Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU6012

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
11/02435
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6012
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7812, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

TBS met dwangverpleging, art. 37, 37a en 37b Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BG1645 m.b.t. de waardering van de rapporten en adviezen en de (beperkte) toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter. De klacht dat het Hof geen TBS met dwangverpleging kon opleggen omdat het Hof geen verband tussen de stoornis en het gevaar voor herhaling heeft vastgesteld faalt. Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de bij verdachte vastgestelde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zonder behandeling een zodanig groot gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in het leven roept dat dit de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging eist. De klacht dat het hof de rapporten van de deskundigen heeft gedenatureerd faalt eveneens. Het Hof heeft de onderdelen van deze rapporten terzijde gesteld vzv. deze rapporten inhouden dat er geen gronden zijn voor TBS met dwangverpleging en alleen die onderdelen weergegeven die het Hof relevant heeft geacht voor de oplegging van de maatregel. Deze waardering van de rapporten is aan de feitenrechter voorbehouden en onttrekt zich aan de toetsing in cassatie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/227
NBSTRAF 2012/100
EeR 2012, afl. 3, p. 135
SR-Updates.nl 2012-0052
NbSr 2012/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2012

Strafkamer

nr. S 11/02435

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 september 2010, nummers 23/000874-09 en 23/003677-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond, locatie De Schie" te Rotterdam.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J-L.A.M. le Cocq d'Armandville en mr. E.A. Blok, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de beslissing van het Hof aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

2.2. Het Hof heeft de oplegging van die maatregel in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander is gebleken uit de onderzoeken ter terechtzitting, uit het persoonsdossier van de verdachte en uit de vier rapporten Pro Justitia, te weten

- het rapport van 6 december 2001 van drs. J.C.G. Lely (hierna Lely), gezondheidszorgpsycholoog

- het rapport van 14 maart 2003 van drs. J.W.G.M. van Soest (hierna: Van Soest), gz psycholoog

- het rapport van 24 juli 2010 van drs. P.E. Geurkink (hierna: Geurkink), forensisch psycholoog en

- het rapport van 25 augustus 2010 van J.M.J.F. Offermans (hierna: Offermans), psychiater.

(...)

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 12 augustus 2010 is de verdachte eerder ter zake van (ernstige) geweldsdelicten veroordeeld, naast een veroordeling ter zake van een zedendelict en vele veroordelingen voor onder meer diefstal (met geweld) en afpersing. De verdachte heeft zich binnen een maand na de beëindiging van zijn laatste detentie schuldig gemaakt aan voornoemde misdrijven, terwijl uit hoofde van twee eerdere veroordelingen voor hem een proeftijd gold. Het hof heeft hier ten nadele van de verdachte acht op geslagen.

Uit de voornoemde rapporten van Lely en Van Soest blijkt dat de deskundigen de kans op recidive bij de verdachte groot achten. Het hof neemt dat oordeel over, en slaat daarbij tevens acht op de inhoud van het hiervoor genoemde uittreksel.

De verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan verschillende onderzoeken als bedoeld in artikel 37, tweede lid, Sr, te weten

- het triple-rapport door Geurkink, psycholoog, en mevrouw M. Hassing, psychiater, d.d. 3 augustus 2006, inzake zaak D;

- het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 11 mei 2007, met betrekking tot dezelfde zaak;

- het psychiatrische rapport van mevrouw drs. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, d.d. 30 november 2007;

- het psychologische rapport Pro Justitia door mw. drs. G.M. Jansen, psycholoog, d.d. 10 december 2007, in de onderhavige zaak A en

- een briefrapport van E.P.K. Sikkens, forensisch psychiater, d.d. 10 november 2008.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 9 juli 2009 (zaak A, B, C en D), een pro forma zitting, en op die van 14 december 2009 heeft de verdachte (wederom) aangegeven niet bereid te zijn tot en geen medewerking te (willen) verlenen aan een ambulant dan wel intramuraal psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers Offermans en Geurkink een onderzoek naar de persoon van de verdachte uitgevoerd, waarbij zij - mede gelet op de weigering van de verdachte aan dit onderzoek mee te werken - alleen andere hem betreffende stukken, onder andere omvattende processen-verbaal en een groot aantal rapporten hebben bestudeerd, die in eerdere strafzaken omtrent de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht. Op grond hiervan zijn zij er in geslaagd met betrekking tot de persoon van de verdachte de hiervoor reeds aangeduide rapporten Pro Justitia uit te brengen. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de eerder genoemde rapporten van Lely en Van Soest, nu dit de meest recente rapporten omtrent de persoon van de verdachte betreffen, aan de totstandkoming waarvan hij bereid is geweest zijn medewerking (nog) te verlenen.

Het rapport van Lely houdt in, voor zover van belang:

Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis, beginnende in de kinderleeftijd. Daarnaast bestaat een verhoogde kwetsbaarheid voor spanning en onrijpe, egocentrische en impulsieve persoonlijkheidstrekken die reden tot zorg geven. Gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene valt te verwachten dat betrokkene zonder een zeer gestructureerde begeleiding een verhoogde kans heeft op herhaling van strafbare feiten.

Bij voortbestaan van de gedragsstoornis is er een reële kans op herhaling van soortgelijke of andere strafbare feiten als waarvan betrokkene nu verdacht wordt. Daarom is een behandeling van betrokkene noodzakelijk. (...) Betrokkene gaf zelf aan dat hij behoefte heeft aan een vergaande structurering van zijn gedrag, aan een opleiding en aan begeleiding. Hij gaf ook aan gemotiveerd te zijn voor verandering.

Gezien zijn voorafgaande langdurige behandeltraject lijkt een behandeling bij een algemene instelling als een RIAGG onvoldoende. Gelet op de omvang van het ten laste gelegde lijkt een ter beschikking stelling niet aangewezen. Voor betrokkene lijkt een behandeling bij de forensisch psychiatrische kliniek "De Meren" het meest aangewezen. Uit telefonisch verkregen informatie van E. Mol, psychiater aldaar, blijkt dat daar goede behandelmogelijkheden voor betrokkene zijn. Deze behandeling zou het best kunnen plaatsvinden in een verplicht kader, als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.

Het rapport van Van Soest houdt in, voor zover van belang:

Onderzochte is een emotioneel onvolgroeide man, met een matig ontwikkeld zelfbeeld. Hij heeft een positieve zelfevaluatie, zo blijkt uit de testantwoorden, hetgeen een afdekking is van teleurstelling in zichzelf, zijn werksituatie en zijn omgang met zijn "vrienden". Ten aanzien van de diagnostiek: Er is sprake van een gedragstoornis en daarnaast een persoonlijkheidsstoornis.

Voordat er van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis kan worden gesproken, moet er sprake zijn van tenminste drie van de volgende zeven criteria.

1. Niet in staat zijn zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn.

2. Bij voortduring liegen en bedriegen.

3. Impulsiviteit of onvermogen vooruit te plannen.

4. Prikkelbaarheid en agressiviteit zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging.

5. Roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen, onder andere tot uiting komt in onverantwoord drank- of druggebruik.

6. Constante onverantwoordelijkheid uit het herhaaldelijk niet in staat zijn werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen.

7. Het ontbreken van spijtgevoelens, onverschilligheid of het wegrationaliseren van spijtgevoelens.

De criteria 1, 3, 4, 6 en 7 zijn aantoonbaar aanwezig blijkens onder andere het uittreksel uit het justitieel documentatieregister. Er is derhalve sprake van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis.

De behandeling door De Meren is niet doorgegaan, omdat hij niet kwam opdagen. Hij vertelt daarover dat gedacht werd dat zijn broer die ook als eerste voorletter een O heeft, was uitgenodigd. Onderzochte vertelt dat zijn broer naar De Meren is vertrokken, maar het uiteindelijk niet heeft gevonden! Een behandeling op vrijwillige basis heeft weinig kans van slagen.

Een structuur die weinig ruimte biedt voor 'ontsnapping', waarbij de reclassering een controlerende taak zal moeten uitvoeren, is aan te bevelen.

Beantwoording van de vraagstelling

1. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een gedragstoornis. Daarnaast is er een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een anti sociale persoonlijkheidsstoornis.

2. Deze persoonlijkheidsstoornis en de gedragsstoornis bestonden ten tijde van het ten laste gelegde.

3. Het gedrag ten tijde van de gepleegde delicten werd hierdoor beïnvloed.

4. Onderzochte is wel in staat geweest de wederrechtelijkheid van de feiten in te zien, maar is op grond van de boven genoemde stoornissen minder dan de gemiddelde mens in staat geweest zijn wil in vrijheid te bepalen. Onderzochte is impulsief, heeft een gebrekig invoelingsvermogen en een geringe ontwikkeling van de gewetensfuncties. Hij kan moeilijk omgaan met frustraties en is externalistisch georiënteerd. Hij zoekt de oorzaken van zijn problemen buiten zichzelf. Hij is op grond van voornoemde in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten.

5. De kans dat de onderzochte weer vergelijkbare delicten pleegt, acht onderzoeker groot indien er geen plan van aanpak is na zijn detentie. Daarover en over het te geven advies is contact geweest met de reclassering.

6. Een verplicht reclasseringscontact is aan te raden, vanuit het oogpunt van toekomstige arbeidsreïntegratie en van terugvalpreventie. Het aanbieden van structuur is noodzakelijk. Gezien de vele therapeutische interventies die al vanaf zijn 12e hebben plaatsgevonden rijst de vraag of onderzochte zal kunnen profiteren van (psycho)therapeutische interventies. Er lijkt na 1998 een periode te zijn geweest waarin hij niet of nauwelijks met justitie in aanraking kwam. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht (onderzochte ontkent) laat het zich aanzien dat er aan de stroom berovingen en (seksuele) geweldpleging geen einde is gekomen. De onderzochte is enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. De ernst van het ten laste gelegde en de frequentie waarmee onderzochte met politie en justitie in aanraking is geweest geven ruimte aan de gedachte dat er een forse sanctie genomen dient te worden.

Het rapport van Geurkink van 24 juli 2010 houdt in, voor zover van belang:

Al in het in 1998 uitgevoerde persoonlijkheidsonderzoek wordt bij betrokkene op 15-jarige leeftijd een gedragsstoornis gediagnosticeerd met een reële kans dat die zich zal ontwikkelen tot een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. Het bestaan van een gedragsstoornis bij betrokkene wordt in 2001 door psycholoog Lely na onderzoek bevestigd. In 2003 wordt door psycholoog Van Soest na onderzoek vastgesteld dat er inmiddels sprake is van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. De gegevens uit het dossier in ogenschouw genomen met daarin onder andere de vele politie- en justitiecontacten, die al op jonge leeftijd beginnen, is er geen aanleiding om de toen gestelde diagnose van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis te betwijfelen. Gezien betrokkenes gedrag sinds die tijd, met onder andere een veroordeling wegens verkrachtingen met het gebruik van instrumenteel geweld om seksueel contact te verkrijgen, zijn er vanuit het (penitentiair) dossier geen aanwijzigen dat de toen gestelde diagnose van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene inmiddels is verdwenen. Betrokkene is nog steeds niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm, er is sprake van agressiviteit naar zijn omgeving en er is sprake van onverschilligheid voor de veiligheid van anderen. Met andere woorden: er kan op grond van het dossier gesproken worden van het nog steeds bestaan van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene. Uit het dossier wordt niet duidelijk hoe krenkbaar betrokkene is, maar er is geen duidelijke indicatie - los van enige kleine aanwijzingen tijdens de observatieperiode in het PBC - voor een sterk verhoogde krenkbaarheid. Het bestaan van een seksuele deviatie kan op grond van het dossier zeker niet worden bevestigd, maar ook niet worden uitgesloten. Ook zijn er op grond van het dossier geen duidelijke aanwijzingen voor het bestaan van manifeste psychiatrische pathologie. Evenmin zijn er op grond van het dossier duidelijke aanwijzingen voor intellectuele zwakbegaafdheid.

Samenvattend kan op grond van het dossier worden gesteld dat betrokkene nog steeds lijdt aan een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis.

Op grond van de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis, kan worden gesteld dat deze niet leidt tot een grote beperking van de wils- en handelvrijheid van betrokkene. Er lijkt sprake van instrumentele en berekende inzet van geweld om zijn doel te bereiken, namelijk het verkrijgen van seksuele en materiële bevrediging. Betrokkene wordt hierbij vanuit zijn stoornis onvoldoende gehinderd door gevoelens van spijt of medelijden. Op grond van de nu vastgestelde pathologie zou betrokkene ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten dan ook als ten hoogste enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kunnen worden gezien.

Het rapport van Offermans van 25 augustus 2010 houdt in, voor zover van belang:

Op grond van de gegevens uit het dossier (justitiële documentatie en Pro Justitia onderzoeken) wordt het bestaan van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zeer aannemelijk. Betrokkene heeft in de loop der jaren - althans voor zover bekend - geen psychologische of psychiatrische behandeling ondergaan, waardoor de kans zeer gering geacht kan worden, dat de ernst van genoemde anti-sociale persoonlijkheidsstoornis significant is afgenomen. Zeer waarschijnlijk is dat van deze anti-sociale persoonlijkheidsstoornis ook sprake was ten tijde van het ten laste gelegde.

Het hof kan zich met de conclusie - dat sprake is van, kort gezegd, een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis - van de deskundigen verenigen. Het hof neemt deze conclusie over en maakt de inhoud daarvan tot zijn oordeel. Hoewel de verdachte thans niet heeft willen meewerken aan het Pro Justitia onderzoek door de psycholoog en de psychiater, hebben de deskundigen kunnen vaststellen dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van anti-sociale persoonlijkheidsstoornis, en dat hiervan ook sprake was ten tijde van het ten laste gelegde.

Gelet op de inhoud van de evenbedoelde rapporten is het hof van oordeel dat de verdachte behandeld dient te worden voor zijn persoonlijkheidsstoornis. Op 30 augustus 2010 heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij thans geen behandeling door een psycholoog of psychiater ondergaat of in het verleden heeft ondergaan en dat hij, zoals hij formuleert, zonder behandeling aan zichzelf werkt, hetgeen naar zijn mening toereikend is.

Het hof acht, gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden en rekening houdend met de constatering van de deskundige Geurkink dat de verdachte ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten als (ten hoogste) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden gezien (gelijk deskundige Lely) terwijl deskundige Van Soest de verdachte voor de destijds ten laste gelegde feiten ook enigszins verminderd toerekeningsvatbaar acht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarnaast zal het hof - zoals hierna wordt gemotiveerd gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Het hof acht - ter bescherming van de maatschappij - een TBS met dwangverpleging aangewezen. Gebleken is dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten sprake was van een zodanig gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens dat deze feiten hem slechts in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. Voorts is er - naar het oordeel van het hof - groot recidivegevaar aanwezig. Het hof acht het, gelet op de aard, het aantal en de ernst van de bewezen geachte feiten en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, niet verantwoord de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd - waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren - in de maatschappij te laten terugkeren.

(...)

Ook heeft de raadsman het hof verzocht verdachte de maatregel van TBS niet op te leggen, gelet op de inhoud van de (oudere) rapporten en omdat uit de stukken niet blijkt dat er een verband bestaat tussen de stoornis en de ten laste gelegde feiten.

(...)

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is op de voet van het bepaalde in artikel 37a, eerste lid, Sr slechts vereist dat de stoornis tijdens de bewezen verklaarde feiten heeft bestaan. Het verband tussen de stoornis en hetgeen door het hof is bewezen geacht behoeft niet noodzakelijkerwijs verder te gaan dan de gelijktijdigheid van stoornis en feiten (Hoge Raad, 22 januari 2008, LJN BC1311).

Het hof stelt vast dat in het ter berechting voorliggende geval aan die eis is voldaan.

De door de verdachte begane feiten zijn voorts, met uitzondering van die in zaak C onder 2, misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en/of die als misdrijf vermeld worden in artikel 37a Sr. Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist. Gelet op de bewezenverklaring wordt de maatregel opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen, of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. Het verweer van de raadsman dat niet aan alle voorwaarden voor oplegging van een TBS met verpleging is voldaan, wordt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verworpen."

2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 37, tweede en derde lid, Sr:

"2. De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de betrokkene hebben onderzocht. (...)

3. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. (...)"

- Art. 37a, eerste en derde lid, Sr:

"1. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1° het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen (...), en

2° de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

(...)

3. Het tweede en derde lid van artikel 37 zijn van overeenkomstige toepassing."

- Art. 37b, eerste lid, Sr:

"De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist."

2.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter bij zijn beslissing over de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, niet is gebonden aan de in art. 37, tweede lid, Sr bedoelde rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht omdat de waardering van die rapporten en adviezen aan hem is voorbehouden. Het is voorts aan diezelfde rechter om te beoordelen of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van terbeschikkingstelling eist. Die beoordeling is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR 20 januari 2009, LJN BG1645, NJ 2009/73). Datzelfde geldt voor het oordeel of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege moet worden verpleegd.

2.5.1. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege heeft opgelegd, aangezien niet aan de voorwaarden van art. 37 in verbinding met art. 37a en 37b Sr is voldaan nu het Hof geen verband tussen de psychische stoornis van de verdachte en het gevaar voor herhaling heeft vastgesteld.

2.5.2. Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de bij de verdachte vastgestelde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zonder behandeling een zodanig groot gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in het leven roept dat dit de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist. Dat oordeel is in het licht van de door het Hof genoemde deskundigenrapporten, waaruit kan worden afgeleid dat ten aanzien van de verdachte een reëel risico op herhaling van soortgelijke strafbare feiten bestaat, niet onbegrijpelijk en kan, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld, in cassatie niet verder worden getoetst.

2.6.1. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof de rapporten van de deskundigen Lely, Geurkink en Offermans heeft gedenatureerd door onderdelen van die rapporten, voor zover die inhouden dat er geen gronden zijn voor oplegging van TBS met dwangverpleging dan wel dat er geen verband kan worden vastgesteld tussen de stoornis van de verdachte en het gevaar voor recidive, niet in de bestreden uitspraak op te nemen.

2.6.2. De klacht miskent dat de waardering van de rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, aan de feitenrechter is voorbehouden. Het Hof heeft de in het middel bedoelde onderdelen van de rapporten van Lely, Geurkink en Offermans tegen de achtergrond van hetgeen overigens in die rapporten omtrent de persoonlijkheid van de verdachte en het gevaar voor recidive is vermeld, terzijde gesteld en slechts die onderdelen weergegeven die het Hof relevant heeft geacht voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Deze waardering onttrekt zich aan toetsing in cassatie, zodat de klacht tevergeefs is voorgesteld.

2.7. Het middel faalt in beide onderdelen.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en tien maanden.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en negen maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 24 januari 2012.