Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6094

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
10/02885
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6094
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verwerping verweer aangaande onbevoegdheid Rb. 2. Bewijsklacht. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Ad 1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting is de verdediging in de gelegenheid geweest om bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg een beroep te doen op de onbevoegdheid van de Rb. Zij heeft daarvan kennelijk afgezien aangezien het belang van verdachte daarmee niet was gediend. Gelet daarop kon de verdediging niet alsnog in hoger beroep met vrucht een beroep doen op de onbevoegdheid van de Rb. Ad 2. Voor een veroordeling tzv bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is o.m. vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging (vgl. HR LJN BG6562). Het schrijven van de Voorzitter van het Hof van Discipline houdt in dat de griffier en de ter griffie werkzame medewerkers zich door de in de aan de griffier gerichte brief van verdachte gedane uitlatingen daadwerkelijk bedreigd voelen. Daaruit kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring bedoelde griffiemedewerkers op de hoogte waren geraakt van de bedreigende uitlatingen van verdachte. De bewezenverklaring kan uit de bewijsvoering worden afgeleid. De door het Hof gegeven nadere bewijsoverweging doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/177
NJB 2012/729
RvdW 2012/400
NBSTRAF 2012/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/02885

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 maart 2010, nummer 20/003871-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de Rechtbank te Maastricht niet bevoegd was tot kennisneming van de zaak, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

2.2. Aan de verdachte is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - onder 1 tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks het tijdvak van 12 februari 2006 tot en met 19 januari 2007 te Roermond en/of te Smakt, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) een persoon, genaamd [slachtoffer 1], hoofdofficier van justitie in het arrondissement Roermond, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met moord, althans doodslag, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [slachtoffer 1] een of meer brieven doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst(en) was/waren vermeld:

(...)

in elk geval tekst van gelijke dreigende aard of strekking."

2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Bevoegdheid

A.1.1

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter in eerste aanleg, zijnde de rechtbank Maastricht, relatief onbevoegd was om van de zaak kennis te nemen.

Daartoe is aangevoerd dat hoofdofficier van justitie [slachtoffer 1] aangifte had moeten doen in het arrondissement Roermond, alwaar de zaak speelde en alwaar haar standplaats was, en niet in het arrondissement Maastricht.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hoofdofficier van justitie [slachtoffer 1] - en daarmee het openbaar ministerie - om hem te benadelen de zaak bewust heeft aangebracht in het arrondissement Maastricht, terwijl de zaak in het arrondissement Roermond aanhangig had behoren te worden gemaakt.

A.1.2

De raadsvrouwe van verdachte heeft ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg het navolgende aangevoerd. De vervolging tegen verdachte is aangevangen op 22 januari 2009 met de huiszoeking in de woning van verdachte te [woonplaats]. Verdachte bevond zich toen in het arrondissement Roermond. Op grond daarvan was de rechtbank Roermond bevoegd en niet de rechtbank Maastricht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van de rechtbank Maastricht voortvloeit uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid aanhef en derde regel, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte zich ten tijde van de aanvang van de vervolging, zijnde de vordering tot bewaring gedaan bij de rechter-commissaris te Maastricht, bevond in het arrondissement Maastricht.

De advocaat-generaal voert daartoe aan dat, in lijn met in het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 1998, NJ 1998, 768, bij dit criterium bepalend is waar de verdachte zich bevond ten tijde van de aanvang van vervolging waarbij het geen verschil maakt of de verdachte zich op dat moment vrijwillig dan wel onvrijwillig binnen het betreffende rechtsgebied bevond.

Nu verdachte op de dag van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot bewaring, te weten 26 januari 2009, zich bevond binnen het rechtsgebied van de rechtbank Maastricht, namelijk in het gebouw van de rechtbank Maastricht, en op die dag tevens een gerechtelijk vooronderzoek werd gevorderd en toegewezen, is de vervolging van verdachte aangevangen in het arrondissement Maastricht.

A.2

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de doorzoeking van de woning van verdachte op 22 januari 2009 niet kan worden aangemerkt als het moment van aanvang van de vervolging. De advocaat-generaal is van oordeel dat de rechtbank te Maastricht zich terecht bevoegd heeft geacht.

A.3

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A.3.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 2 Sv is voor zover hier van belang naast de andere in die bepaling bedoelde rechtbanken gelijkelijk bevoegd tot kennisneming van de zaak de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verdachte zich bevindt. Beslissend daarvoor is waar de verdachte zich bevond op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem wordt aangevangen. Bij de toepassing van dit onderdeel van deze bepaling moet geen onderscheid worden gemaakt tussen vrijwillig en onvrijwillig verblijf.

Naar het oordeel van het hof is de vervolging aangevangen op het moment dat de rechter in de zaak van verdachte werd betrokken en dat was op het moment waarop verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling aan de rechter-commissaris werd voorgeleid.

Het hof merkt hierbij op dat naar zijn oordeel het doen van een vordering tot doorzoeking bij de rechter-commissaris, in de woning van verdachte te [woonplaats] op 22 januari 2009, niet als een daad van vervolging moet worden beschouwd. De betrokkenheid van de rechter-commissaris daarbij ziet niet op een vervolging in de hoofdzaak maar is incidenteel van aard en heeft enkel betrekking op een doorzoeking van de woning van verdachte.

A.3.2

Nu de voorgeleiding in het kader van de vordering tot inbewaringstelling heeft plaatsgevonden bij de rechter-commissaris in de rechtbank te Maastricht, is daarmee de bevoegdheid voor de rechtbank te Maastricht gegeven.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot onbevoegdheid van de rechter in eerste aanleg, was naar het oordeel van het hof de rechtbank Maastricht bevoegd om van de zaak in eerste aanleg kennis te nemen.

A.3.3

Het hof verwerpt mitsdien het verweer."

2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2007 is de verdachte aldaar verschenen en werd hij bijgestaan door zijn raadsvrouwe. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat de rechtbank relatief competent is van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen, nu verdachte op het politiebureau in Heerlen in verzekering is gesteld en de vervolging van daaruit is gestart.

De raadsvrouwe brengt naar voren - zakelijk weergegeven -:

Ook de rechtbank in Roermond is relatief competent van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen, nu de doorzoeking van het huis van verdachte is gebeurd onder leiding van de rechter-commissaris van Roermond. Echter, het belang van mijn cliënt wordt niet gediend met een geschil betreffende de relatieve competentie van de rechtbank."

2.5. Blijkens voormeld proces-verbaal is de verdediging in de gelegenheid geweest om bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg een beroep te doen op de onbevoegdheid van de Rechtbank. Zij heeft daarvan afgezien, kennelijk omdat het belang van de verdachte daarmee niet was gediend. Gelet daarop kon de verdediging niet alsnog in hoger beroep met vrucht een beroep doen op de onbevoegdheid van de Rechtbank.

2.6. Daarop stuit het middel af, zodat hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen onbesproken kan blijven.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat wat betreft feit 4 uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat een of meer griffiemedewerkers van het Hof van Discipline te 's-Hertogenbosch hebben kennisgenomen van de bedreigingen door de verdachte.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in het tijdvak van 16 december 2006 tot en met 23 januari 2007 te 's-Hertogenbosch een persoon, genaamd [slachtoffer 2], griffier van het Hof van Discipline te 's-Hertogenbosch en griffiemedewerkers van genoemd Hof, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat of met brandstichting, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [slachtoffer 2] en genoemde griffiemedewerkers een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende teksten waren vermeld:

(...)"

3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2] van 31 januari 2007, met bijbehorende brieven als bijlagen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina's 54 t/m 69, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

(dossierpagina 54)

Op 31 januari 2007 hoorden wij als aangeefster [slachtoffer 2]. Aangeefster is griffier bij het Hof van Discipline gevestigd in Prinsenbeek.

Desgevraagd verklaarde zij ons:

Ik wil aangifte doen van bedreigingen met de dood, schriftelijk gedaan door [verdachte]. In een brief gericht aan de griffier van het Hof van Discipline, de functie die ik voer, dreigt hij mij met de dood. Hij schrijft woordelijk dat ik onder de zoden terecht kom.

Op 10 januari 2007 is er bij mij een brief van [verdachte] binnengekomen, waardoor ik mij bedreigd voel. Hij dreigt in deze brief met het opblazen van de griffie in Prinsenbeek.

(dossierpagina 55)

Deze brief geef ik u om bij deze aangifte te voegen.

[Verdachte] dreigt met de dood en ik voel me hierdoor bedreigd. Tevens voel ik dat mijn werknemers en collegae worden bedreigd. Daarom doe ik hierbij aangifte van bedreiging met het verzoek om strafvervolging tegen [verdachte] in te stellen.

(dossierpagina 56)

[plaats], 9 januari 2007

Van: [Verdachte]

Aan: Griffier en Hof van Discipline, Prinsenbeek.

(dossierpagina 57)

Als het O.M. en/of Het Hof niet p.o. bewerkstelligen dat een strafrechterlijk onderzoek tegen [A] en de Rabogroep wordt gestart, dan ga ik over tot eigenrichting. Een van mijn eerste daden zal het opblazen van de griffie in Prinsenbeek zijn.

Mocht u als verantwoordelijke griffier besluiten om mijn rechtsgeldig wrakingsverzoek niet door te leiden naar de wrakingskamer, en aanvullend besluiten om de voorziene beslissing (12/2/7) van het Hof op te sturen naar mij dan zal ik: a. die beslissing niet in ontvangst nemen b. onmiddellijk overgaan tot eigenrichting onder gebruik van instrumentele agressie.

Uw niet adequaat reageren op dit schrijven wordt door mij opgevat als een voortzetten van terzake niet-handelen in collaboratie met het reeds geconstateerd niet-handelen en niet onpartijdig vormen van een zelfstandig oordeel binnen de tuchtrechtspraakgeledingen, daarmee kunt u op het volgende blijven vertrouwen: a. Dat het met uw salariëring ondanks uw ledigheid wel goed komt b. Dat uw ledigheid u binnenkort een oorkussen onder de groene zoden verschaft".

(dossierpagina 58)

Hof van Discipline

Postadres: postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch

Aan: [slachtoffer 1]

's-Hertogenbosch, 22 januari 2007

De griffier van het Hof van Discipline, [slachtoffer 2], stelde mij de aan haar gerichte brief van 9 januari 2007 van [verdachte] ter hand.

De griffier en de ter griffie werkzame medewerkers voelen zich door de in deze brief gedane uitlatingen daadwerkelijk bedreigd.

Hoogachtend,

Voorzitter van het Hof van Discipline."

3.2.3. Het Hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

"Door de verdediging is vrijspraak bepleit ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde 'griffiemedewerkers van genoemd hof'.

Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier niet wettig en overtuigend blijkt ten aanzien van deze personen sprake is van bedreigingen welke tot hen waren gericht en waardoor zij zich bedreigd konden voelen, nu niet is komen vaststaan dat zij daadwerkelijk van de desbetreffende brieven hebben kennisgenomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[Slachtoffer 2] verklaart in haar aangifte dat de verdachte dreigt met de dood waardoor zij zich bedreigd voelt en dat zij tevens voelt dat haar werknemers en collegae daardoor worden bedreigd.

Gelet op het voorgaande en de aard van de geuite bewoordingen in de desbetreffende brief, welke bewoordingen onmiskenbaar als bedreigend kunnen worden ervaren, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat bij zowel [slachtoffer 2] als de griffiemedewerkers van het Hof van Discipline redelijkerwijs de vrees is dan wel kon ontstaan dat zij het leven zouden laten.

Het hof verwerpt het verweer."

3.3.1. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging (vgl. HR 10 februari 2009, LJN BG6562, NJ 2009/109).

3.3.2. Het hiervoor onder 3.2.2 weergegeven schrijven van de Voorzitter van het Hof van Discipline van 22 januari 2007 houdt in dat de griffier en de ter griffie werkzame medewerkers zich door de in de aan de griffier gerichte brief van de verdachte van 9 januari 2007 gedane uitlatingen daadwerkelijk bedreigd voelen. Daaruit kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring bedoelde griffiemedewerkers op de hoogte waren geraakt van de bedreigende uitlatingen van de verdachte.

3.3.3. Anders dan het middel betoogt, kan de bewezenverklaring dus wel uit de bewijsvoering worden afgeleid. De door het Hof gegeven nadere bewijsoverweging doet daaraan niet af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 maart 2012.