Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6508

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
11/02138
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6508
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BV2342, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Buitengerechtelijke vernietiging; art. 1:89 BW. Verjaring vernietigingsbevoegdheid; art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, en lid 2 BW. Verjaringstermijn loopt vanaf tijdstip waarop ‘andere’ echtgenoot met de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden; stelplicht en bewijslast rusten op bank. Door bank bepleite objectivering van eis van daadwerkelijke bekendheid, vindt geen steun in het recht; ook in gevallen als de onderhavige telkens concrete beoordeling van subjectieve bekendheid vereist. Kenbaarheid in beginsel af te leiden uit aan beide echtgenoten gerichte bankafschriften van “en/of”-rekening waarop betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten staan vermeld. Aanbod tot leveren tegenbewijs ten onrechte gepasseerd; stellingen betreffen relevante omstandigheden van subjectieve aard. Oordeel dat stellingen “weinig geloofwaardig” zijn, geen grond om bewijsaanbod te passeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/323
RAV 2012/47
NJB 2012/538
RCR 2012/32
JWB 2012/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2012

Eerste Kamer

11/02138

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

DEXIA NEDERLAND B.V., voorheen Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Dexia.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 846822 DX EXPL 07-346 van de kantonrechter te Amsterdam van 9 april 2008 en 15 oktober 2008;

b. het arrest in de zaak 200.023.023/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 14 december 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Dexia heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor Dexia is de zaak toegelicht door mr. R.M. Hermans, mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk en mr. J.E. Soeharno, allen advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principale beroep.

Namens Dexia heeft mr. R.M. Hermans bij brief van 9 december 2011 op die conclusie gereageerd. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 23 december 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende.

[Eiser] is in november 1999 en in juli 2001 een overeenkomst tot effectenlease aangegaan met (een rechtsvoorgangster van) Dexia. De leasesom bedroeg € 5.027,-- respectievelijk € 27.477,06 en over het geleende bedrag was rente verschuldigd. De overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. Er werd (eveneens in november 1999 respectievelijk juli 2001) € 1.828,20 respectievelijk € 4.364,64 vooruit betaald.

Beide overeenkomsten zijn in 2004 geëindigd met een schuld van [eiser] aan Dexia, die [eiser] onbetaald heeft gelaten.

Bij het aangaan van deze leaseovereenkomsten was [eiser] gehuwd met [betrokkene 1]. Bij brief van 9 december 2004 heeft [betrokkene 1] met een beroep op art. 1:89 BW de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd, althans vernietiging in rechte aangekondigd.

3.2.1 [Eiser] heeft Dexia gedagvaard voor de kantonrechter en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomsten zijn of worden vernietigd, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen in het kader van de onderhavige overeenkomsten aan Dexia is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente.

Dexia heeft zich ten verwere onder meer erop beroepen dat de bevoegdheid van [betrokkene 1] zich op de vernietigbaarheid te beroepen was verjaard op de voet van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, in verbinding met lid 2 BW. Dexia heeft in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van € 10.908,84, zijnde het resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekeningen, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.2 De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van [eiser] afgewezen. In reconventie is [eiser] veroordeeld om aan Dexia ter zake van de beide leaseovereenkomsten een bedrag van € 293,30 respectievelijk € 3.692,84 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het beroep van Dexia op verjaring werd gehonoreerd.

3.3.1 Op het door [eiser] ingestelde hoger beroep en het door Dexia ingestelde incidenteel hoger beroep, heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

3.3.2 Met betrekking tot de grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bevoegdheid van [betrokkene 1] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten was verjaard, heeft het hof het volgende, samengevat weergegeven, overwogen.

De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Voor de aanvang van de verjaringstermijn is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. (rov. 4.7)

De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op deze vernietigingsgrond heeft gedaan. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd - onder meer - dat bedragen die [eiser] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [eiser] en [betrokkene 1] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten "en/of"-rekening). Het bestaan van de leaseovereenkomsten was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [betrokkene 1] waren gericht. Deze feiten wettigen de gevolgtrekking dat [betrokkene 1] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was. Gelet op de data van de bankafschriften van de desbetreffende betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten, was dit in of omstreeks november 1999 en juli 2001, dus meer dan drie jaar voordat [betrokkene 1] een beroep op de vernietigingsgrond heeft gedaan. (rov. 4.10)

[Eiser] heeft het bovenstaande vrijwel uitsluitend getracht te weerleggen met de stelling dat [betrokkene 1] (ook) een eigen bankrekening heeft waarop zij haar loon ontvangt en dat de "en/of"-rekening vanaf welke de aan Dexia verschuldigde bedragen werden betaald oorspronkelijk alleen op naam van [eiser] was gesteld, dat [eiser] in het door [eiser] en [betrokkene 1] gevoerde huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [betrokkene 1] pas in juli 2004 bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten door een mededeling daarover van [eiser]. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [betrokkene 1] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming, op de datum van de brief nog niet was verjaard. Dat [betrokkene 1] vanaf de totstandkoming van de leaseovereenkomsten tot juli 2004 geen kennis heeft genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [eiser] en haarzelf waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, is, nu die rekening op beider naam was gesteld en die afschriften mede aan [betrokkene 1] waren gericht, evenwel dusdanig weinig geloofwaardig dat [eiser] hiermee onvoldoende heeft betwist dat [betrokkene 1] door de betrokken bankafschriften met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep heeft gedaan op de vernietigingsgrond. (rov. 4.11)

Dit wordt niet anders door de stelling van [eiser] dat [betrokkene 1] ook een andere bankrekening heeft dan de rekening vanaf welke de betalingen aan Dexia werden gedaan, dat de verschuldigde rentetermijnen in één keer bij aanvang van de leaseovereenkomsten in november 1999 respectievelijk juli 2001 vooruit zijn betaald, waardoor er per leaseovereenkomst maar één bankafschrift is waarop valt te zien dat er een bedrag ten behoeve van de leaseovereenkomst is afgeschreven en dat [eiser] in hun huishouden de financiële zaken verzorgde, omdat deze stellingen onverlet laten dat de twee bankafschriften waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, mede aan [betrokkene 1] waren gericht en dat weinig geloofwaardig is, mede nu het om substantiële afschrijvingen gaat, dat zij hiervan geen kennis heeft genomen. Het had daarom, ter onderbouwing van de betwisting van de gestelde bekendheid, op de weg van [eiser] gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat [betrokkene 1], in weerwil van het voorgaande, niet met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op de vernietigingsgrond heeft gedaan. Dit heeft [eiser] nagelaten, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] daarmee toen al wel bekend was en, dus, dat haar bevoegdheid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen door de meerbedoelde brief. Voor bewijslevering zoals door [eiser] aangeboden is dan geen plaats meer. (rov. 4.12)

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep en van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

4.1.1 Het middel in het principale beroep komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10-4.12. Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep keert zich met een rechtsklacht tegen deze overwegingen.

4.1.2 Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de termijn van de verjaring van de rechtsvordering van [betrokkene 1] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten op grond van het ontbreken van toestemming, is gaan lopen vanaf het tijdstip waarop zij met de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden, en dat op Dexia de stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast rust van de feiten waaruit haar bekendheid kan worden afgeleid.

4.1.3 Het hof heeft, anders dan in het middel in het principale beroep wordt aangevoerd, kunnen aannemen dat Dexia aan haar stelplicht heeft voldaan doordat zij onweersproken heeft aangevoerd dat de (substantiële) bedragen die [eiser] uit hoofde van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf de "en/of"-rekening van [eiser] en [betrokkene 1], zodat het bestaan van die overeenkomsten kenbaar was uit de desbetreffende, mede aan [betrokkene 1] gerichte, bankafschriften. Daarmee heeft het hof niet reeds geoordeeld dat [betrokkene 1] kennis heeft genomen van de bankafschriften of wist van die transacties, doch alleen - niet onbegrijpelijk en zonder dat dit nadere motivering behoefde - geoordeeld dat de door Dexia gestelde feiten in beginsel de gevolgtrekking wettigen dat [betrokkene 1] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld, bekend was met de betrokken overeenkomst en dat het vervolgens aan [eiser] is die stellingen gemotiveerd te betwisten. In zoverre is het middel in het principale beroep tevergeefs voorgesteld.

4.1.4 [Eiser] heeft de bedoelde stellingen van Dexia betwist. Het hof heeft die betwisting onvoldoende gemotiveerd geacht en geoordeeld dat het op de weg van [eiser] had gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat [betrokkene 1] niet met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op deze vernietigingsgrond heeft gedaan.

4.1.5 Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep, dat in dit opzicht van de verste strekking is, klaagt dat het hof in de genoemde overwegingen ten onrechte slechts de eis stelt dat concrete nadere omstandigheden hadden moeten worden aangewezen.

Ter toelichting heeft Dexia het volgende aangevoerd. Met het oog op een praktische afdoening buiten rechte van duizenden met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken moet de eis van daadwerkelijke bekendheid zodanig worden geobjectiveerd, dat alleen dan van verjaring geen sprake is als de echtgenote van de ontvangen bankafschriften aantoonbaar geen kennis heeft kunnen nemen, bijvoorbeeld omdat de echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden of de echtgenote in het buitenland woonde. Zonder dergelijke ten verwere aangevoerde bijzondere omstandigheden - als hoedanig in ieder geval niet kan gelden dat de echtgenote met de overeenkomst onbekend is omdat zij in het huishouden niets met de financiële zaken te maken heeft - zou zonder tegenbewijs moeten vaststaan dat ingeval de verschuldigde betalingen zijn gedaan vanaf de "en/of"-rekening van de afnemer en zijn echtgenote en de bankafschriften mede aan de echtgenote zijn gericht, de echtgenote vanaf het moment van ontvangst van het oudste bankafschrift met het bestaan van de overeenkomst daadwerkelijk bekend was, aldus Dexia.

Het standpunt dat de eis van daadwerkelijke bekendheid in gevallen als de onderhavige kan worden "geobjectiveerd" op de wijze als door Dexia bepleit, vindt geen steun in het recht. Aanvaarding van dat standpunt zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de ook hier telkens vereiste concrete beoordeling van de subjectieve bekendheid met de overeenkomsten en zou miskennen dat het beheer van de financiën van echtgenoten op uiteenlopende wijzen kan zijn geregeld.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

4.1.6 [Eiser] heeft zijn betwisting erop gebaseerd dat [betrokkene 1] (ook) een eigen bankrekening heeft waarop zij haar loon ontvangt, dat de "en/of"-rekening vanaf welke de aan Dexia verschuldigde bedragen werden betaald oorspronkelijk alleen op naam van [eiser] was gesteld, dat [eiser] in het door [eiser] en [betrokkene 1] gevoerde huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [betrokkene 1] pas in juli 2004 bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten door een mededeling daarover van [eiser]. [Eiser] heeft aangeboden hiervan bewijs te leveren.

Het hof heeft [eiser] niet toegelaten tot bewijslevering op de grond dat hij de gestelde bekendheid met de leaseovereenkomsten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Aldus heeft het hof miskend dat het [eiser] ingevolge art. 151 lid 2 Rv. vrijstaat tegenbewijs te leveren en dat zijn desbetreffende stellingen betrekking hebben op, voor de beslissing van de zaak relevante, omstandigheden van subjectieve aard, die ook zonder nadere feitelijke gegevens de stelling kunnen dragen dat [betrokkene 1] niet reeds meer dan drie jaren voor juli 2004 bekend was met de overeenkomsten. Het oordeel van het hof dat "weinig geloofwaardig" is dat [betrokkene 2] van de naar het adres van de echtelijke woning gezonden bankafschriften van de "en/of"-rekening geen kennis heeft genomen, kan geen grond vormen om voorbij te gaan aan het bewijsaanbod, dat (mede) ertoe strekt de juistheid van dat feit te bewijzen, omdat een bewijsaanbod niet kan worden gepasseerd op grond van een prognose van de uitkomst van de bewijslevering.

In zoverre slaagt het middel in het principale beroep.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 14 december 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter, vice-president W.A.M. van Schendel, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 17 februari 2012.