Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6496

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
10/04377
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6496
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6966, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Recht van buurweg; art. 719 BW (oud). Oordeel hof dat recht van buurweg niet is bewezen, niet onjuist of onbegrijpelijk. Hof heeft niet miskend dat ongestoord bezit van recht van buurweg het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van bestemming tot buurweg sprake is (vgl. HR 15 september 2006, LJN AX9402, NJ 2006/506). Stellingen en bewijsaanbod eiser ongenoegzaam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/253
NJB 2012/412
NJ 2012/97
JWB 2012/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2012

Eerste Kamer

10/04377

EV/AK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering en mr. L.B. de Graaf.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 292038/HA ZA 07-2330 van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 november 2007 en 4 juni 2008;

b. de arresten in de zaak 200.009.384/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 augustus 2008, 16 juni 2009 (tussenarresten) en 9 maart 2010 (eindarrest).

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is door vererving eigenaar van een perceel met opstallen, gelegen in [plaats] achter het perceel dat plaatselijk bekend is als [a-straat 1] (hierna: het achterterrein). Op dit laatste perceel staat een woning, die in het verleden ook door [eiser] is bewoond. De twee percelen vormden één geheel totdat [eiser] dit splitste, de woning verkocht en het achterterrein in eigendom behield. Het achterterrein ligt ingesloten tussen andere percelen. [Eiser] pleegt daarom uit te wegen over een aangrenzend perceel van [verweerster].

(ii) Het perceel van [verweerster] wordt samen met twee andere, aangrenzende percelen bedrijfsmatig door haar gebruikt en omvat rond een onbebouwd binnenterrein verschillende opstallen. Het complex grenst aan de westzijde aan de [a-straat] en aan de oostzijde aan de [b-straat]. Tussen de opstallen aan de westzijde loopt een - inmiddels afgesloten - doorgang (hierna: de doorgang) van de [a-straat] naar het binnenterrein die hoofdzakelijk door langzaam verkeer werd gebruikt. Tussen de opstallen aan de oostzijde loopt vanaf het binnenterrein naar de [b-straat] een uitrit die hoofdzakelijk door gemotoriseerd verkeer wordt gebruikt. Op het binnenterrein, dat naast het achterterrein van [eiser] is gelegen, wordt ook geparkeerd.

(iii) [Eiser] gebruikt het achterterrein tegenwoordig nog slechts voor opslag en hobby. In het verleden werd het achterterrein - vanaf de jaren vijftig door zijn grootvader en later door hemzelf - gebruikt ten behoeve van een handels- en aannemingsbedrijf. Toen reden zij met zware motorvoertuigen over het perceel van [verweerster] naar de [b-straat] en omgekeerd. Voor langzaam verkeer werd ook van de doorgang naar de [a-straat] gebruik gemaakt.

(iv) In februari 1956 hebben de grootvader van [eiser] en de grootvader van de huidige directeur van [verweerster] een overeenkomst gesloten, op grond waarvan de grootvader van [eiser] tegen betaling van ƒ 750,-- voor 25 jaar het recht verkreeg om met grote en kleine voertuigen over het terrein van (thans) [verweerster] naar de [b-straat] en vice versa te rijden.

(v) Ook een aantal andere omwonenden maakte in het verleden gebruik van de mogelijkheden om via het perceel van [verweerster] naar de [a-straat] of de [b-straat] te gaan.

(vi) Ten tijde van de procedure in eerste aanleg had [verweerster] verbouwingsplannen, die inmiddels tot uitvoering zijn gebracht. Als gevolg daarvan is de doorgang naar de [a-straat] afgesloten en is het binnenterrein gedeeltelijk benut voor het uitbreiden van de bestaande bebouwing. [Eiser] en andere omwonenden kunnen nu alleen nog maar van de uitrit van het binnenterrein naar de [b-straat] gebruik maken. Volgens [eiser] is dit laatste niet of niet goed meer mogelijk met (lange) vrachtwagens.

3.2 In cassatie is uitsluitend nog aan de orde de (door het hof afgewezen) vordering van [eiser] tot verklaring voor recht dat sprake is van een buurweg die loopt over het perceel van [verweerster] ten gunste van het perceel van [eiser] om met graafmachines, vrachtwagens en personenauto's van en naar de [b-straat] te rijden.

Tegen afwijzing van de overige vorderingen van [eiser] - tot verklaring voor recht dat ten gunste van het perceel van [eiser] sprake is van een door verjaring ontstane erfdienstbaarheid, dan wel van een noodweg in de zin van art. 5:57 BW, om over het perceel van [verweerster] van en naar de [b-straat] en de [a-straat] te gaan - wordt in cassatie niet opgekomen.

3.3 Het hof heeft de vordering met betrekking tot de buurweg op de volgende gronden afgewezen.

Ingevolge art. 719 BW (oud) ontstond een buurweg door uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring(en) van de eigenaar/eigenaren over wiens/wier grond een pad of weg liep en die de bedoeling had(den) daarmee een buurweg tot stand te brengen. Er moest ook feitelijk sprake zijn van een gemeen gebruik ten dienste van uitweg. Een enkel gedogen dat men over elkaars gronden ging was niet toereikend. Bij de invoering van het Nieuw BW per 1 januari l992 is de regeling van de buurweg geschrapt, maar bestaande buurwegen zijn krachtens het overgangsrecht in stand gebleven. (rov. 3.1)

De grootvader van [eiser] had krachtens overeenkomst in de periode 1956 - 1981 een persoonlijk recht om over het perceel van (thans) [verweerster] te gaan. [Eiser] onderbouwt niet dat er desondanks in die periode sprake is geweest van een buurweg. Deze zou dus hoogstens kunnen zijn ontstaan in de periode na het verstrijken van deze overeenkomst en vóór 1 januari 1992. [Eiser] heeft geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit valt af te leiden dat de betrokken buren, in het bijzonder (de rechtsvoorgangers van) [verweerster], een uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring hebben geuit die gericht was op het gezamenlijk tot stand brengen van een buurweg. [Eiser] legt alleen verklaringen van omwonenden over waaruit valt op te maken dat zij eveneens van het perceel van [verweerster] gebruik maken of maakten. (rov. 3.2)

Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd en uit de door hem overgelegde verklaringen van omwonenden (onder wie ook huurders) valt niet meer op te maken dan dat verschillende buren op en over het perceel van [verweerster] plachten te parkeren en te rijden, maar dat is onvoldoende om van een buurweg te spreken. Zoals mede valt op te maken uit de door [eiser] in het geding gebrachte brief van 22 mei 1956 van grootvader [betrokkene 1], is bij de familie [van betrokkene 1] en bij [verweerster] wel steeds sprake geweest van een welwillende houding jegens de buren, maar dat dit meer is geweest dan een gedogen is in rechte niet gebleken. Het hof acht dan ook geen buurweg aanwezig. (rov. 3.3)

Het door [eiser] gedane bewijsaanbod wordt als niet voldoende gespecificeerd en ter zake doend gepasseerd (rov. 5).

3.4 Volgens onderdeel 1 van het middel heeft het hof aldus miskend dat langdurig en ongestoord bezit van het recht van buurweg - dat wil zeggen dat een buurman de naar verkeersopvattingen te beoordelen feitelijke macht over de desbetreffende weg uitoefent die past bij het gebruik van die weg als buurweg - het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van bestemming tot buurweg sprake is. Het onderdeel verwijst naar stellingen van [eiser] in zijn memorie van grieven - inhoudende dat tot 1992 "al vele tientallen jaren lang het perceel van [[verweerster]] als buurweg (...) werd gebruikt" en dat sprake is van "ongestoord bezit van het recht van buurweg" omdat "de uitweg al tientallen jaren door [[eiser]]" en anderen wordt gebruikt en "naar verkeersopvattingen sprake [is] van een uitoefening van feitelijke macht die past bij het gebruik als buurweg" - en het klaagt dat het hof ten onrechte aan die stellingen is voorbijgegaan. Onderdeel 2 voegt daaraan toe dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gepasseerd.

3.5 Hoewel onderdeel 1 uitgaat van een juiste rechtsopvatting (vgl. HR 15 september 2006, LJN AX9402, NJ 2006/506), kan het bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft niet miskend dat ongestoord bezit van het recht van buurweg als zojuist bedoeld het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van bestemming tot buurweg sprake is, maar het heeft kennelijk geoordeeld dat de stellingen van [eiser] in het licht van de vaststaande feiten ongenoegzaam zijn om van een dergelijk bezit te kunnen spreken (dan wel - wat op hetzelfde neerkomt - dat voldoende tegenbewijs bestaat tegen het uit voormelde feitelijke macht voortvloeiende vermoeden dat van bestemming tot buurweg sprake is).

Het hof heeft immers in rov. 3.3 en 3.4 groot belang gehecht aan een brief van grootvader [betrokkene 1] van 22 mei 1956 en aan de hiervoor in 3.1 (iv) genoemde overeenkomst. Uit genoemde brief heeft het hof opgemaakt dat bij [verweerster] en de familie [van betrokkene 1] steeds sprake is geweest van een welwillende houding jegens de buren die echter niet verder ging dan een gedogen (rov. 3.3), en uit genoemde overeenkomst heeft het hof afgeleid dat (de rechtsvoorganger van) [eiser] in de periode van 1956 tot 1981 slechts een persoonlijk, uit die overeenkomst voortvloeiend recht had om over het perceel van [verweerster] te gaan (rov. 3.2). Gelet op deze feiten en omstandigheden is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof de hiervoor in 3.4 weergegeven stellingen van [eiser] ongenoegzaam heeft geoordeeld om het bezit van een recht van buurweg aan te nemen, nu immers de genoemde brief en overeenkomst naar het oordeel van het hof juist op het tegendeel wijzen. In het verlengde daarvan is evenmin onjuist of onbegrijpelijk het oordeel dat [eiser] ook voor de periode na 1981 (tot aan 1992) onvoldoende heeft gesteld; [eiser] verwijst immers niet naar stellingen waaruit zou kunnen volgen dat (de rechtsvoorganger van) [verweerster] met betrekking tot het gebruik van haar perceel door anderen na 1981 een andere houding dan voorheen heeft aangenomen.

3.6 Ook voor zover [eiser] een beroep heeft gedaan op de door hem overgelegde verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en heeft aangeboden zijn stellingen te bewijzen door deze personen als getuigen te doen horen, is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof die stellingen en dat bewijsaanbod ongenoegzaam heeft geoordeeld.

De overgelegde verklaringen bevestigen weliswaar dat de genoemde personen (overigens deels in de periode tot aan 1981) gebruik hebben gemaakt van het perceel van (thans) [verweerster] om de [b-straat] te bereiken en dat (de rechtsvoorganger van) [verweerster] daartegen geen bezwaar maakte, maar dat feit stond tussen partijen niet ter discussie. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten, die juist wijzen op een zowel voor 1981 als daarna persoonlijk gedogen door (de rechtsvoorganger van) [verweerster], zijn die stellingen dus evenzeer onvoldoende om desalniettemin tot (bezit van) een buurweg te concluderen. Ook het aanbod tot getuigenbewijs kon dus op de door het hof gebezigde grond worden gepasseerd, waarbij nog in aanmerking wordt genomen dat [eiser] niet had aangevoerd dat de getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan in hun schriftelijke verklaringen was opgenomen.

3.7 De onderdelen 1 en 2 kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3. 8 De in de onderdelen 3 en 4 aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 3 februari 2012.