Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6913

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/01741
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6913
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 344a Sv: verklaring anonieme getuige als bewijsmiddel. 1. Ingevolge art. 360.1 en 360.4 Sv moet de rechter het gebruik van de verklaring van een anonieme getuige (als bedoeld in art. 344a.3 Sv) als bewijsmiddel op straffe van nietigheid nader motiveren. De rechter die in dat kader moet beoordelen of aan de in art. 344a.3.b Sv bedoelde voorwaarde is voldaan, moet nagaan of door de verdachte de wens te kennen is gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen. Daartoe komt niet in aanmerking een verzoek buiten het verband van de terechtzitting dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg gedaan dat niet in hoger beroep uitdrukkelijk is herhaald. Opmerking verdient dat dit oordeel aansluit bij de aan het zogenoemde voortbouwend appel van art. 415.2 Sv, zoals dat is ingevoerd bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) ten grondslag liggende gedachte dat de appelrechter zich bij de behandeling van de zaak kan concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers bij het instellen van het hoger beroep zijn kenbaar gemaakt en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is in zoverre tevergeefs voorgesteld. 2. In strijd met art. 360.1 Sv heeft het Hof nagelaten het gebruik van de verklaring van de anonieme getuigen als bewijsmiddel nader te motiveren (vgl. HR LJN ZD1460). De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 344a
Wetboek van Strafvordering 360
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 233
NBSTRAF 2012/233
RvdW 2012/621
NJB 2012/1117
NJ 2012/413

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/01741

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2009, nummer 23/001211-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van feit 1 en de opgelegde sancties, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof de bewezenverklaring onder 1 ten onrechte mede heeft gebaseerd op schriftelijke bescheiden inhoudende verklaringen van een persoon wiens identiteit niet blijkt.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 24 juli 2008 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk en wederrechtelijk

- een personenauto (merk: Volvo, type V40, kenteken [AA-00-BB]), geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of

- een bedrijfsauto (merk: Jeep, type: Cherokee, kenteken: [CC-00-DD]), geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft beschadigd, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) meermalen tegen die personenauto en/of die bedrijfsauto geschopt/getrapt."

2.3. Het middel doelt op de bewijsmiddelen 2 en 5, die in de aanvulling op het verkorte arrest als volgt zijn weergegeven:

"2. Een proces-verbaal van 25 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijden 8 en 9) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

De verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], is op 24 juli 2008 te 23.35 uur op de IJmuiderslag te IJmuiden aangehouden.

Op 24 juli 2008, omstreeks 23.27 uur, werd door de meldkamer gemeld dat er op de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen, zojuist door een man op een fiets verschillende personenauto's waren vernield. Een getuige had gezien dat het om een man ging met een witte handdoek om zijn nek. Volgens die getuige zou de man erg dronken zijn. Wij, verbalisanten, waren om 23.32 uur ter plaatste en troffen een man aan die voldeed aan het opgegeven signalement. De man was zeer onvast ter been en zijn adem riekte sterk naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank.

5. Een proces-verbaal van 25 juli 2008, opgemaakt door [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (doorgenummerde bladzijde 15) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2008 te 23.45 uur tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van een anonieme getuige:

Ik zat op een terras aan de IJmuiderslag te IJmuiden, gemeente Velsen. Ik zag een man met de fiets over de IJmuiderslag rijden. Ik zag dat de man viel, opstond en naar de aldaar geparkeerd staan auto's toeliep. Ik zag dat de man meerdere malen tegen de geparkeerd staande auto aantrapte. Ik zag dat de man daarna naar de daarnaast geparkeerde auto liep. Ik zag dat de man ook meerdere keren tegen de linker zijkant van die auto aan trapte. Ik zag dat de man met de mountainbike was, dat hij donkere kleding droeg en een witte handdoek om zijn nek had. Ik heb gezien dat er schade was aan beide auto's."

2.4. Deze bewijsmiddelen moeten worden aangemerkt als schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Die bepaling luidt als volgt:

"Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en

b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen."

2.5.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt in dat de verdediging aldaar heeft verzocht de in de bewijsmiddelen 2 en 5 bedoelde persoon als getuige op te roepen. Het vonnis van de Politierechter is aangetekend in dat proces-verbaal. Blijkens die aantekening heeft de Politierechter dat verzoek afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en ook zijn raadsman aanwezig was. Het proces-verbaal houdt niet in dat de raadsman van de verdachte ook toen heeft verzocht de hiervoor bedoelde persoon als getuige op te roepen, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan.

2.5.2. Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 344a, derde lid, Sv in het onderhavige geval in de weg staat aan het gebruik van bedoelde schriftelijke bescheiden voor het bewijs. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend.

2.5.3. Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv op straffe van nietigheid nader te motiveren. De rechter die in dit kader moet beoordelen of aan de in art. 344a, derde lid onder b, Sv bedoelde voorwaarde is voldaan, dient na te gaan of door of namens de verdachte de wens te kennen is gegeven om de persoon als bedoeld in de aanhef van art. 344a, derde lid, Sv te ondervragen of te doen ondervragen. Als zodanig komt niet in aanmerking een daartoe buiten het verband van de terechtzitting dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg gedaan verzoek dat in hoger beroep niet uitdrukkelijk is herhaald.

2.5.4. Opmerking verdient dat dit oordeel aansluit bij de aan het zogenoemde voortbouwend appel van art. 415, tweede lid, Sv, zoals dat is ingevoerd bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) ten grondslag liggende gedachte dat de appelrechter zich bij de behandeling van de zaak kan concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers bij het instellen van het hoger beroep zijn kenbaar gemaakt en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen.

2.5.5. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof voor het bewijs van de bewezenverklaring onder 1 gebruik heeft gemaakt van schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt, zonder dat gebruik naar de eis der wet te motiveren.

3.2. Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak zou moeten volgen, nu sprake is van de verklaring van één anonieme getuige en steunbewijs ontbreekt.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Een anonieme getuige heeft de politie gebeld en vervolgens aan de politie verklaard dat hij op 24 juli 2008 op de IJmuiderslag te IJmuiden een man tegen geparkeerd staande auto's heeft zien trappen, waarbij de getuige heeft gezien dat aan beide auto's schade ontstond. De getuige heeft verklaard dat hij zag dat de man met een mountainbike was, donkerre kleding droeg en dat hij een witte handdoek om zijn nek had. De politie ontving de melding van de getuige omstreeks 23.27 uur.

Het hof is van oordeel dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in de aangiftes die door eigenaren van aldaar geparkeerd staande auto's zijn gedaan, mede gelet op de in die aangiftes gerelateerde schade - waarvan ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto's - en in het opgegeven signalement, waaraan de verdachte volgens het proces-verbaal van politie voldeed. Ook de verdachte zelf heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op die dag op de IJmuiderslag in IJmuiden is geweest met zijn mountainbike en dat hij een zwarte korte broek en een zwart t-shirt droeg. De politie heeft de verdachte omstreeks 23.35 uur bij de IJmuiderslag te IJmuiden aangehouden. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van de anonieme getuige bruikbaar voor het bewijs en acht het het onder 1. tenlastegelegde bewezen."

3.3. Het Hof heeft in strijd met art. 360, eerste lid, Sv nagelaten het gebruik van de onder 2.3 bedoelde bewijsmiddelen nader te motiveren (vgl. HR 11 mei 1999, LJN ZD1460, NJ 1999/526). De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, waaronder begrepen de beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 april 2012.