Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU7644

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/02714
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU7644
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8949
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing aanhoudingsverzoek. 2. Art. 6 EVRM en 41 Sv. Ad 1. Gelet op de door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden is ’s Hofs afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouwe om zich te kunnen voorbereiden op haar pleidooi niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd; klaarblijkelijk heeft het Hof het belang van een voortvarende behandeling van de strafzaak laten prevaleren. Ad 2. Het Hof heeft het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met een nieuwe advocaat afgewezen en verwezen naar HR LJN BD7809. Kennelijk heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouwe ondanks haar tezamen met de verdachte afgelegde mededeling dat zij de verdachte niet langer ter terechtzitting terzijde stond, nog wel als toegevoegde raadsvrouwe van de verdachte had te gelden en dat de verdachte bij de voortzetting van de behandeling van de zaak op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsvrouwe. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld contact op te nemen met een - nieuwe - advocaat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft kennelijk de omstandigheden van dit geval als zeer uitzonderlijk beschouwd en het verzoek aangemerkt als te zijn gedaan met geen andere intentie dan om een goede rechtsgang te belemmeren. Tot die oordelen heeft het Hof gelet op het uit de processen-verbaal blijkende zeer moeizame en langdurige procesverloop als gevolg van de wijze waarop de verdachte en de op diens instigatie optredende raadslieden zich hebben opgesteld. Geen sprake van schending van art. 6.3.b en c EVRM. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/381
RvdW 2012/870
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2012

Strafkamer

nr. S 10/02714

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2010, nummer 22/004956-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met art. 6, derde lid onder b en c, EVRM onvoldoende is tegemoetgekomen aan de belangen van de verdachte bij een eerlijk en zorgvuldig proces, waaronder het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor een deugdelijke voorbereiding van de verdediging en het recht op rechtsbijstand.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 door het Hof bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode van 17 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet genoemde [slachtoffer]

- met een (hard) voorwerp en met een tot vuist gebalde hand (hard) tegen het hoofd en de rug, althans het lichaam geslagen, en

- zijn voeten en handen (op de rug) met tie-raps (strak, althans zodanig dat hij zich niet kon bevrijden) vastgebonden, en

- op zijn buik doen en laten liggen, en

- zijn gordijnen van zijn woonhuis, waar hij zich toen bevond, gesloten, en

- aldus gewond (door die klappen en/of slagen) en/of van buiten af moeilijk zichtbaar in hulpeloze toestand achtergelaten,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers straffeloosheid te verzekeren;

2.

hij op 5 oktober 2006 te Vianen

- een wapen van categorie III, te weten een revolver, en

- munitie van categorie III,

voorhanden heeft gehad."

2.3.1. Aan de processen-verbaal van de - zestien - terechtzittingen in hoger beroep tot de terechtzitting van 9 juni 2010 wordt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep onder meer het volgende, zakelijk samengevat, ontleend.

De eerste (pro forma) terechtzitting in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Op de terechtzitting van 25 maart 2008 heeft het Hof beslist op een groot aantal door de verdachte en zijn (toegevoegde) raadsman, mr. R.D.A. van Boom, gedane verzoeken, waaronder die tot het horen van getuigen. Op de terechtzitting van het Hof van 6 juni 2008 hebben de verdachte en zijn raadsman uitvoerige nadere onderzoekswensen naar voren gebracht. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat de onderzoekswensen inderdaad laat zijn toegestuurd en aangevuld maar dat dit wat hem betreft 'zo spoedig mogelijk' was, dat de input van de verdachte groter is dan die van de gemiddelde cliënt en dat hierdoor meer overleg nodig is, hetgeen kan leiden tot vertraging. Op de terechtzitting van 20 juni 2008 heeft het Hof op deze verzoeken beslist.

Op de (pro forma) terechtzitting van 12 september 2008 heeft het Hof vastgesteld dat bij brief van 29 augustus 2008 door de verdediging een zeer grote hoeveelheid verzoeken is ingediend, waarvan een aantal onvoldoende gemotiveerd en ongestructureerd is, waaronder ook verzoeken die eerder al zijn afgewezen en dat daardoor de procesgang wordt vertraagd. Op de terechtzitting van 19 december 2008 zijn deze verzoeken en de bij die gelegenheid gedane aanvullende verzoeken van de verdachte en zijn raadsman behandeld. Op al deze verzoeken heeft het Hof op de terechtzitting van 6 januari 2009 beslist. Op de (pro forma) terechtzitting van 3 maart 2009 heeft de raadsman meegedeeld dat op 19 december 2008 door de verdachte een brief is overgelegd aan het Hof met een aantal vragen en dat wat de verdachte betreft deze vragen niet of onvoldoende beantwoord zijn. De voorzitter is op een aantal door de raadsman en de verdachte genoemde punten nader ingegaan en heeft geconcludeerd dat alle vragen beantwoord zijn. Hij heeft voorts meegedeeld dat de op 12 mei 2009 geplande pro forma terechtzitting op verzoek van de verdediging een kleine regiezitting zal zijn van maximaal 30 minuten.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2009 blijkt onder meer het volgende. De ter terechtzitting aanwezige raadsman heeft verklaard dat hij in de onderhavige zaak niet uitdrukkelijk door de verdachte is gemachtigd de verdediging te voeren, dat hij met betrekking tot deze zaak niet is ontslagen, maar dat hij door de verdachte wel van zijn taak is ontheven. Het is het Hof uit een brief van de verdachte van 15 juni 2009 gebleken dat tijdens een eerdere terechtzitting van 12 mei 2009 vanaf de publieke tribune alle zittingshandelingen zijn vastgelegd op een geluidsdrager. Het Hof beschouwt dit als verstoring van de orde ter terechtzitting en beraadt zich op maatregelen ter voorkoming daarvan, waaronder behandeling met gesloten deuren. Het Hof heeft het, gelet op een aantal moeizame momenten bij de voorafgaande behandelingen van de zaak waarmee veel zittingstijd is gemoeid geweest, met het oog op een verantwoorde en tijdige afdoening van de zaak nodig geoordeeld werkafspraken vast te stellen. Deze werkafspraken houden in: a) de verdachte heeft het woord als het hem verleend is; b) de verdachte neemt niet het woord als het hem niet verleend is; c) de verdachte voert alleen het woord over het onderwerp dat door de voorzitter aan de orde is gesteld en heeft niet de bevoegdheid eigener beweging en ongeregeld andere onderwerpen te gaan bespreken dan die door de voorzitter aan de orde zijn gesteld; d) de verdachte geeft gelet op het voorgaande gevolg aan de waarschuwing van de voorzitter zijn mond te houden als hij in weerwil van deze orderegel ofwel ongeregeld het woord neemt zonder dat hem dit is verleend ofwel ongeregeld een ander onderwerp aansnijdt dan door de voorzitter aan de orde is gesteld; e) indien de verdachte aan een eerste waarschuwing terzake geen gevolg geeft, wordt hij onverwijld uit de zittingszaal verwijderd tot nader order van de voorzitter. Het Hof heeft beslist dat voor de terechtzitting van 11 december 2009 vijf in het proces-verbaal genoemde getuigen zullen worden opgeroepen.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof (in gewijzigde samenstelling) van 11 december 2009 blijkt het volgende. De raadsman is niet verschenen. Met betrekking tot de rechtsbijstand van de verdachte heeft het Hof de raadsman herhaaldelijk schriftelijk om duidelijkheid verzocht, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij nog wel de toegevoegde raadsman is, maar door de verdachte tijdelijk van zijn taak is ontheven. Het Hof heeft de raadsman bij brief van 30 november 2009 met klem verzocht ter terechtzitting van 11 december 2009 aanwezig te zijn teneinde ten minste te kunnen optreden als bewaker van de procesbelangen van de verdachte, op welke brief de raadsman niet heeft gereageerd. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat het geen zin meer had om een advocaat te hebben, dat het te veel eer was voor het Hof dat er nog een advocaat bij was en dat hij het antwoord schuldig blijft op de vraag of hij welbewust afstand heeft gedaan van de aanwezigheid van zijn raadsman. In vervolgens daartoe opgenomen telefonisch contact met de raadsman heeft deze de voorzitter laten weten dat zijn afwezigheid een welbewuste afspraak met de verdachte was omdat de verdachte zelf de voor deze dag geplande getuigenverhoren wilde doen. De voorzitter heeft de raadsman medegedeeld dat een advocaat die nog immer wordt betaald als toegevoegd raadsman op een zittingsdag aanwezig dient te zijn. Na telefonisch contact tussen de verdachte en de raadsman, deelt de verdachte mee dat zijn raadsman niet ermee bekend was dat het Hof anders zou zijn samengesteld, dat nu het Hof in gewijzigde samenstelling het onderzoek opnieuw heeft aangevangen, hij opnieuw preliminaire verweren wil voeren en aanhouding wenst opdat zijn raadsman bij het onderzoek aanwezig kan zijn. Het Hof heeft beslist de geplande getuigenverhoren te laten doorgaan, waarbij de verdachte in afwezigheid van zijn advocaat zelf de vragen aan de getuige kan stellen zoals hij ook heeft afgesproken met zijn advocaat. De verdachte heeft het Hof alstoen gewraakt, welk wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer, met bepaling dat een wrakingsverzoek in deze procedure niet nogmaals zal kunnen worden gedaan. Het Hof heeft geconstateerd dat op alle tot dan toe door de verdachte en zijn raadsman gedane verzoeken is beslist. Het Hof heeft de verdachte en de raadsman verzocht om vóór 10 januari 2010 alle verzoeken te doen die zij nog willen voorleggen en heeft beslist dat op 29 januari 2010 voor zover mogelijk inhoudelijk zal worden ingegaan op de zaak en dat dan wellicht al kan worden gerequireerd en gepleit. Het Hof heeft vervolgens de verschenen getuigen gehoord, waarbij de verdachte de getuigen heeft ondervraagd, in één geval aan de hand van op papier gestelde voorbereidingen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2010 houdt onder meer het volgende in. Nadat zijn medebrenging was gelast, is de verdachte verschenen.

De raadsman is niet verschenen. Telefonisch contact van de voorzitter met het kantoor van de raadsman teneinde opheldering te verkrijgen omtrent zijn afwezigheid zonder bericht, heeft niet ertoe geleid dat de voorzitter met de raadsman heeft kunnen spreken. Na diverse incidenten heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte geen vragen wenst te stellen aan de verschenen getuigen en dat hij van verhoor van de getuigen afstand doet. Op verzoek van de voorzitter wordt de schreeuwende verdachte afgevoerd en wordt de behandeling voortgezet buiten aanwezigheid van de verdachte. De Advocaat-Generaal heeft vervolgens zijn op schrift gestelde requisitoir voorgelezen, dat aan het dossier wordt toegevoegd.

Het proces-verbaal van de (pro forma) terechtzitting van 18 februari 2010 houdt in dat melding wordt gemaakt van een faxbericht van de raadsman van diezelfde datum, inhoudende de mededeling dat hij niet op deze terechtzitting aanwezig zal zijn en het verzoek om de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen. Dat verzoek heeft het Hof afgewezen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 mei 2010 houdt onder meer het volgende in. De verdachte is verschenen, alsmede zijn raadsvrouwe mr. M.L. Plas. Medededeling wordt gedaan dat het verschoningsverzoek dat het Hof in zijn toenmalige samenstelling had gedaan in verband met de incidenten op 29 januari 2010, op 9 februari 2010 is toegewezen en dat mr. R.D.A. van Boom na beraad met de verdachte, bij faxbericht van 13 april 2010 het Hof te kennen heeft gegeven de verdediging neer te leggen, waarop zijn kantoorgenote mr. M.L. Plas de verdediging van hem heeft overgenomen. De behandeling van de zaak is vervolgens door het Hof in een andere samenstelling opnieuw aangevangen.

Het Hof heeft het verzoek van de verdachte en zijn raadsvrouwe dat het gehele Hof zich zal verschonen dan wel dat de zaak zal worden verwezen naar een ander gerecht, afgewezen. Na overleg met de verdachte, heeft de raadsvrouwe meegedeeld dat zij, in tegenstelling tot hetgeen zij daaromtrent in haar brief van 21 mei 2010 aan het Hof heeft vermeld, alsnog meent preliminaire verweren te kunnen voeren, dat zij in verband met de korte voorbereidingstijd niet in staat is geweest deze verweren noch de nadere onderzoekswensen uitgebreid te motiveren en dat de verdachte, die een uitgebreide kennis van het dossier bezit, het woord wil voeren met betrekking tot de door haar gevoerde preliminaire verweren. Het Hof heeft medegedeeld geen aanleiding te zien de verdachte het woord te geven aangaande de gevoerde preliminaire verweren, waarop overigens door het Hof reeds is beslist. Nadat de Advocaat-Generaal een aanvang heeft gemaakt met de voordracht van de zaak, heeft de verdachte een wrakingsverzoek gedaan. Nadat de wrakingskamer afwijzend heeft beslist op het wrakingsverzoek, wordt de behandeling van de zaak voortgezet. Het Hof heeft medegedeeld dat, gelet op het feit dat de zaak inmiddels een langdurig tijdsverloop kent, het een voortvarende behandeling van groot belang acht en dat wordt voorgesteld de zaak op korte termijn, 3 juni 2010, voort te zetten. Nadat de raadsvrouwe heeft meegedeeld dat zij op 3 juni wegens vakantie verhinderd is, wordt door de voorzitter voorgesteld de behandeling voort te zetten op 9 juni 2010. De raadsvrouwe heeft daarop medegedeeld dat deze datum in beginsel mogelijk is, maar dat zij zich afvraagt of zij voldoende tijd zal hebben om voor die zitting nadere onderzoekswensen te formuleren en vervolgens met de verdachte te bespreken. De verdachte en de raadsvrouwe hebben medegedeeld dat zij akkoord gaan met de voorgestelde zittingsdatum.

2.3.2. Het proces-verbaal van de op 9 juni 2010 gehouden terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"(...)

De voorzitter geeft het woord aan de advocaat-generaal voor het requisitoir.

De verdachte deelt mede dat de pennen neer kunnen en vervolgens dat hij eerst zal overleggen met zijn raadsvrouw.

De voorzitter geeft hierop andermaal het woord aan de advocaat-generaal voor zijn requisitoir.

De raadsvrouw vraagt hierop het woord.

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, deelt de raadsvrouw mede dat zij er vanuit is gegaan dat vandaag alleen de nadere onderzoekswensen van de verdediging zouden worden behandeld en dat zij zich derhalve uitsluitend heeft voorbereid op de bespreking van die verzoeken.

De voorzitter stelt vast dat de raadsvrouw noch haar cliënt uit hetgeen ter terechtzitting van 26 mei jl. door het hof is bepaald dan wel is medegedeeld redelijkerwijze heeft kunnen afleiden dat vandaag uitsluitend de nadere onderzoekswensen van de verdediging zouden worden behandeld.

De raadsvrouw deelt mede dat zij geen tijd heeft gehad om de zaak inhoudelijk voor te bereiden, dat wil zeggen dat zij geen pleidooi heeft kunnen voorbereiden.

De voorzitter deelt mede het volgende vast te stellen:

a) de inhoud van het proces-verbaal van de op 26 mei jl. onderbroken terechtzitting geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat heden uitsluitend de onderzoekswensen van de verdediging zouden worden besproken. Integendeel, het hof heeft op die terechtzitting expliciet te kennen gegeven dat het een voortvarende behandeling van deze zaak van groot belang acht, meer in het bijzonder gelet op het algemene gegeven dat deze zaak al jaren voortduurt alsmede op het belang dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hecht aan een voortvarende behandeling van strafzaken;

b) nadat de toenmalige raadsman van de verdachte en tevens kantoorgenoot van verdachtes huidige raadsvrouw bij brief van 13 april 2010 te kennen had gegeven de verdediging in de onderhavige zaak neer te leggen, heeft de raadsvrouw van de verdachte zich reeds bij brief van 21 april 2010 als zodanig gesteld, ervan op de hoogte zijnde dat de zaak stond geappointeerd op 26 mei 2010;

c) de raadsvrouw heeft medeverdachte [medeverdachte] - naar het hof ambtshalve bekend is - zeer recentelijk bijgestaan in diens strafzaak met betrekking tot de dood van [het slachtoffer], zodat zij uit dien hoofde toen reeds ruimschoots bekend was met de inhoud van het onderhavige dossier en derhalve van de feiten en omstandigheden met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde;

d) van de raadsvrouw, als professioneel rechtsbijstandverleenster in strafzaken, mag in de ten deze gegeven concrete omstandigheden, waarin niets erop duidt dat het hof de zaak vandaag niet inhoudelijk zou willen behandelen, worden verwacht dat zij zich op die inhoudelijke behandeling en daarom tevens - zeker nu de verdachte op de vorige zitting reeds over de feiten was ondervraagd - op het te voeren pleidooi prepareert.

De raadsvrouw deelt hierop mede dat zij zojuist twee weken verlof heeft genoten, dat zij niet heeft vermoed dat het vandaag tot een inhoudelijke behandeling zou (kunnen) komen en dat zij zich daarom uitsluitend heeft voorbereid op een bespreking van de nadere onderzoekswensen. Daarnaast is zij voornemens nog enkele stukken aan het hof over te leggen, zoals zij eerder vandaag al heeft laten weten, aldus de raadsvrouw.

De voorzitter constateert vervolgens dat de raadsvrouw de bedoelde stukken - naar eigen zeggen - onder zich heeft, doch om haar moverende redenen telkens heeft nagelaten deze mede te brengen naar de terechtzittingen van het hof noch deze anderszins aan het hof en/of het openbaar ministerie heeft doen toekomen. Dat de raadsvrouw dat tot nu toe heeft nagelaten en daartoe thans niet in staat is, komt voor rekening en risico van de verdediging.

De voorzitter deelt voorts mede dat het onderzoek ter terechtzitting van heden desgewenst voor enige tijd kan worden onderbroken, teneinde de raadsvrouw de gelegenheid te bieden alsnog voor vandaag een pleidooi voor te bereiden.

De raadsvrouw deelt hierop mede:

Ik acht mij geenszins in staat vandaag het woord tot verdediging te kunnen voeren. Ingeval het daartoe komt, zie ik mij genoodzaakt de verdediging in deze zaak neer te leggen. Ik verzet mij er niet tegen dat de advocaat-generaal vandaag het woord voor requisitoir zal voeren.

De voorzitter deelt hierop mede dat de advocaat-generaal het woord voor requisitoir zal krijgen. Ingeval de raadsvrouw na het requisitoir de verdediging in deze zaak, desgewenst na overleg daarover met de verdachte, wenst neer te leggen, zal zij alsdan de gelegenheid krijgen het hof hiervan op de hoogte te stellen.

De advocaat-generaal deelt mede dat zijn requisitoir gelijkluidend zal zijn aan het op 29 januari 2010 gehouden requisitoir. De advocaat-generaal voert hierna het woord overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir, zoals aan het hof in andere samenstelling en aan de verdediging overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2010 en aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehecht.

Het hof constateert dat de verdachte tijdens het requisitoir vele malen overleg pleegt met zijn raadsvrouw.

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest.

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, deelt de raadsvrouw het volgende mede:

Allereerst heb ik minimaal één maand nodig voor de voorbereiding van mijn pleidooi. Daarnaast is door de advocaat-generaal aan de verdediging toegezegd dat zij de videobanden van de eerste zeven verhoren van de verdachte mag bekijken en ik wens daartoe in de gelegenheid te worden gesteld. Ik verzoek u dan ook de behandeling van de zaak voor de duur van ten minste één maand aan te houden.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Het onderzoek wordt hervat.

Het hof deelt bij monde van de voorzitter het volgende mede:

Het hof wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Nu het hof het verzoek tot het bekijken van videobanden (verzoek nr. 4) heeft afgewezen als zijnde niet relevant voor enige beslissing ten deze, staat de wens van de verdediging om deze te bekijken noch de door de advocaat-generaal genoemde mogelijkheid daartoe aan de voortgang van de behandeling in de weg. Tegen de achtergrond van het heden eerder reeds besprokene en dan met name dat er geen enkele aanleiding is gegeven voor de veronderstelling dat de zaak vandaag niet inhoudelijk zou worden behandeld, alsmede gelet op het reeds genoemde langdurige tijdsverloop waardoor deze zaak wordt gekenmerkt en het feit dat de raadsvrouw deze zaak reeds op 21 april 2010 heeft overgenomen van haar kantoorgenoot, terwijl zij reeds uit anderen hoofde ruimschoots op de hoogte is van de inhoud van het onderhavige dossier en er in deze zaak ook reeds op de terechtzitting van 29 januari 2010 was gerekwireerd, welk requisitoir zich bevindt bij de stukken in het dossier, heeft de raadsvrouw naar het oordeel van het hof ruimschoots voldoende gelegenheid gehad zich adequaat op pleidooi voor te bereiden en acht het hof geen termen aanwezig de behandeling van de zaak aan te houden.

De verdachte deelt mede dat zijn raadsvrouw de verdediging thans neerlegt.

De raadsvrouw deelt mede dat zij de verdediging in de onderhavige zaak neerlegt, nu zij een - relatief korte - onderbreking van het onderzoek ontoereikend acht om zich adequaat te kunnen voorbereiden op het voeren van het woord tot verdediging.

De voorzitter deelt mede dat de toegevoegde raadsvrouw van de verdachte zojuist de verdediging in de zaak tegen de verdachte heeft neergelegd. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2008 (NJ 2008, 563) is het naar het oordeel van het hof desondanks mogelijk de behandeling van de zaak ter terechtzitting van heden voort te zetten.

De verdachte deelt hierop het volgende mede:

Ik ben uw gezwets zat. Laat de wrakingskamer maar komen. Leg de pennen maar neer.

Desgevraagd door de voorzitter deelt de verdachte mede dat de enige grond voor zijn zojuist gedane wrakingsverzoek is: bescherming van de rechtsstaat.

De voorzitter deelt mede dat het verzoek tot wraking zo spoedig mogelijk zal worden behandeld door de met de behandeling van een verzoek tot wraking belaste meervoudige kamer en dat het onderzoek in de hoofdzaak na de beslissing in het wrakingsincident zal worden voortgezet, dan wel door een andere kamer zal worden aangevangen.

Tot slot deelt de voorzitter namens het hof mede dat zowel de leden van dit college afzonderlijk als het college als geheel op voorhand te kennen geven/geeft niet te berusten in het wrakingsverzoek.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting. De voorzitter hervat het onderzoek en stelt vast dat de verdachte niet in de zittingszaal is verschenen.

De voorzitter deelt mede van de griffier van de wrakingskamer zojuist te hebben vernomen dat de wrakingskamer afwijzend heeft beslist op het wrakingsverzoek van verdachte en voorts bij beslissing van heden heeft vastgesteld dat er sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking door verdachte, reden waarom de wrakingskamer aanleiding heeft gezien toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering en aldus heeft bepaald dat een volgend verzoek om wraking niet meer in behandeling zal worden genomen.

De voorzitter deelt vervolgens mede dat hij van de in de zittingszaal aanwezige medewerkers bureau orde- en bewakingsdiensten (verder: BOB-medewerkers) heeft begrepen dat de verdachte niet meer ter terechtzitting wenst te verschijnen. De voorzitter stelt hierop vast dat de verdachte op de hoogte is van het verloop van de procedure tot nu toe, namelijk dat de advocaat-generaal heeft gerekwireerd en dat de verdachte thans de mogelijkheid heeft om het woord tot zijn verdediging te voeren. De voorzitter vraagt de aanwezige BOB-medewerkers de verdachte het voorgaande mede te delen en hem voorts te verzoeken ter terechtzitting te verschijnen, teneinde van die mogelijkheid gebruik te (kunnen) maken. De verdachte is evenwel niet verplicht om ter terechtzitting te verschijnen.

De advocaat-generaal sluit zich hierbij aan.

De verdachte verschijnt enige tijd later in de zittingszaal en deelt desgevraagd door de voorzitter mede op de hoogte te zijn van de eerdergenoemde beslissingen van de wrakingskamer.

Aansluitend hierop verzoekt de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld contact op te kunnen nemen met een advocaat.

De advocaat-generaal deelt mede dat hij zich - gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2008 (NJ 2008, 563) - verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Het onderzoek wordt hervat.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof het volgende mede:

Het hof stelt vast dat de toegevoegde raadsvrouw van de verdachte op enig moment de verdediging in deze zaak heeft neergelegd, waarmee de verdachte direct, expliciet en ondubbelzinnig heeft ingestemd. Sterker nog, na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, deed de verdachte als eerste de mededeling dat zijn raadsvrouw de verdediging neerlegde. In het licht van het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2008 (NJ 2008, 563) is het hof van oordeel dat, in de gegeven omstandigheden, dit de toevoeging niet deed eindigen en dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting van heden mag worden voortgezet.

De verdachte geeft te kennen dat hij contact wil opnemen met een advocaat.

De voorzitter herhaalt vervolgens de bovenstaande beslissing van het hof en wijst erop dat deze beslissing thans niet meer voor discussie vatbaar is.

Hierop wordt de verdachte, omstreeks 16:30 uur, in de gelegenheid gesteld het woord tot zijn verdediging te voeren.

De verdachte deelt mede dat hij hier onder protest staat. Vervolgens voert hij -bij voortduring op buitengewoon luide toon- het woord tot verdediging aan de hand van een tweetal door hem overgelegde en in kopie aan dit proces-verbaal gehechte schriftelijke notities.

Na circa een uur deelt de voorzitter mede dat het onderzoek voor ongeveer tien minuten zal worden onderbroken, teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen te bezien op welk tijdstip de verdachte uiterlijk nog kan worden vervoerd naar zijn detentieadres, alsmede wellicht een alternatief voor verdachtes verblijfplaats voor de nacht te zoeken.

Het onderzoek wordt na tien minuten hervat. De voorzitter deelt mede dat hij van de advocaat-generaal heeft begrepen dat voor de verdachte een alternatieve verblijfplaats voor de nacht is geregeld, zodat de terechtzitting langer kan voortduren dan anders het geval was geweest.

De verdachte vervolgt het woord tot verdediging.

Na enige tijd deelt de voorzitter mede dat het onderzoek in het kader van een korte pauze voor ongeveer tien minuten zal worden onderbroken, tot 19:30 uur.

Het onderzoek wordt hervat.

De voorzitter deelt mede dat het hof uit verdachtes pleidooi vooralsnog heeft begrepen dat de verdachte van mening is dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de onderhavige strafvervolging en dat hij dat standpunt wenst te onderbouwen met de volgende argumenten:

1. de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken tussen hem en mr. R.A. van der Velde van 3 en 5 oktober 2006 zijn aan te merken als zogenoemde geheimhoudersgesprekken en vallen derhalve onder de reikwijdte van het verschoningsrecht. Dat geldt evenzeer voor het getapte gesprek tussen hem en zijn advocaat d.d. 7 december 2006, gevoerd terwijl hij in volledige beperkingen zat in de penitentiaire inrichting De Schie te Rotterdam. De twee eerstgenoemde gesprekken zijn echter in strijd met de daarvoor geldende richtlijn en niet vernietigd, doch uitgewerkt en toegevoegd aan het dossier. Ten aanzien van het gesprek van 7 december 2006 is weliswaar op 22 december 2006 door de officier van justitie de vernietiging bevolen, doch is door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat aan dit bevel geen gevolg is gegeven;

2. hij is op 5 oktober 2006 onrechtmatig aangehouden, aangezien

a) er op het moment van zijn aanhouding, dan wel de beslissing daartoe geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (verder: WvSv), ten aanzien van hem kon bestaan.

b) het zogenoemde geheimhoudersgesprek tussen hem en

mr. Van der Velde van 5 oktober 2006 te 15:25:49 uur richtinggevend en bepalend is geweest voor zijn aanhouding terstond na dit gesprek en dit gesprek in strijd met het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid WvSv, want zonder de daartoe vereiste voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, aan het dossier is toegevoegd en vervolgens tactisch operationeel is gebruikt;

3. er had geen hem betreffende tapmachtiging of machtiging tot stelselmatige observatie afgegeven mogen worden, aangezien er op dat moment onmogelijk een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van hem kon bestaan;

4. de officier van justitie heeft bewust en/of verwijtbaar geen openheid van zaken gegeven door

a) in het proces-verbaal van voorgeleiding/het voorgeleidingsdossier met geen woord te reppen over bovengenoemde gang van zaken rond verdachtes aanhouding,

zodat de verdachte en zijn raadsman de mogelijkheid is onthouden om zich bij gelegenheid van die toetsing van de rechtmatigheid van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling tegenover de rechter-commissaris uit te laten omtrent de wijze waarop de verdachte is aangehouden, en

b) een veelheid aan ontlastende stukken en overige opsporingsinformatie buiten het dossier te houden, waardoor de verdachte niet de door hem voorgestane verdediging heeft kunnen voeren en aldus zijn recht op een eerlijk proces en artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) is geschonden;

5. er is gedurende de verhoren van de getuigen op het politiebureau ontoelaatbare druk op hen uitgeoefend en door de desbetreffende opsporingsambtenaren zijn wezenlijke onderdelen van die getuigenverklaringen weggehouden, met de bedoeling de werkelijke gang van zaken aan het zicht van zowel de verdediging als de rechter te onttrekken.

De voorzitter deelt vervolgens mede dat het hof de strekking en het doel van verdachtes betoog tot nu toe voldoende duidelijk is geworden en verzoekt de verdachte zijn betoog weliswaar voort te zetten, doch gaarne met betrekking tot de mogelijke inhoudelijke bezwaren die hij tegen het hem onder l en 2 tenlastegelegde heeft.

De verdachte stemt hiermee in. Hij hervat - nog steeds op zeer luide toon - zijn pleidooi vanaf circa 19:40 uur tot 20:45 uur, in welk tijdsbestek hij onder meer het woord voert met betrekking tot de betrouwbaarheid en de inhoud van de door de getuigen in deze zaak afgelegde verklaringen.

In aanvulling op zijn overgelegde aantekeningen voert de verdachte daarbij - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aan.

(...)

Ik hoor de voorzitter zeggen dat hij uit mijn verhaal begrijpt dat ik grote problemen heb met de totstandkoming van de verklaringen van de personen die een grote rol spelen in dit dossier. Dat klopt.

Ik hoor de voorzitter voorts vragen of hij uit mijn feitelijke analyses van het dossier en de manier waarop men tot mijn aanhouding is gekomen, mag concluderen dat mijn standpunt is dat ik niets met de overval in Ameide te maken heb gehad en dat men mij er ten onrechte bij wil lappen? Dat klopt. [betrokkene 1] is daar geweest met [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. Niet met mij. Twee weken eerder ben ik daar wel in de buurt geweest met wiet. Verder niet.

Het is zeer verontrustend allemaal. Het maakt mij alleen niet meer uit of u mij vrijspreekt of veroordeelt. Ik zit al 45 maanden vast. Het gaat natuurlijk sowieso hier niet eindigen.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor een korte pauze, tot 20:55 uur.

Het onderzoek wordt om 20:55 uur hervat.

De voorzitter deelt mede dat het hof vooralsnog van mening is dat de verdachte op dit moment genoegzaam de gelegenheid heeft gehad het woord tot zijn verdediging te voeren, aangezien de verdachte zowel ten aanzien van het vooronderzoek en daaraan gelieerde formele verweren als ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen zeer uitgebreid - in totaal circa viereneenhalf uur - en zonder enige restrictie het woord heeft kunnen voeren en ook heeft gevoerd. Het hof is thans dan ook van oordeel dat het de strekking en het doel van verdachtes bezwaren tegen de jegens hem geuite beschuldigingen voldoende duidelijk is geworden, in het licht van de door het hof te beantwoorden formele en materiële vragen, zoals vervat in de artikelen 348 tot en met 350 van het Wetboek van strafvordering.

De verdachte bevestigt daarop desgevraagd dat hij zich over alles wat hij van belang acht heeft kunnen uiten.

De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek, van welke gelegenheid hij geen gebruik maakt.

De voorzitter constateert vervolgens dat derhalve de verdachte de gelegenheid tot het laatste woord heeft gehad. De verdachte maakt geen bezwaar tegen deze constatering van de voorzitter.

(...)"

2.4.1. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof het verzoek van de raadsvrouwe om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich te kunnen voorbereiden op haar pleidooi, heeft afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen.

2.4.2. Het Hof heeft bij de afwijzing van dat verzoek klaarblijkelijk het belang van een voortvarende behandeling van de strafzaak laten prevaleren. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2010 onder a) tot en met d). Gelet daarop is de afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

2.5.1. Het middel klaagt blijkens de toelichting voorts dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting heeft voortgezet zonder dat de verdachte van rechtsbijstand was voorzien.

2.5.2. Het Hof heeft het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met een nieuwe advocaat afgewezen en daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2008, LJN BD7809, NJ 2008/563 met betrekking tot art. 41 Sv. Daarmee heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouwe ondanks haar tezamen met de verdachte afgelegde mededeling dat zij de verdachte niet langer ter terechtzitting terzijde stond, nog wel als toegevoegde raadsvrouwe van de verdachte had te gelden en dat de verdachte bij de voortzetting van de behandeling van de zaak ter terechtzitting op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsvrouwe. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk.

2.5.3. 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld contact op te nemen met een - nieuwe - advocaat, getuigt ook anderszins niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft immers kennelijk de omstandigheden van dit geval als zeer uitzonderlijk beschouwd en in dat licht het verzoek aangemerkt als te zijn gedaan met geen andere intentie dan om een goede rechtsgang te belemmeren. Tot die oordelen is het Hof kunnen komen, in aanmerking genomen hetgeen uit de hiervoor weergegeven processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt omtrent het zeer moeizame en langdurige procesverloop als gevolg van de wijze waarop de verdachte en op diens instigatie de achtereenvolgens optredende raadslieden zich hebben opgesteld.

2.6. Gelet op het bovenstaande alsook op de verdere gang van zaken zoals die uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2010 blijkt, is van de in het middel bedoelde schending van art. 6, derde lid onder b en c, EVRM geen sprake.

2.7. Het middel faalt.

3. Slotsom

De Advocaat-Generaal heeft wegens gegrondbevinding van het eerste middel geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Hij heeft zich niet uitgelaten over het tweede, het derde en het vijfde middel. De Hoge Raad is van oordeel dat hij daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 juni 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 juni 2012.