter.

Belanghebbende heeft voorts in maart 2003 een deel van de hiervoor in 3.1.3 bedoelde partij alcoholhoudende producten teruggekocht en vervolgens binnen haar accijnsgoederenplaats gebracht. Ook voor deze binnen haar accijnsgoederenplaats gebrachte producten heeft belanghebbende in haar aangifte accijns over het tijdvak maart 2003 accijns verrekend tegen het tarief van € 17,75 per hectoliter.

3.1.6. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de hiervoor in 3.1.5 bedoelde producten slechts recht heeft op teruggaaf van de voor de producten voldane accijns, te weten accijns berekend naar het in 2002 geldende tarief van € 15,04 per hectoliter. De Inspecteur heeft het verschil in accijns bij de onderwerpelijke naheffingsaanslag geheven.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 71 van de Wet op de accijns (hierna: de Wet), op welk artikel de door belanghebbende gevraagde teruggaaf is gegrond, kan en moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 22, lid 5, van Richtlijn nr. 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 (hierna: de Richtlijn), waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat de teruggaaf van de accijns niet hoger is dan het daadwerkelijk voldane bedrag. Hiervan uitgaande heeft het Hof geconcludeerd dat belanghebbende geen recht heeft op verrekening van accijns tot een hoger bedrag dan het bedrag dat voor de desbetreffende accijnsproducten aan accijns is voldaan.

3.3. De middelen bestrijden deze oordelen met het betoog dat het Hof eraan is voorbijgegaan dat niet slechts met artikel 71 van de Wet doch ook met artikel 32 van het Besluit en - voor dit geval - artikel XXVIb van het Belastingplan 2003 uitvoering is gegeven aan de Richtlijn en dat uit laatstgenoemde bepalingen volgt dat als hoofdregel geldt dat teruggaaf van accijns moet plaatsvinden naar het accijnstarief dat voor de desbetreffende accijnsproducten geldt op het tijdstip waarop deze in de zin van artikel 71, lid 1, aanhef en letter d, van de Wet worden gebracht binnen een accijnsgoederenplaats.

3.4. De middelen falen. De teruggaaf die is voorzien in artikel 71, lid 1, van de Wet ziet op de teruggaaf van precies het bedrag aan accijns dat voor de desbetreffende producten in het verleden - door de belanghebbende of een ander - is voldaan. Een andere uitleg zou niet in overeenstemming zijn met artikel 22, lid 5, van de Richtlijn. Artikel 32 van het Besluit en artikel XXVIb van het Belastingplan 2003 maken geen inbreuk op deze regel.

Uit die beide bepalingen volgt derhalve niet de in de middelen bedoelde hoofdregel dat teruggaaf van accijns zou moeten plaatsvinden naar het accijnstarief dat geldt op het tijdstip waarop de desbetreffende accijnsgoederen worden gebracht binnen een accijnsgoederenplaats. De beide bepalingen behelzen slechts bewijsregels met betrekking tot de accijns die in het verleden is voldaan voor accijnsgoederen die kort na een tariefswijziging binnen een accijnsgoederenplaats zijn gebracht.

In het onderhavige geval staat vast dat voor de onderwerpelijke producten niet meer accijns is voldaan dan naar het oude, lagere tarief, dat in 2002 van toepassing was. Het vorenoverwogene brengt mee dat belanghebbende geen recht op teruggaaf toekomt van meer dan de aldus berekende accijns.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.