Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6506

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
11/02137
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6506
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0845, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2013:1327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Buitengerechtelijke vernietiging; art. 1:89 BW. Beroep op vernietigingsgrond als verweer tegen vordering bank; art. 3:51 lid 3 BW. Verjaring vernietigingsbevoegdheid; art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, en lid 2 BW. Het in art. 3:51 lid 3 bedoelde beroep kan alleen door ‘andere’ echtgenoot worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende, mede jegens deze echtgenoot gerichte, vordering. Deze ‘andere’ echtgenoot is bij onderhavige overeenkomsten evenwel geen partij en kan zich uit dien hoofde niet op grond van art. 3:51 lid 3 tegen vordering bank verweren. Verjaringstermijn loopt vanaf tijdstip waarop ‘andere’ echtgenoot met de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden; stelplicht en bewijslast rusten op bank. Door bank bepleite objectivering van eis van daadwerkelijke bekendheid, vindt geen steun in het recht; ook in gevallen als de onderhavige telkens concrete beoordeling van subjectieve bekendheid vereist. Kenbaarheid in beginsel af te leiden uit aan beide echtgenoten gerichte bankafschriften van “en/of”-rekening waarop betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten staan vermeld. Aanbod tot leveren tegenbewijs ten onrechte gepasseerd; stellingen betreffen relevante omstandigheden van subjectieve aard. Oordeel dat stellingen “weinig geloofwaardig” zijn, geen grond om bewijsaanbod te passeren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 51
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 151
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/319
NJB 2012/537
RCR 2012/31
JONDR 2012/487
JWB 2012/99
NJ 2016/195 met annotatie van C.E. du Perron
JPF 2012/66
JOR 2012/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2012

Eerste Kamer

11/02137

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

DEXIA NEDERLAND B.V., voorheen Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER, in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig.

Eisers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2], en gezamenlijk als [eiser] c.s. en verweerster als Dexia.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 846791 DX EXPL 07-333 van de kantonrechter te Amsterdam van 27 februari 2008 en 18 juni 2008;

b. de arresten in de zaak 200.017.646/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2010 (tussenarrest) en 7 december 2010 (eindarrest).

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Dexia heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat en de zaak is voor Dexia toegelicht door mr. R.M. Hermans, mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk en mr. J.E. Soeharno.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principale beroep.

Namens Dexia heeft mr. R.M. Hermans bij brief van 9 december 2011 op die conclusie gereageerd. De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 23 december 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende.

[Eiser 1] en [eiseres 2] zijn echtgenoten.

[Eiser 1] is in september 2000 in totaal drie overeenkomsten tot effectenlease aangegaan met (een rechtsvoorgangster van) Dexia. De leasesom bedroeg steeds € 49.641,72 en over het geleende bedrag was rente verschuldigd. De overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. Per overeenkomst werd (eveneens in september 2000) € 7.419,60 vooruit betaald; de vooruitbetalingen zien op de termijnen 1 tot en met 36. De drie overeenkomsten zijn in mei 2005 geëindigd met een schuld van [eiser 1] aan Dexia, die [eiser 1] onbetaald heeft gelaten. Bij brief van 7 december 2004 heeft [eiseres 2] met een beroep op art. 1:89 BW de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd, althans vernietiging in rechte aangekondigd.

3.2.1 [Eiser 1] heeft Dexia gedagvaard voor de kantonrechter en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomsten zijn of worden vernietigd, althans dat Dexia jegens [eiser 1] is tekortgeschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld, telkens met veroordeling van Dexia tot betaling van de in de inleidende dagvaarding vermelde bedragen met rente.

Dexia heeft zich ten verwere onder meer erop beroepen dat de bevoegdheid van [eiseres 2] zich op de vernietigbaarheid te beroepen was verjaard op de voet van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, in verbinding met lid 2 BW. Dexia heeft in reconventie gevorderd [eiser 1] te veroordelen tot betaling van € 55.069,65, zijnde het resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekeningen, met rente.

[Eiseres 2] heeft een incidentele vordering tot voeging in het geding aan de zijde van [eiser 1] ingesteld teneinde zich op grond van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW in verbinding met art. 3:51 lid 3 BW te verweren tegen de door Dexia jegens [eiser 1] ingestelde vordering.

3.2.2 De kantonrechter heeft de incidentele vordering van [eiseres 2] tot voeging afgewezen. Het beroep van Dexia op verjaring werd gehonoreerd. De kantonrechter heeft in conventie de door [eiser 1] gevorderde verklaring voor recht afgewezen en in reconventie [eiser 1] veroordeeld om aan Dexia een bedrag van € 637,20 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.1 Op het door [eiser] c.s. ingestelde principaal hoger beroep en het door Dexia ingestelde incidenteel appel, heeft het hof bij eindarrest het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

3.3.2 Het hof heeft de grief van [eiser] c.s. tegen de afwijzing door de kantonrechter van de incidentele vordering verworpen in rov. 4.8. Deze overweging luidt:

"De grief miskent allereerst dat de vordering van Dexia tot betaling van de restschulden niet tegen [eiseres 2], maar tegen [eiser 1] is ingesteld. Tegen [eiseres 2] is derhalve geen, aan de leaseovereenkomsten ontleende, vordering ingesteld die zij met een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming zou kunnen afweren. [Eiseres 2] kan niet met een beroep op de vernietigingsgrond de tegen [eiser 1] ingestelde vordering afweren: een beroep in rechte op een vernietigingsgrond ter afwering van een op de betrokken rechtshandeling steunende vordering kan in beginsel alleen worden gedaan door degene tegen wie de vordering is ingesteld, hier [eiser 1], mits hem dat beroep toekomt. Art. 3:51 lid 3 BW maakt dit niet anders. Aan de voorwaarde dat [eiser 1] een beroep op de vernietigingsgrond toekomt, is niet voldaan: krachtens art. 1:89 lid 1 BW was uitsluitend [eiseres 2] - als niet bij de leaseovereenkomsten partij zijnde echtgenoot - bevoegd de overeenkomst te vernietigen. Uit het voorgaande volgt dat [eiser 1] niet door een beroep in dit geding van [eiseres 2] op de haar toekomende vernietigingsgrond kan worden bevrijd van de restschulden. [Eiseres 2] heeft dus geen belang bij de vordering tot voeging, zodat de kantonrechter die vordering terecht heeft afgewezen en de grief tevergeefs is voorgesteld."

3.3.3 Met betrekking tot de grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bevoegdheid van [eiseres 2] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten was verjaard toen zij deze uitoefende, heeft het hof het volgende, samengevat weergegeven, overwogen.

De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Voor de aanvang van de verjaringstermijn is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden.

(rov. 4.10)

De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op deze vernietigingsgrond heeft gedaan. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd - onder meer - dat bedragen die [eiser 1] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [eiser 1] en [eiseres 2] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten "en/of"-rekening).

Het bestaan van de leaseovereenkomsten was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [eiseres 2] waren gericht. Deze feiten wettigen de gevolgtrekking dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was. Gelet op de data waarop de desbetreffende betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten hebben plaatsgevonden, was dit in of omstreeks september 2000, dus meer dan drie jaar voordat [eiseres 2] door haar brief van 7 december 2004 een beroep op de vernietigingsgrond heeft gedaan. (rov. 4.11)

[Eiser] c.s. hebben het bovenstaande vrijwel uitsluitend getracht te weerleggen met de stelling dat [eiser 1] in het door [eiser] c.s. gevoerde huishouden de financiële zaken verzorgde, waaronder het beheer van de hierboven bedoelde "en/of"-rekening, dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had en geen kennis heeft genomen van de betrokken bankafschriften en dat zij dus niet door die afschriften bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten. Verder heeft [eiser 1] de bedoelde bekendheid van [eiseres 2] getracht te weerleggen met de stelling dat verschuldigde rente op grond van de leaseovereenkomsten vooruit is betaald en dat [eiseres 2] niet uit een enkel bankafschrift in of omstreeks september 2000 met het bestaan van de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden. Dit zou volgens hen meebrengen dat de bevoegdheid van [eiseres 2] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten op de datum van de brief nog niet was verjaard. Dat [eiseres 2] vanaf de totstandkoming van de leaseovereenkomsten in september 2000 geen kennis heeft genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [eiser 1] en haarzelf waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, is, nu die rekening op beider naam was gesteld en die afschriften mede aan [eiseres 2] waren gericht, evenwel dusdanig weinig geloofwaardig dat [eiser 1] en [eiseres 2] hiermee onvoldoende hebben betwist dat laatstgenoemde door het oudste van de betrokken bankafschriften - en in ieder geval meer dan drie jaar voor 7 december 2004 - met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, ook indien slechts sprake was van een enkel bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, die betalingen elk van substantiële omvang zijn geweest (te weten drie maal € 7.419,60) zodat niet aannemelijk is dat deze aan de aandacht van [eiseres 2] zijn ontsnapt. (rov. 4.12)

Dit wordt niet anders door de stelling van [eiser] c.s. dat [eiser 1] in hun huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had, omdat deze stelling, ook indien juist, onverlet laat dat het bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten is vermeld, mede aan [eiseres 2] was gericht en dat weinig geloofwaardig is dat zij hiervan geen kennis heeft genomen. Het had daarom, ter onderbouwing van hun betwisting van de gestelde bekendheid, op de weg van [eiser] c.s. gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat [eiseres 2], in weerwil van het voorgaande, niet met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op deze vernietigingsgrond heeft gedaan. Dit hebben [eiser] c.s. nagelaten, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiseres 2] daarmee toen al wel bekend was en, dus, dat haar bevoegdheid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen door de meerbedoelde brief. Voor bewijslevering zoals door [eiser] c.s. aangeboden is dan geen plaats meer. (rov. 4.13)

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep en van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

4.1.1 Onderdeel 2 van het middel in het principale beroep richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8. Het stelt de vraag aan de orde of [eiser 1] zich op grond van art. 3:51 lid 3 BW tegen de vordering van Dexia uit hoofde van de met hem aangegane leaseovereenkomsten in rechte kan verweren met een beroep op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW ook ingeval die aan [eiseres 2] toekomende vordering tot vernietiging is verjaard, althans ingeval [eiseres 2] zich op deze vernietigingsgrond beroept als gevoegde partij.

4.1.2 Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

De bevoegdheid tot vernietiging als bedoeld in art. 1:89 lid 1 komt uitsluitend toe aan [eiseres 2]. Het in art. 3:51 lid 3 bedoelde beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan alleen door laatstgenoemde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende, (mede) tegen haar gerichte, vordering.

De onderhavige vordering van Dexia steunt op de leaseovereenkomsten waarbij enkel [eiser 1] partij is. [Eiseres 2] is bij die overeenkomsten geen partij en kan zich uit dien hoofde niet op grond van art. 3:51 lid 3 tegen de vordering van Dexia verweren met een beroep op vernietiging van die overeenkomsten.

[Eiser 1] kan geen beroep doen op de in art. 1:89 lid 1 in verbinding met art. 1:88 BW vermelde vernietigingsgrond; hem komt om die reden ter afwering van de vordering geen beroep toe op een op die grond gebaseerde vernietiging van de overeenkomsten. Is de vordering tot vernietiging van [eiseres 2] verjaard, dan is ook vernietiging op grond van het ontbreken van de door art. 1:88 vereiste toestemming door een buitengerechtelijke verklaring niet meer mogelijk (art. 3:52 lid 2 BW).

Het vorenstaande brengt mee dat [eiseres 2] belang mist bij de vordering tot voeging teneinde zich op de voet van art. 3:51 lid 3 in verbinding met art. 1:88 te verweren tegen de vordering van Dexia.

Het oordeel van het hof is dus juist. De klachten van het onderdeel zijn tevergeefs voorgesteld.

4.2.1 Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.11-4.13.

Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep keert zich met een rechtsklacht tegen deze overwegingen.

4.2.2 Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de termijn van de verjaring van de rechtsvordering van [eiseres 2] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten op grond van het ontbreken van toestemming, is gaan lopen vanaf het tijdstip waarop zij met de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden, en dat op Dexia de stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast rust van de feiten waaruit haar bekendheid kan worden afgeleid.

4.2.3 Het hof heeft, anders dan in onderdeel 1 van het middel in het principale beroep wordt aangevoerd, kunnen aannemen dat Dexia aan haar stelplicht heeft voldaan doordat zij onweersproken heeft aangevoerd dat de (substantiële) bedragen die [eiser 1] uit hoofde van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf de "en/of"-rekening van [eiser] c.s., zodat het bestaan van die overeenkomsten kenbaar was uit de desbetreffende, mede aan [eiseres 2] gerichte, bankafschriften. Daarmee heeft het hof niet reeds geoordeeld dat [eiseres 2] kennis heeft genomen van de bankafschriften of wist van die transacties, doch alleen - niet onbegrijpelijk en zonder dat dit nadere motivering behoefde - geoordeeld dat de door Dexia gestelde feiten in beginsel de gevolgtrekking wettigen dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld, bekend was met de betrokken overeenkomst en dat het vervolgens aan [eiser] c.s. is die stellingen gemotiveerd te betwisten. In zoverre is het onderdeel tevergeefs voorgesteld.

4.2.4 [Eiser] c.s. hebben de bedoelde stellingen van Dexia betwist. Het hof heeft die betwisting onvoldoende gemotiveerd geacht en geoordeeld dat het op de weg van [eiser] c.s. had gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat [eiseres 2] niet met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij een beroep op deze vernietigingsgrond heeft gedaan.

4.2.5 Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep, dat in dit opzicht van de verste strekking is, klaagt dat het hof in de genoemde overwegingen ten onrechte slechts de eis stelt dat concrete nadere omstandigheden hadden moeten worden aangewezen.

Ter toelichting heeft Dexia het volgende aangevoerd. Met het oog op een praktische afdoening buiten rechte van duizenden met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken moet de eis van daadwerkelijke bekendheid zodanig worden geobjectiveerd, dat alleen dan van verjaring geen sprake is als de echtgenote van de ontvangen bankafschriften aantoonbaar geen kennis heeft kunnen nemen, bijvoorbeeld omdat de echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden of de echtgenote in het buitenland woonde. Zonder dergelijke ten verwere aangevoerde bijzondere omstandigheden - als hoedanig in ieder geval niet kan gelden dat de echtgenote met de overeenkomst onbekend is omdat zij in het huishouden niets met de financiële zaken te maken heeft - zou zonder tegenbewijs moeten vaststaan dat ingeval de verschuldigde betalingen zijn gedaan vanaf de "en/of"-rekening van de afnemer en zijn echtgenote en de bankafschriften mede aan de echtgenote zijn gericht, de echtgenote vanaf het moment van ontvangst van het oudste bankafschrift met het bestaan van de overeenkomst daadwerkelijk bekend was, aldus Dexia.

Het standpunt dat de eis van daadwerkelijke bekendheid in gevallen als de onderhavige kan worden "geobjectiveerd" op de wijze als door Dexia bepleit, vindt geen steun in het recht. Aanvaarding van dat standpunt zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de ook hier telkens vereiste concrete beoordeling van de subjectieve bekendheid met de overeenkomsten en zou miskennen dat het beheer van de financiën van echtgenoten op uiteenlopende wijzen kan zijn geregeld.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

4.2.6 [Eiser] c.s. hebben hun betwisting van de stellingen van Dexia in het bijzonder daarop gebaseerd dat [eiseres 2] met de leaseovereenkomsten niet bekend was, omdat zij in het huishouden met de financiële zaken geen bemoeienis had en geen kennis heeft genomen van de desbetreffende bankafschriften. Zij hebben aangeboden hiervan bewijs te leveren.

Het hof heeft [eiser] c.s. niet toegelaten tot bewijslevering op de grond dat zij de gestelde bekendheid met de leaseovereenkomsten onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Aldus heeft het hof miskend dat het [eiser] c.s. ingevolge art. 151 lid 2 Rv. vrijstaat tegenbewijs te leveren en dat hun desbetreffende stellingen betrekking hebben op, voor de beslissing van de zaak relevante, omstandigheden van subjectieve aard, die ook zonder nadere feitelijke gegevens de stelling kunnen dragen dat [eiseres 2] niet reeds meer dan drie jaren voor 7 december 2004 bekend was met de overeenkomsten.

Het oordeel van het hof dat "weinig geloofwaardig" is dat [eiseres 2] van de naar het adres van de echtelijke woning gezonden bankafschriften van de "en/of"-rekening geen kennis heeft genomen, kan geen grond vormen om voorbij te gaan aan het bewijsaanbod, dat (mede) ertoe strekt de juistheid van dat feit te bewijzen, omdat een bewijsaanbod niet kan worden gepasseerd op grond van een prognose van de uitkomst van de bewijslevering.

In zoverre slaagt onderdeel 1 van het middel in het principale beroep.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 443,30 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheren J.C. van Oven, W.D.H. Asser en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 17 februari 2012.