Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
10/05379
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6056
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 340 Sv. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd. HR: Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in hoger beroep zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring mede doet steunen op de door de rechter in eerste aanleg op de voet van art. 340 Sv gedane eigen waarneming zonder dat de appelrechter die waarneming ook zelf heeft gedaan. De klacht, die van een andere opvatting uitgaat, faalt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 340
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/365
RvdW 2012/166
NJ 2012/66
NBSTRAF 2012/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 2012

Strafkamer

nr. S 10/05379

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 december 2010, nummer 21/004601-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem, locatie Arnhem-Zuid" te Arnhem.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het vijfde middel

2.1. Het middel klaagt niet over de wijze waarop de Rechtbank haar eigen waarneming omtrent door een observatieteam gemaakte videobeelden heeft beschreven, doch klaagt onder meer dat het Hof die waarneming van de Rechtbank niet had mogen overnemen zonder zelf de videobeelden te hebben bekeken.

2.2.1. De Rechtbank en het Hof, dat het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd, hebben - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - ten laste van de verdachte onder 10 bewezenverklaard dat:

"hij op 2 april 2008 te Halle in de gemeente Bronckhorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning op of aan de [a-straat] weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [betrokkene 1] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van een valse sleutel, met zijn mededaders naar die woning is toegegaan en van die woning een deur heeft geopend en vervolgens die woning is binnengegaan en heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering, met weglating van de voetnoten waarop deze steunt:

"Algemene bewijsoverweging

3. De rechtbank overweegt in het verband van de bewijsvraag het volgende.

4. Uit door de politie verricht onderzoek is komen vast te staan dat de ten laste gelegde feiten telkens plaatsvonden op (min of meer) afgelegen (boeren)erven, en voorts dat slechts in een zeer beperkt aantal gevallen sprake was van braak of verbreking. Meestal verschafte men zich de toegang tot de woning door niet-afgesloten deuren van woningen, of via schuren die met de woning in verbinding stonden.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn beide medeverdachten valt op te maken dat zij de laatste acht maanden, dus vanaf augustus 2007 tot en met 2 april 2008, steeds met zijn drieën op pad waren. Zij deden dat naar eigen zeggen uitsluitend op werkdagen, vanaf ongeveer 09.00 uur.

Verdachte was steeds de bestuurder van de auto, doorgaans de Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB], medeverdachte [medeverdachte 1] zat steeds op de bijrijdersplaats en medeverdachte [medeverdachte 2] zat altijd op de achterbank. Per dag deden ze zo'n twintig tot veertig adressen aan, meestal afgelegen boerderijen, voornamelijk in Oost- en Noord-Nederland. Zij vroegen daar aan de bewoners om oude landbouwmachines, meestal tractoren. Zij noemden dit "venten".

Verdachten hebben verklaard dat zij bij de door hen bezochte boerderijen aanbelden of aanklopten, en dat zij meteen weer weggingen als er niemand verscheen. Dat wordt weersproken door de bevindingen van het observatieteam van de politie (hierna: OT), waarvan beelden ter zitting zijn vertoond. Daarop is immers te zien dat verdachten op een erf en rondom een woning rondlopen, schuren binnengaan en zelfs woningen betreden. Verdachte en zijn medeverdachten hebben die handelwijze pas toegegeven, toen ze in verhoor werden geconfronteerd met het bestaan van die beelden.

Er is een peilbaken geplaatst aan de witte Opel Corsa, kenteken [AA-00-BB], waarmee verdachte en zijn beide medeverdachten meestal hebben rondgereden. Hieruit is gebleken dat met deze auto dagelijks grote afstanden zijn afgelegd en ook, dat deze auto op in de tenlastelegging genoemde data en plaatsen in de directe omgeving is geweest van de plaats delict, op tijdstippen die veelal overeenkomen met de door aangevers aangegeven tijdstippen, waarop een diefstal of insluiping heeft/moet hebben plaatsgehad.

Medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij in de acht maanden dat zij met elkaar rondreden, geen enkele machine of tractor hebben gekocht. De als getuige gehoorde partner van medeverdachte [medeverdachte 1], [getuige 1], heeft verklaard dat zij nimmer verdiensten van het "venten" heeft gezien.

Het door medeverdachte [medeverdachte 1] genoemde bedrijf [A] B.V. te [plaats], waaraan hij zijn handel van het venten zou hebben verkocht, is bij monde van [betrokkene 2] gehoord. Tevens zijn deze [betrokkene 2] foto's getoond van alle drie de verdachten. [Betrokkene 2] heeft verklaard de drie verdachten niet te kennen en nooit iets van hen te hebben gekocht.

Bij fouillering na de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn in diens kleding twee musketonhaken aangetroffen met daaraan in totaal veertien baardsleutels. [Medeverdachte 2] heeft voor de aanwezigheid van die sleutels in zijn zak als verklaring gegeven, dat hij de sleutels jaren geleden op de bouw had gevonden en dat hij ze gebruikte om sloten van deurtjes op de bouw of van wiethokken open te kunnen maken. Ter zitting heeft hij daarover verklaard dat de sleutels jaren in een jas hadden gezeten die in zijn schuur had gehangen en dat hij die jas met venten weer had aangetrokken. Daarom had hij ze steeds bij zich gehad.

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, bezien tegen de achtergrond van de bevindingen van de politie op dat punt. Die houden immers in dat, in de gevallen van de hierna te noemen aangiften, de dieven zich in een aantal gevallen de toegang tot die betreffende percelen hebben verschaft door gebruik te maken van (valse) baardsleutels.

Per dag legden verdachte en zijn twee medeverdachten per auto ongeveer 200 kilometer af. Alle drie de verdachten hebben verklaard, dat zij van een uitkering leefden.

Onduidelijk is gebleven op welke manier zij zich inkomsten konden verwerven om zich dagelijks een aanmerkelijk bedrag aan benzine te kunnen veroorloven. Zij hebben daarvoor geen redelijke verklaring kunnen geven.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank de lezing van verdachte en zijn medeverdachten, dat zij door Nederland reden om oude machines en tractoren te kopen, ongeloofwaardig. Er viel daarmee immers, gelet op de verklaring van verdachte en zijn medeverdachten, wegens gebrek aan "handel" geen droog brood te verdienen.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet, zoals de officier van justitie lijkt te hebben bepleit, zonder meer kan worden gesteld dat (nagenoeg) alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht, louter vanwege het voorhanden zijn van een aangifte in combinatie met de omstandigheid, dat de auto waarvan verdachte en zijn medeverdachten zich in de meeste gevallen bedienden (de hiervoor genoemde Opel Corsa) op de ten laste gelegde datum in de directe omgeving van de plaats delict was.

Voor zover per feit slechts deze twee bewijsmiddelen voorhanden zijn, en dat is in de zaak tegen verdachte het geval bij de feiten 2, 4, 5, 6, 8, 11 t/m 17 en 20, zal de rechtbank hem dan ook van dat feit vrijspreken.

De rechtbank zal hierna aangeven, waaruit het meerdere bewijs per feit bestaat. In die gevallen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. In die gevallen is de rechtbank telkens van oordeel dat sprake is van medeplegen. De rechtbank baseert zich voor dat oordeel op de hiervoor beschreven nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, waarbij sprake was van een min of meer vaste taakverdeling en aanpak.

Bespreking van de bewezen te achten feiten

(...) 9. (feit 10)

Op 2 april 2008 deed [betrokkene 1] aangifte. Hij heeft verklaard dat hij die dag, 2 april 2008, omstreeks 14.00 uur werd gebeld door de politie, die hem vertelde dat in zijn woning aan de [a-straat 1a] te Halle was ingebroken. De daders zouden via de middelste achterdeur naar binnen zijn gegaan, welke deur altijd slotvast is afgesloten. Het slot in deze deur is een ouderwets zogenaamd poortslot. Op de bovenverdieping van de woning stonden deuren open die normaliter dicht zijn. Aangever [betrokkene 1] heeft voorts aangegeven, dat de dader(s) kennelijk via de voordeur van perceel [1a] weer is/zijn vertrokken, omdat deze deur van het nachtslot af was. Tot slot heeft aangever verklaard dat er niets is weggenomen.

Eén van de veertien deursleutels die bij de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 2] in diens kleding zijn aangetroffen, paste op de achterdeur van de woning aan de [a-straat 1] te Halle. Met sleutel nummer 28 kon de afgesloten deur worden geopend.

Uit de peilbakengegevens blijkt bovendien dat de voornoemde Opel Corsa op 2 april 2008 enige tijd op de [a-straat] te Halle heeft stilgestaan.

Ook het OT heeft waargenomen dat de Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB] die dag omstreeks 13.06 uur stopte bij het perceel [a-straat 1] en [1a]. Door het OT werd tevens gezien dat medeverdachte [medeverdachte 2] uitstapte en via een deur van perceel 2 de woning in liep. Enige ogenblikken later stapte ook medeverdachte [medeverdachte 1] uit de auto en ook hij liep naar de deur. Nog weer enige minuten later wordt door de observanten gezien dat beide medeverdachten naar de auto terugliepen, instapten en wegreden.

Op de terechtzitting heeft de rechtbank kennisgenomen van de video-opnamen die door het OT zijn gemaakt. Hetgeen door het OT op 2 april 2008 bij het perceel [a-straat 1] en [1a] is waargenomen wordt - zoals hiervoor beschreven - door de videobeelden bevestigd.

Het voorgaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tezamen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het onder 10 ten laste gelegde."

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 21 oktober 2008 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter houdt verdachte voor, dat het observatieteam een aantal beelden heeft vastgelegd op cd-rom, welke cd-rom na een korte onderbreking van de zitting in de zittingszaal zal worden getoond.

(...)

De beelden van de cd-rom worden getoond. (...)

De voorzitter vraagt verdachte een reactie te geven op de getoonde beelden.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik herken de witte Opel Corsa op de beelden. Die is van mij.

De voorzitter houdt verdachte voor dat op de getoonde beelden is te zien dat de witte Opel Corsa bij een boerderij in Borculo stilstaat. Zij vraagt of de woning is binnengegaan, om te zien of er iemand aanwezig was.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik beroep mij op mijn zwijgrecht."

2.3. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in hoger beroep zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring mede doet steunen op de door de rechter in eerste aanleg op de voet van art. 340 Sv gedane eigen waarneming zonder dat de appelrechter die waarneming ook zelf heeft gedaan. De klacht, die van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 17 januari 2012.