Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU8176

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
10/04051
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU8176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verval van instantie (art. 251 Rv.). Na verlening laatste uitstel daartoe had appellant geen grieven genomen maar incidenteel schorsing gevorderd tot tijdstip wijzen eindarrest in een samenhangende procedure. Behoudens bijzondere wettelijke bepaling geen aanspraak op behandeling vooraf van incidentele vordering (art. 209 Rv.). Geen onbegrijpelijk oordeel dat hier geen reden bestond de incidentele vordering eerst en vooraf te behandelen. Verval van instantie gericht op hetzij beëindiging hetzij voortprocederen; niet aannemelijk dat samenhang tussen procedures appellant heeft belet behoorlijk van grieven te dienen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 208
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 209
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 251
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 398
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2012/40 met annotatie van mr. drs. A.W. van der Veen en mr. Y.A. Wehrmeijer
RvdW 2012/372
NJ 2012/158
NJB 2012/656
JWB 2012/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 maart 2012

Eerste Kamer

10/04051

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V. (voorheen ABN AMRO Bank N.V.),

gevestigd te AMSTERDAM,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN AMRO.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 250813/H 02.2135 van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2005 en 22 maart 2006;

b. de rolbeslissing van 18 mei 2010 en het arrest van 15 juni 2010 in de zaak 106.005.852/02 van het gerechtshof te Amsterdam.

De rolbeslissing en het arrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de rolbeslissing en het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ABN AMRO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor ABN AMRO door mr. F.E. Vermeulen en mr. A.J. Haasjes, advocaten te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 22 december 2011 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) Bij het in eerste aanleg in deze zaak gewezen eindvonnis heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan ABN AMRO een bedrag te betalen van € 35.419.903,95,

te vermeerderen met wettelijke rente. Van dit vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis is [eiser] in hoger beroep gekomen bij het hof.

(ii) Het hoger beroep is op 9 november 2006 aangebracht. Omdat [eiser] niet van grieven diende, is de zaak op 17 april 2008 ambtshalve door het hof doorgehaald.

(iii) Bij exploot van 21 januari 2010 heeft ABN AMRO aan [eiser], voor zover thans van belang, aangezegd dat zij voornemens is verval van instantie te vorderen. Op haar verzoek is de zaak daartoe op de rol van het hof van 2 februari 2010 geplaatst. De zaak is vervolgens op de voet van art. 251 lid 1 Rv. verwezen naar de rol van 16 maart 2010.

(iv) Op 16 maart 2010 heeft [eiser] niet van grieven gediend, maar om een uitstel van zes weken verzocht in verband met de overname van de zaak door een andere advocaat en met de complexiteit van de zaak.

Bij rolbeslissing van 11 maart 2010 is aan [eiser] een laatste uitstel tot 27 april 2010 verleend voor het nemen van de memorie van grieven.

(v) Ter rolle van 27 april 2010 heeft [eiser] geen grieven genomen, maar bij incidentele memorie schorsing van de procedure gevorderd totdat eindarrest zou zijn gewezen in de procedure die bij het hof aanhangig was tussen [eiser] en de Ontvanger.

(vi) ABN AMRO is in de gelegenheid gesteld zich over de behandeling van deze incidentele vordering uit te laten. Zij heeft laten weten niet in te stemmen met aanhouding van de zaak.

3.2.1 De rolraadsheer heeft bij zijn hiervoor genoemde rolbeslissing de hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde incidentele vordering aangemerkt als een hernieuwd verzoek om uitstel en dit afgewezen omdat er onvoldoende aanleiding is dit in te willigen. De rolraadsheer heeft geconstateerd dat [eiser] niet tijdig een memorie van grieven heeft genomen en geen rechtvaardiging heeft gegeven voor de vertraging van het geding als bedoeld in art. 251 lid 4, onder b, Rv. Hij heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van het hof om te beslissen op het gevorderde verval van instantie en omtrent het eventueel alsnog gelegenheid geven aan [eiser] voor het nemen van de memorie van grieven.

3.2.2 Hierna heeft (de meervoudige kamer van) het hof het verval van instantie uitgesproken. Hieraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de hem gegeven mogelijkheid om de proceshandeling waarvoor de zaak stond, de memorie van grieven, alsnog uiterlijk 27 april 2010 te verrichten en dat geen reden bestaat voor (verdere) vertraging van het geding (rov. 2.5).

3.3 [Eiser] komt in cassatie met een groot aantal klachten op tegen de rolbeslissing en tegen het daarop voortbouwende arrest waarbij het verval is uitgesproken. Hij betoogt, zakelijk weergegeven, (i) dat het hof heeft miskend dat hij (a) op 27 april 2010 niet een uitstelverzoek als bedoeld in art. 251 Rv. heeft gedaan, maar op de voet van art. 208 Rv. een incidentele vordering tot schorsing van de procedure heeft ingesteld, (b) dat een dergelijke vordering rechtens mogelijk is, (c) dat hij deze vordering mocht instellen in plaats van voor grieven te dienen, (d) dat op deze vordering eerst behoorde te worden beslist door het hof, nadat ABN AMRO gelegenheid had gehad daarop bij incidentele antwoordmemorie te reageren, (e) dat bij een eventuele afwijzing van de incidentele vordering hem, overeenkomstig het bepaalde in art. 209 Rv., een nader uitstel voor memorie van grieven had moeten worden gegeven, en (f) dat de proceshandeling waarvoor de zaak stond als bedoeld in het eerste lid van art. 251 Rv. mede de door hem ingestelde incidentele vordering mocht zijn en hij dus wel degelijk de proceshandeling heeft verricht waarvoor de zaak stond als bedoeld in art. 251 Rv.

Voorts keert [eiser] zich (ii) met motiveringsklachten tegen het oordeel in de rolbeslissing dat er onvoldoende aanleiding is in zijn verzoek om uitstel te bewilligen. In dat verband verwijst hij naar de in zijn incidentele memorie gestelde grote samenhang tussen de onderhavige procedure en de procedure tussen [eiser] en de Ontvanger.

3.4 Bij de klachten van [eiser] wordt terecht tot uitgangspunt genomen dat de rolbeslissing van het hof, gelet op de aard van de daarin gegeven beslissingen, valt aan te merken als een (tussen)arrest. Het hof is zelf, blijkens zijn daarop volgende arrest, daarvan ook uitgegaan.

3.5.1 Het middel neemt op zich zelf terecht tot uitgangspunt dat een partij die aanhouding van de behandeling van de zaak wenst om een beslissing in een samenhangende procedure af te wachten, ervoor kan kiezen om een daartoe strekkende incidentele vordering in te stellen, in plaats van eenvoudig (bij brief) een desbetreffend verzoek aan de rolrechter te doen. Voor het instellen van die vordering - hetzij afzonderlijk, hetzij bij een conclusie in de hoofdzaak - kan aanleiding bestaan als de wens tot verkrijging van de aanhouding mede berust op bijzonderheden van de hoofdzaak die zich minder goed lenen voor beoordeling door de rolrechter.

3.5.2 Anders dan het middel betoogt, bestaat echter niet zonder meer aanspraak op een voorafgaande behandeling en beoordeling van een dergelijke incidentele vordering. Indien een bijzondere wettelijke regel ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt ter zake de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv., die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist "indien de zaak dat medebrengt". Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding.

3.5.3 Uit het vorenstaande volgt, opnieuw anders dan het middel betoogt, dat een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak dient te verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, het risico loopt dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is. In dat geval is de betrokken proceshandeling in de hoofdzaak dus ten onrechte niet verricht.

3.5.4 In de rolbeslissing en het arrest van het hof ligt besloten dat naar het oordeel van het hof in dit geval geen reden bestond om eerst en vooraf de incidentele vordering te behandelen en te beslissen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. [Eiser] heeft feitelijk sinds eind 2006 uitstel gehad voor de memorie van grieven.

De vordering van ABN AMRO tot verval van instantie was er naar haar aard op gericht dat [eiser] hetzij verder zou procederen, hetzij de instantie zou beëindigen (de ratio van de mogelijkheid van verval van instantie in de huidige wettelijke regeling daarvan). [Eiser] heeft de incidentele vordering op de laatst mogelijke datum ingesteld, toen hij na een allerlaatste uitstel van grieven moest dienen, op straffe van verval van instantie. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat een grote samenhang bestond tussen de beide procedures en dat hij er (daarom) een wezenlijk belang bij had dat beide zaken in samenhang beoordeeld zouden worden, maar hij heeft, naar besloten ligt in de overwegingen van het hof met betrekking tot het verzoek om uitstel, niet aannemelijk gemaakt dat dit hem belette op behoorlijke wijze zijn grieven in deze procedure te formuleren. Ook laatstgenoemd oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen [eiser] in zijn incidentele memorie op dit punt heeft aangevoerd.

3.5.5 Uit het vorenstaande volgt dat de aangevoerde klachten falen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren F.B. Bakels, M.A. Loth, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 2 maart 2012.