Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BT8788

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11/01759
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BT8788
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4189, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 38 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Gedifferentieerde WGA-premie. Kleine werkgever. Verbindendheid Besluit Wfsv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 610 met annotatie van Schouten
FutD 2012-0676
V-N Vandaag 2011/2592
V-N Vandaag 2012/652
V-N 2012/17.16
BNB 2012/135
V-N 2012/27.13.18

Uitspraak

9 maart 2012

nr. 11/01759

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 maart 2011, nr. 09/00261, betreffende beschikkingen inzake de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2008 twee beschikkingen afgegeven inzake de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas als bedoeld in artikel 34 in samenhang met artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv), welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2070) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de Rechtbank onbevoegd verklaard om als belastingrechter kennis te nemen van het beroep van belanghebbende tegen het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genomen besluit van 7 augustus 2007 (Stcrt. nr. 170, blz. 14) en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 6 oktober 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau. Zij is voor de heffing van werknemersverzekeringen ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven).

3.1.2. De Inspecteur heeft de hoogte van de opslag in het kader van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas in de zin van artikel 38, lid 2, van de Wfsv (hierna: de gedifferentieerde WGA-premie) voor het jaar 2008 voor belanghebbende berekend op 2,59 percent. Gelet op het in het Besluit Werkhervattingskas 2008 voor kleine werkgevers opgenomen maximum heeft de Inspecteur bij de bestreden beschikkingen de hoogte van de gedifferentieerde WGA-premie ten aanzien van belanghebbende vastgesteld op het maximum van 1,74 percent.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of het premiepercentage voor de gedifferentieerde WGA-premie door de Inspecteur te hoog is vastgesteld. Niet in geschil was dat de berekening die de Inspecteur aan deze vaststelling ten grondslag heeft gelegd, strookt met de in het Besluit Werkhervattingskas 2008 en het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (tekst 2008, hierna: het Besluit Wfsv) gegeven regels, premies en parameters.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de regelgever met de in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv opgenomen regeling de hem in artikel 38, lid 4, van de Wfsv gegeven bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Onder meer tegen dit oordeel keren zich de klachten. Daartoe betoogt belanghebbende onder meer dat uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) niet mogen worden meegeteld in de berekening van de individuele opslag of korting als bedoeld in artikel 38, lid 2, van de Wfsv. Belanghebbende betoogt voorts dat ook de zogenoemde rentehobbelopslag als bedoeld in artikel 2.8, lid 2, van het Besluit Wfsv de grenzen van de in artikel 38, lid 4, van de Wfsv gedelegeerde bevoegdheid te buiten gaat.

3.4. Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat in artikel 38 van de Wfsv geen voorschriften zijn opgenomen omtrent de elementen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in aanmerking genomen mogen worden bij de vaststelling en berekening van de in artikel 38, lid 4, van die wet bedoelde percentages, opslagen en kortingen. Verder is van belang dat uit de parlementaire geschiedenis van de laatstgenoemde wetsbepaling, zoals weergegeven in onderdeel 4.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, blijkt dat de wetgever heeft aanvaard dat in de aanvangsjaren van de werking van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: de Wet WIA) de opslagen en kortingen als bedoeld in artikel 38, lid 2, van de Wfsv mede worden bepaald aan de hand van gerealiseerde WAO-lasten. Verder blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet WIA, weergegeven in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, dat de wetgever de oplossing van het probleem van de zogenoemde rentehobbel heeft gezocht in de invoering van een opslag op de publieke gedifferentieerde premie.

3.5. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de wijze waarop in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv rekening wordt gehouden met uitkeringen ingevolge de WAO strijd oplevert met artikel 38 van de Wfsv. Hetzelfde geldt voor de regeling in het Besluit Wfsv met betrekking tot de rentehobbelopslag. Evenmin kan worden gezegd dat de laatstbedoelde regeling een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen publiek verzekerde en andere werkgevers. In zoverre falen de klachten derhalve.

3.6. Belanghebbende betoogt voorts dat de aan WAO-gerechtigden uitgekeerde vakantie-uitkeringen ten onrechte in de berekening van de gedifferentieerde WGA-premie zijn betrokken. Dit betoog kan niet tot cassatie leiden. Het wordt immers voor het eerst in cassatie gevoerd, terwijl uit de uitspraken van de Rechtbank en het Hof en de stukken van het geding niet is af te leiden in hoeverre de Inspecteur in dit geval bij de vaststelling van de hoogte van de gedifferentieerde WGA-premie in feite rekening heeft gehouden met vakantie-uitkeringen. Niettemin zal hierna - ten overvloede - op dit betoog van belanghebbende worden ingegaan. Zoals hiervoor in onderdeel 3.4 reeds is overwogen, blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever heeft beoogd de premiedifferentiatie voor het onderhavige jaar (mede) te baseren op "gerealiseerde WAO-lasten". Daaronder zijn ook de lasten te begrijpen die voortvloeien uit de betaling van vakantie-uitkeringen als bedoeld in artikel 59a van de WAO. Deze bedoeling van de wetgever valt ook af te leiden uit de parlementaire geschiedenis, weergegeven in onderdeel 4.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, waarin is opgemerkt dat zoveel mogelijk zal worden aangesloten bij de tot dan toe geldende "Pemba-methodiek". In die methodiek werd het individuele werkgeversrisicopercentage op grond van artikel 4, lid 2, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (Stb. 1997, 338) eveneens gebaseerd op aan de werkgever toe te rekenen "arbeidsongeschiktheidsuitkeringen", en die laatste term zag volgens de Nota van toelichting op de bruto-uitkeringen inclusief vakantie-uitkering. Tevens blijkt de meergenoemde bedoeling uit het tiende lid van artikel 2.9 van het Besluit Wfsv, waarin ervan wordt uitgegaan dat voor de toepassing van het tweede lid van dat artikel ook rekening wordt gehouden met vakantie-uitkeringen. Tegenover deze bedoeling van de regelgever komt onvoldoende betekenis toe aan de omstandigheid dat de vakantie-uitkering in artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv niet wordt genoemd. Derhalve behoort voor de toepassing van die bepaling ook rekening te worden gehouden met vakantie-uitkeringen als bedoeld in artikel 59a van de WAO die aan de werkgever zijn toe te rekenen.

3.7. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2012.