Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BT8951

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
10/05396
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BT8951
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1200, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoek. Het Hof heeft het verzoek aan de hand van de juiste maatstaf afgewezen. De afwijzing is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De politieverklaringen van X zijn niet het enige bewijsmiddel waaruit verdachte betrokkenheid bij het tlg. feit rechtstreeks kan volgen zodat het Hof niet ambtshalve gehouden X als getuige op te roepen en te horen (HR NJ 1994/426 en HR LJN AV4834).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/208
NJ 2012/84
SR-Updates.nl 2012-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2012

Strafkamer

nr. S 10/05396

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 oktober 2010, nummer 20/004975-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht, locatie Nieuwegein" te Nieuwegein.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het (opnieuw) horen van de getuige [getuige 1] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 26 mei 2007 te Boxtel opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer] met een mes te snijden in de hals."

2.3. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje "de verklaringen van [getuige 1]" het volgende overwogen:

"De verdediging heeft betoogd dat de hiervoor onder 9 weergegeven verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet tot bewijs dienen te worden gebezigd.

Het hof stelt ten aanzien van de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen - kort weergegeven - het volgende vast.

1. [Getuige 1] is op 18 maart 2008 gehoord door de Gerechtelijke Politie te Verviers. Daarbij heeft hij zijn hiervoor onder 9 weergegeven verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat de verdachte hem heeft verteld dat hij, de verdachte, diens echtgenote had gedood.

2. Op verzoek van de verdediging is [getuige 1] vervolgens op 25 november 2008 in het kader van een rogatoire commissie door de rechter-commissaris gehoord te Luik. Bij dat verhoor was de raadsman van de verdachte aanwezig. Daarbij heeft de getuige zijn hiervoor eveneens onder 9 weergegeven verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat hij zijn op 18 maart 2008 te Verviers afgelegde verklaring bevestigt.

3. [Getuige 2] is eveneens op 25 november 2008 in het kader van een rogatoire commissie door de rechter-commissaris gehoord te Luik. Ook bij dat verhoor was de raadsman van de verdachte aanwezig. Daarbij heeft [getuige 2] zijn hiervoor onder 10 weergegeven verklaring afgelegd.

4. Op verzoek van de verdediging is [getuige 1] op 14 juni 2010 gehoord door de raadsheer-commissaris. Bij dat verhoor waren de verdachte en diens raadsvrouwe aanwezig. Daarbij heeft de getuige verklaard dat hij niet van de verdachte had vernomen dat hij, verdachte, zijn echtgenote had gedood. Naar aanleiding van dit verhoor is de getuige - op last van de eveneens bij het verhoor aanwezige advocaat-generaal - door de parketpolitie aangehouden ter zake van een verdenking van meineed gepleegd tijdens laatstgenoemd verhoor.

5. [Getuige 1] is op 16 juni 2010 ter zake van genoemde verdenking van meineed als verdachte gehoord door de regiopolitie Brabant Noord. Van dat verhoor is een audioregistratie gemaakt die door de verdediging is beluisterd. Daarbij heeft [getuige 1] - kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij in zijn verhoren d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 de waarheid heeft verklaard en dat hij in zijn verhoor d.d. 14 juni 2010 heeft gelogen omdat de verdachte bij dat verhoor aanwezig was en hij, [getuige 1], had vernomen van een bedreiging aan diens adres door de verdachte, inhoudende dat de verdachte naar België zou komen indien de getuige diens verklaring niet zou aanpassen.

De verdediging heeft bij pleidooi verzocht om, indien het hof de verklaring(en) van [getuige 1] (het hof begrijpt: d.d. 18 maart 2008 en/of 25 november 2008) betrouwbaar acht en voornemens is die tot bewijs te bezigen, in de gelegenheid te worden gesteld om deze getuige nadere vragen te stellen over de beweerde bedreiging, zulks om de juistheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat deze verklaringen, inhoudende dat de verdachte tegenover hem heeft bekend zijn echtgenote om het leven te hebben gebracht, steun vinden in hetgeen hiervoor - mede op grond van de deskundigenrapporten - is overwogen omtrent de ongeloofwaardigheid van het "val-scenario".

Het hof acht voorts van belang dat de gewraakte verklaringen van [getuige 1] in belangrijke mate steun vinden in de hiervoor onder 10 weergegeven verklaring van [getuige 2]. Laatstgenoemde bevestigt immers dat er eind mei 2007 in Verviers een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en diens neef, waarbij [getuige 2] aanwezig was op de achterbank van de auto. De verdachte en [getuige 1] spraken toen met elkaar in het Riffijns, een taal die [getuige 2] niet verstond, waaruit [getuige 2] begreep dat het gesprek privé was. [Getuige 2] bevestigt voorts dat [getuige 1] gespannen en bezorgd leek en na het gesprek naar diens appartement is gegaan. De verdachte zei toen tegen [getuige 2] dat hij een stommiteit had begaan en niet op zijn familie kon rekenen, waarna [getuige 1] uit diens appartement kwam en een tas aan de verdachte gaf.

De verklaring van [getuige 1] dat de verdachte tegen hem zei dat hij ruzie met zijn vrouw had gehad, vindt voorts steun in de hiervoor onder 8 weergegeven verklaring van de verdachte zelf.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat, zoals de verdediging als mogelijkheid heeft aangedragen, [getuige 1] in de periode vóór zijn verhoor op 18 maart 2008 "via via" reeds verhalen had gehoord over de (vermeende) dood van de echtgenote van de verdachte en daaraan zijn verklaring heeft aangepast. Het hof heeft daarvoor geen objectieve aanknopingspunten aangetroffen in het dossier, mede in aanmerking genomen dat [getuige 1] bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris op 14 juni 2010 heeft ontkend dat hij in de familie geruchten had gehoord over de dood van de echtgenote van de verdachte.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat [getuige 1] er belang bij had om de verdachte valselijk te belasten. De verdachte heeft in dit verband gesteld dat zijn neef hem geld verschuldigd was in verband met een door de verdachte verstrekte geldlening die verband zou houden met de handel in illegalen en drugs door [getuige 1] en diens broer. Daarover zouden de verdachte en [getuige 1] ruzie hebben gehad.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken van betrokkenheid van [getuige 1] bij de handel in illegalen of drugs, laat staan dat hij om die reden de verdachte valselijk heeft belast. Het hof heeft ook daarvoor geen objectieve aanknopingspunten aangetroffen in het dossier. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [getuige 1] de verdachte in verband met een geschil over een geldlening of om enige andere reden valselijk heeft belast.

Nu de verklaringen van [getuige 1] d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 gedetailleerd zijn, in belangrijke mate steun vinden in overig bewijsmateriaal en niet aannemelijk is geworden dat deze getuige de verdachte valselijk heeft willen belasten, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Het hof acht deze verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt die tot bewijs.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van deze getuige over de beweerde bedreiging af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daartoe overweegt het hof dat, in aanmerking genomen dat de verklaringen d.d. 18 maart 2008 en 25 november 2008 in belangrijke steun vinden in overig bewijsmateriaal, het hof zich voldoende in staat acht de betrouwbaarheid van deze verklaringen te wegen."

2.4. Het middel faalt. Door de raadsvrouwe is bij pleidooi het (voorwaardelijke) verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] als getuige. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging [getuige 1] nadere vragen wenst te stellen over de beweerde bedreiging om de juistheid en betrouwbaarheid van diens (belastende) verklaringen van 18 maart 2008 en 25 november 2008 te kunnen toetsen. Het Hof heeft dat verzoek afgewezen aan de hand van de - juiste - maatstaf of de noodzaak daartoe is gebleken. Dat oordeel, dat inhoudt dat het Hof zich, in aanmerking genomen dat die verklaringen van [getuige 1] in belangrijke mate steun vinden in overig bewijsmateriaal, voldoende in staat acht de betrouwbaarheid van die verklaringen te wegen, is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Anders dan in de toelichting op het middel met een beroep op de arresten van de Hoge Raad van 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427 en van 6 juni 2006, LJN AV4834, NJ 2006/333 nog wordt aangevoerd, was het Hof niet gehouden ambtshalve [getuige 1] als getuige op te roepen en te horen, reeds omdat blijkens de vaststellingen van het Hof de desbetreffende voor het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] niet het enige bewijsmiddel zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 24 januari 2012.