Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BU3100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2012
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
10/02904
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BU3100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Koop. Voorkeursrecht. Uitleg akte van levering. Bewijskracht; art. 157 Rv. Akte levert slechts dwingend bewijs op ten behoeve van wederpartij en haar rechtverkrijgenden (HR 5 december 2003, LJN AK3701, NJ 2004/75). Uitleg hof aan de hand van de Haviltex-maatstaf is niet onjuist of onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/151
NJB 2012/297
NJ 2012/260 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JWB 2012/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2012

Eerste Kamer

10/02904

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E.C.M. Hurkens,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden Ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 229910 / HA ZA 07-830 van de rechtbank Utrecht van 27 juni 2007 (tussenvonnis), en 28 november 2007 (eindvonnis);

b. de arresten in de zaak 200.002.783 van het gerechtshof te Arnhem van 28 april 2009 (tussenarrest), en 30 maart 2010 (eindarrest).

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. I.C. Blomsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Het echtpaar [betrokkene 1 en 2] (hierna: [betrokkene 1 en 2]) hebben hun woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] verkocht en geleverd aan [betrokkene 3] en diens echtgenote [betrokkene 4] (hierna tezamen: [betrokkene 3 en 4]).

(ii) In art. 17 van de koopovereenkomst van 15 oktober 1996 (hierna: de koopovereenkomst) is bepaald:

"(..) Voorkeursrecht van koop

Artikel 17

Verkoper en koper zijn overeengekomen dat koper bij het metterwoon verlaten van het verkochte dit te koop aanbiedt aan [eiser], wonende [b-straat 1] te [plaats] en bij vooroverlijden zijn echtgenote, [verweerster] voor een waarde gelijk aan de waarde in het economisch verkeer, met dien verstand dat de waarde nimmer hoger zal zijn dan f 600.000,--. (..)"

(iii) In de akte van levering van 25 maart 1997 (hierna: de akte van levering) is bepaald:

"(..) VOORKEURSRECHT VAN KOOP

Koper verleent bij het metterwoon verlaten van het verkochte het voorkeursrecht van koop aan: [eiser], geboren op [geboortedatum] negentienhonderdachtenveertig en/of zijn echtgenote [verweerster], geboren op [geboortedatum] negentienhonderdzevenenvijftig, beiden wonende [b-straat 1] te [plaats], voor een waarde gelijke aan de waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat deze waarde nimmer hoger zal zijn dan zeshonderdduizend gulden (f 600.000,00). De waarde in het economisch verkeer zal in onderling overleg dienen te worden vastgelegd of, bij ontbreke aan overeenstemming daaromtrent, door een door de Kantonrechter te Utrecht aan te wijzen waardedeskundige. (..)"

(iv) [Verweerster], een nicht van [betrokkene 3 en 4], en [eiser] waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

In art. 5 van die voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen: "(...) Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van beiden enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht daarop bewijzen dan wordt het geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren. (...)".

(v) Het huwelijk tussen [eiser] en [verweerster] is ontbonden op 21 maart 2003 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een echtscheidingsconvenant (van december 2002), waarin zij elkaar algehele en finale kwijting verleenden.

(vi) Na het overlijden van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn [verweerster] en [eiser] onderling (en indirect ook met de executeurs-testamentair van [betrokkene 3 en 4]) in conflict geraakt met betrekking tot de vraag aan wie van hen beiden (de waarde van) het voorkeursrecht van koop toekomt. Nadat [verweerster] daarin had toegestemd, hebben de executeurs de woning voor een bedrag van € 272.339,-- verkocht en op 13 april 2007 geleverd aan [eiser].

(vii) [Eiser] heeft de woning op 16 juli 2007 doorverkocht voor een bedrag van € 560.000,--.

3.2.1 [Verweerster] heeft, voor zover in cassatie van belang, bij de rechtbank gevorderd te verklaren voor recht dat aan haar toekomt een bedrag ter grootte van primair het verschil dan wel subsidiair de helft van het verschil tussen enerzijds de vrije economische waarde van de woning per 13 april 2007 en anderzijds de in de akte van levering van 25 maart 1997 genoemde uitoefenprijs van het voorkeursrecht van koop met betrekking tot de woning per 13 april 2007, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank heeft de vordering van [verweerster] afgewezen.

3.2.2 In hoger beroep heeft [verweerster] alleen haar subsidiaire vordering gehandhaafd. Deze vordering is toegewezen. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen, voor zover in cassatie van belang, kan als volgt worden weergegeven.

De akte van levering, in het bijzonder de bewoording van het voorkeursrecht, waarin [eiser] en [verweerster] bij name zijn genoemd, levert dwingend bewijs op ten behoeve van [eiser] en [verweerster] (tussenarrest rov. 4.4). Nu de akte van levering dateert van na de koopovereenkomst en er volgens partijen tussentijds over de tekst van het voorkeursrecht is overlegd, kan bij wege van vermoeden ervan worden uitgegaan dat de in die akte neergelegde bewoordingen overeenstemmen met de laatst bekende wil van [betrokkene 1 en 2] en [betrokkene 3 en 4]. Naar de letter van de desbetreffende bepaling komt het voorkeursrecht toe aan [eiser] en/of zijn echtgenote [verweerster].

De uitleg van die bepaling zal plaatsvinden met toepassing van de Haviltex-maatstaf. (rov. 4.5). Taalkundig bezien heeft vooralsnog te gelden dat het voorkeursrecht aan [verweerster] en [eiser] in hun interne verhouding voor gelijke delen toekomt, maar [eiser] mag tegenbewijs leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat de in de akte van levering opgenomen tekst niet strookt met de werkelijke bedoeling van [betrokkene 1 en 2] en [betrokkene 3 en 4] (rov. 4.6).

[Eiser], op wiens verzoek een voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, is er vooralsnog niet in geslaagd tegenbewijs te leveren (rov. 4.8 t/m 4.14).

Nog onvoldoende is gebleken dat [betrokkene 3 en 4] ermee rekening moesten houden dat de instemming van [betrokkene 1 en 2] met de - ten opzichte van de koopovereenkomst gewijzigde - formulering van het voorkeursrecht in de akte van levering op een misverstand berustte. Gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 1 en 2] jegens [betrokkene 3 en 4] bezwaren kenbaar heeft gemaakt ten aanzien van de formulering van het voorkeursrecht in de akte van levering (rov. 4.13). Het hof is voorshands van oordeel dat het voorkeursrecht aan beiden toekomt (rov. 4.23). [eiser] zal overeenkomstig zijn daartoe gedane aanbod worden toegelaten tot het leveren van nader tegenbewijs (rov. 4.24).

In dat bewijs is hij niet geslaagd. Teneinde de dwingende bewijskracht van de akte van levering met tegenbewijs te ontzenuwen is niet voldoende de bedoeling van [betrokkene 1 en 2] te bewijzen. Er zal ten minste een spoor van twijfel bij [betrokkene 3 en 4] aanwezig moeten zijn geweest ten aanzien van de betekenis en implicatie van het noemen van beide namen van [verweerster] en [eiser] in combinatie met de bewoordingen "en/of", maar daarvan is niet gebleken (eindarrest rov. 2.2 en 2.8).

3.3.1 Onderdeel 1.1 van het middel keert zich tegen hetgeen het hof in rov. 4.4 en 4.6 heeft overwogen omtrent de dwingende bewijskracht van het in de akte van levering verklaarde aangaande het voorkeursrecht.

Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat deze dwingende bewijskracht ook geldt in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [verweerster]; zij hebben immers de akte niet ondertekend en hebben zich daarin dus ook niet jegens elkaar aangaande hun rechtsbetrekking gebonden.

3.3.2 Deze klacht is gegrond. De inhoud en strekking van art. 157 Rv. en de eisen van het rechtsverkeer brengen mee dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij (en haar rechtverkrijgenden), dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden (HR 5 december 2003, LJN AK3701, NJ 2004/75). Aan de onderhavige akte komt geen dwingend bewijs toe tegen [eiser] en [verweerster], ook niet in hun onderlinge verhouding, nu daaruit niet blijkt van hun bedoeling zich jegens de kopers, de verkopers dan wel elkaar bewijsrechtelijk te binden.

3.3.3 Hoewel onderdeel 1.1 gegrond is, leidt dat niet tot vernietiging. Uit het bestreden arrest blijkt immers dat het hof zijn oordeel dat [eiser] (nader) tegenbewijs moet leveren, niet alleen heeft gebaseerd op zijn (onjuiste) opvatting over de dwingende bewijskracht van de akte van levering, maar ook op zijn voorlopige oordeel over de uitleg van die akte, te weten dat (de waarde van) het voorkeursrecht in hun onderlinge verhouding aan [eiser] en [verweerster] voor gelijke delen toekomt (rov. 4.5 en begin van 4.6). Nu, zoals hierna zal blijken, de tegen laatstgenoemd oordeel gerichte klachten geen doel treffen, kan onderdeel 1.1 bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.4.1 Onderdeel 2.1 is ongegrond omdat, anders dan het onderdeel betoogt, geen tegenstrijdigheid bestaat tussen enerzijds het oordeel in rov. 4.4 dat aan de akte van levering dwingende bewijskracht toekomt en anderzijds het oordeel in rov. 4.5 dat bij wege van vermoeden ervan wordt uitgegaan dat de in de akte van levering neergelegde bewoordingen overeenstemmen met de laatst bekende wil van [betrokkene 1 en 2] en [betrokkene 3 en 4].

3.4.2 Onderdeel 2.2 klaagt over onbegrijpelijkheid van laatstvermeld oordeel. Het verwijt het hof aan essentiële stellingen van [eiser] omtrent de bedoelingen van partijen te zijn voorbijgegaan met de enkele motivering dat de akte van levering dateert van na de koopovereenkomst en dat er volgens partijen (door [betrokkene 1 en 2] en kandidaat-notaris [betrokkene 5]) tussentijds over de tekst van het voorkeursrecht is overlegd.

3.4.3 De klacht faalt. Het hof, dat in rov. 4.8 in verband met toepassing van de Haviltex-maatstaf is ingegaan op de (bewijslevering aangaande de) door het onderdeel bedoelde - door [verweerster] betwiste - stellingen, heeft uit de in rov. 4.5 genoemde omstandigheden het vermoeden kunnen afleiden dat de bewoordingen van de akte van levering overeenstemmen met de werkelijke bedoeling van [betrokkene 1 en 2] en [betrokkene 3 en 4]. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat oordeel dan ook niet.

3.4.4 De beide klachten van onderdeel 2.3, gericht tegen de vaststelling van het hof dat er volgens partijen tussentijds over de tekst van het voorkeursrecht is overlegd, berusten op een onjuiste lezing van het tussenarrest (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.28) en kunnen daarom wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.1 De onderdelen 3.1 en 3.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben als gemeen-schappelijke noemer dat het hof slechts lippendienst heeft bewezen aan de Haviltex-maatstaf en in feite de woorden "[eiser] (...) en/of zijn echtgenote [verweerster]" uitsluitend taalkundig heeft uitgelegd, hetgeen in een geval als dit niet is toegestaan.

3.5.2 De onderdelen falen. Zij zien eraan voorbij dat het hof de betekenis van genoemde woorden ten slotte weliswaar heeft vastgesteld door middel van taalkundige uitleg, maar niet dan nadat het hof tot het oordeel was gekomen dat er geen andere voor toepassing van de Haviltex-maatstaf relevante feiten of omstandigheden waren gebleken die aan zodanige wijze van uitleg in de weg stonden.

3.5.3 Onderdeel 3.3, dat met juistheid veronderstelt dat rov. 4.7-4.14 mede zien op de uitleg van de akte van levering, klaagt onder meer dat dit onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat, kort gezegd, de uitleg een andere vraag betreft dan die van het tegenbewijs.

3.5.4 Het onderdeel faalt omdat onjuist noch onbegrijpelijk is dat het hof zijn (voorlopig) oordeel over de uitleg van de akte heeft gegeven mede aan de hand van het reeds beschikbare bewijsmateriaal.

3.6 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, M.A. Loth en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 20 januari 2012.