Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BT2182

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2012
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
10/03812 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BT2182
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Onder klager is ex art. 94 Sv beslag gelegd op 80 coupures van € 500,-. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BL2823. Het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, het bedrag verbeurd zal verklaren, is niet toereikend gemotiveerd, nu het uitsluitend is gegrond op de omstandigheid dat klager wisselend heeft verklaard over de herkomst van het geld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/129
NJB 2012/304
NBSTRAF 2012/62
SR-Updates.nl 2012-0016
NbSr 2012/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2012

Strafkamer

nr. S 10/03812 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 12 augustus 2010, nummer RK 10/829, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. D.M. Penn, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op analoge toepassing van art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van de middelen

2.1. De middelen bevatten de klacht dat het Hof de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2. De Rechtbank heeft haar in de middelen bestreden beslissing als volgt gemotiveerd:

"Vast is komen te staan, dat bedoeld geldbedrag op 5 juni 2010 op rechtmatige wijze onder klager in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

Door en namens klager is, zakelijk weergegeven, onder meer aangevoerd, dat:

- het in beslag genomen briefgeld aan hem, althans aan zijn onderneming ([A] BV), toebehoort;

- hij van dat briefgeld geen afstand heeft gedaan;

- het briefgeld niet door enig strafbaar feit is verkregen of aan een rechthebbende is onttrokken;

- hij op 5 juni 2010 naar Turkije wilde vliegen om daar met potentiële leveranciers van ongeregelde goederen te onderhandelen;

- door dergelijke leveranciers in Turkije niet zelden prijs wordt gesteld op contante betaling;

- op deze handelswijze niets is aan te merken, laat staan iets strafrechtelijks;

- de inbeslagneming onder klager dan ook niet rechtmatig was, omdat daarvoor geen grond aanwezig was;

- de inbeslagneming in redelijkheid niet kan bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid ter zake enig strafbaar feit, aangezien geen strafbaar feit heeft plaatsgevonden en klager daar evenmin van wordt verdacht;

- hij bovendien aanzienlijk door de inbeslagneming van het grootste gedeelte van zijn bedrijfskapitaal wordt bezwaard, nu hij niet in staat is goederen in te kopen en zijn bedrijf geen resultaat kan boeken;

- de vaste lasten van klager en zijn bedrijf doorlopen, waardoor hij op het punt staat verliezen te leiden;

- geen enkel strafvorderlijk belang zich tegen de gevraagde teruggave verzet, nu er tegen klager geen strafrechtelijke procedure loopt en er jegens hem geen verdenking is uitgesproken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van het geld verzet, onder meer nu zich te dezen niet voordoet het geval, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, het in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel, dat klager voorshands ongenoegzaam heeft aangetoond dat het bij hem aangetroffen geld afkomstig is uit onverdachte bron. Hij heeft daarover wisselend verklaard, zodat zich vooralsnog niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder klager in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren en het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het daarop gelegde beslag en de teruggave daarvan aan klager."

2.3. De stukken waarover de Hoge Raad de beschikking heeft houden in dat op 5 juni 2010 te Schiphol op de voet van art. 94 Sv onder de klager beslag is gelegd op een geldbedrag van € 40.000,- bestaande uit 80 coupures van € 500,-.

2.4. Zoals de Hoge Raad heeft uiteengezet in zijn beschikking van 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8-2.9, dient in geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal bevelen.

2.5. Het oordeel van de Rechtbank dat zich te dezen niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren, is niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de Rechtbank dat oordeel uitsluitend heeft gegrond op de omstandigheid dat de klager wisselend heeft verklaard over de herkomst van het geldbedrag.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2012.