Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6936

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
10/02426
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grondslagverlating. Art. 184 Sr. Bij de strafbaarstelling van art. 184.1 Sr, voor zover dat het beletten, belemmeren of verijdelen van door aldaar bedoelde ambtenaren ondernomen handelingen betreft, is als vereiste opgenomen dat die handelingen “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift zijn ondernomen”. Dat brengt mee dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door, na de partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wettelijke voorschrift ter uitvoering waarvan de opsporingsambtenaren hun handelingen zouden hebben ondernomen, het feit bewezen te verklaren zonder dat daarin op enigerlei wijze is uitgedrukt dat de handelingen van de opsporingsambtenaren “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift” waren ondernomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 184
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/298
NJ 2012/117
NJB 2012/546
NBSTRAF 2012/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2012

Strafkamer

nr. S 10/02426

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 juni 2010, nummer 20/000383-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde het in art. 184, eerste lid, Sr bedoelde strafbaar feit oplevert.

3.2.1. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 13 december 2007 in de gemeente Kerkrade, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, [betrokkene 1] in het kader van artikel 564 van het Wetboek van Strafvordering had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vasthad(den), deze door die opsporingsambtena(a)r(en) ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belemmerd, door tegen voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] te duwen."

3.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op 13 december 2007 in de gemeente Kerkrade, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, [betrokkene 1] hadden aangehouden en vasthadden, deze door die opsporingsambtenaren ondernomen handelingen opzettelijk heeft belemmerd, door tegen voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] te duwen."

3.2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"1. Het proces-verbaal van aanhouding van politie regio Limburg-Zuid, district Kerkrade, met proces-verbaalnummer 2007176288-2 (doorgenummerde dossierpagina 17), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 december 2007 ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, inhoudende, als het hierna zakelijk weergegeven relaas van verbalisanten:

Op 13 december 2007 hebben wij [betrokkene 1] te Kerkrade aangehouden om reden dat deze persoon in het opsporingsbestand personen stond geregistreerd.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van politie regio Limburg-Zuid, district Kerkrade, met proces-verbaalnummer 2007176288-6 (doorgenummerde dossierpagina's 18 tot en met 22), in de wettelijke vorm opgemakt en op 13 december 2007 ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, inhoudende, als het hierna zakelijk weergegeven relaas van verbalisanten of van één van hen:

Op 13 december 2007 waren wij belast met de INCA voor de basiseenheid Kerkrade. Wij waren beiden in uniform gekleed en maakten gebruik van een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig.

Ik, [verbalisant 2], zag een Volkswagen Passat rijden en ik zag dat als bestuurder van die auto de mij ambtshalve bekende [betrokkene 1] optrad. Ik, [verbalisant 2], raadpleegde het mij beschikbaar staande bedrijfsprocessensysteem. Daaruit bleek dat het kenteken van het voertuig op naam stond van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats]. Tevens bleek dat hij een boete open had staan of inneming van het rijbewijs.

Wij gaven de bestuurder van het voertuig op de Hertogenlaan te Kerkrade een stopteken middels het stoptransparant van ons dienstvoertuig. Wij zagen dat de bestuurder hieraan voldeed, uitstapte en wegrende. Wij achtervolgden [betrokkene 1] tot in de Onze Lieve Vrouwestraat te Kerkrade, waar wij hem onder controle kregen. Teneinde te voorkomen dat [betrokkene 1] alsnog zou trachten te vluchten werden hem de transportboeien aangelegd. Wij deelden [betrokkene 1] mede dat hij gesignaleerd stond in verband met een openstaande boete en dat wij met hem naar het bureau zouden gaan om de zaak verder af te handelen. Wij liepen met de aangehouden verdachte (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: [betrokkene 1] in de richting van ons dienstvoertuig. Wij zagen dat een viertal personen in onze richting rende. Wij herkenden één van de vier personen als [verdachte], zijnde de broer van [betrokkene 1] (het hof leest: [betrokkene 1]). Wij hoorden dat [verdachte] schreeuwde dat wij de verdachte moesten loslaten en dat wij hem niet mochten aanhouden. Wij zagen dat [verdachte] en twee andere personen in onze richting bleven rennen. Wij vorderden met luide stem dat zij op afstand moesten blijven. Zij kwamen echter toch naar ons toe. Hierbij maakten zij een zeer agressieve indruk, waarbij zij tegen ons bleven schreeuwen en vloeken.

Ik, [verbalisant 1], zag dat [verdachte] op een afstand van ongeveer een meter kwam staan. Hij nam hierbij een dreigende houding aan. Wij voelden dat [betrokkene 1] trachtte zich met kracht los te rukken. Wij zagen dat onder meer [verdachte] herhaalde malen op ons afkwam en tegen ons aanduwde, kennelijk om de aangehouden verdachte te ontzetten. Wij riepen vervolgens dat zij afstand moesten houden. Wij zagen dat [verdachte] en twee andere personen in onze richting bleven komen. Hierbij schreeuwden zij dat wij de aangehouden verdachte niet hadden aan te houden. Ik, [verbalisant 1], vroeg portofonisch om assistentie in verband met het feit dat men zowel verbaal als fysiek erg agressief was. Wij hoorden dat [verdachte] schreeuwde: "Ik ga nu naar binnen en haal mijn riotgun en maak jullie af", of woorden van gelijke strekking. Wij zagen dat [verdachte] vervolgens in de richting van de [a-straat 1] liep. Vervolgens zagen wij dat [verdachte] het perceel [a-straat 1] binnenging.

3. Het proces-verbaal van verhoor van politie regio Limburg-Zuid, district Kerkrade, met proces-verbaalnummer 2007176288-10 (doorgenummerde dossierpagina's 48 tot en met 50), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 december 2007 ondertekend door [verbalisant 3], brigadier van politie, inhoudende, als de tegenover verbalisant afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van [verdachte] (verdachte):

Mijn ouders wonen op de [a-straat 1] te Kerkrade. Ik was (het hof leest in: vandaag) bij mijn ouders in de woning aanwezig toen ik geschreeuw hoorde aan de voordeur. Ik ben naar buiten gegaan en zag dat de politie aan kwam lopen, samen met mijn broertje. Mijn broertje was geboeid. Mijn broertje mag niet worden aangehouden. Bij de aanhouding van mijn broertje heb ik flink gescholden en ik weet dat ik weer naar binnen ben gegaan."

3.2.4. Voorts heeft het Hof nog het volgende overwogen:

"Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit komt het hof niet tot algehele vrijspraak van de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde. Evenals de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof geconstateerd dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat inmiddels de exacte openstaande boete(s), ter zake waarvan [betrokkene 1] op 13 decemeber 2007 stond gesingnaleerd toen hij door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] werd aangehouden, niet meer kan/kunnen worden achterhaald. Daardoor kan inderdaad niet worden bewezen dat genoemde verbalisanten [betrokkene 1] hadden aangehouden in het kader van artikel 564 van het Wetboek van Strafvordering, te weten krachtens een last tot tenuitvoerlegging van een bevel tot vrijheidsbeneming of een veroordelend vonnis of arrest. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Voor het overige acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wel bewezen. Naar het oordeel van het hof staat op grond van proces-verbaal van aanhouding van [betrokkene 1]d d.d. 13 december 2007 (dossierpagina 17) en het proces-verbaal van bevindingen van de hiervoor genoemde verbalisanten d.d. 13 december 2007 (dossierpagina's 18 tot en met 22) vast dat [betrokkene 1] destijds in het opsporingsbestand personen gesignaleerd stond ter zake van een openstaande boete of inneming van het rijbewijs. Gelet hierop acht het hof genoegzaam bewezen dat genoemde verbalisanten met aanhouding van [betrokkene 1] handelden ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, zoals bedoeld in art 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht."

3.3. De tenlastelegging is toegesneden op art 184, eerste lid, Sr. Art. 184, eerste lid, Sr luidt als volgt:

"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

3.4. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren".

3.5. Bij de strafbaarstelling van art. 184, eerste lid, Sr, voor zover dat het beletten, belemmeren of verijdelen van door aldaar bedoelde ambtenaren ondernomen handelingen betreft, is als vereiste opgenomen dat die handelingen "ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift" zijn ondernomen.

Dat brengt mee dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door, na de partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wettelijke voorschrift ter uitvoering waarvan de opsporingsambtenaren hun handelingen zouden hebben ondernomen, het feit bewezen te verklaren zonder dat daarin op enigerlei wijze is uitgedrukt dat de handelingen van de opsporingsambtenaren "ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift" waren ondernomen.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 7 februari 2012.