Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BQ7243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
10/04770
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BQ7243
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8167, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Art. 10, lid 1, letter d, en art. 10a, lid 2, letter c, en lid 3, Wet Vpb 1969. Art. 15 Wet Vpb 1969 (regime tot 1 januari 2003). Verbindendheid standaardvoorwaarden. Bij de gesplitste winstberekening van tot een fiscale eenheid behorende maatschappijen is art. 10a Wet Vpb 1969 van toepassing. Een hybride lening is ‘een andere vorm van aanwending van vermogen’. Gestalde buitenlandse winst valt onder ‘andersoortige aanspraken’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/40.9 met annotatie van Redactie
V-N 2012/16.16 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2012/700
BNB 2012/149 met annotatie van R.J. de Vries
FutD 2012-0738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 maart 2012

nr. 10/04770

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 23 september 2010, nrs. AWB 08/7806 tot en met 08/7809, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn voor de boekjaren 2001/2002 tot en met 2004/2005 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakte bezwaren, bij afzonderlijke uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 24 mei 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Het boekjaar van belanghebbende loopt van 1 juli tot en met 30 juni. Sinds 1 juli 2001 maakt zij als moedermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid waartoe ook haar dochtermaatschappij G B.V. (hierna: G) behoort.

3.1.2. De fiscale eenheid is tot stand gekomen bij beschikking van 16 mei 2002. Aan de inwilliging van het verzoek zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn gelijk aan de zogenoemde standaardvoorwaarden (Stcrt. 1991, 189) en luiden voor zover hier van belang als volgt:

"3a. Voor de toepassing van artikel 20 van de Wet of daarvoor in de plaats getreden wettelijke bepalingen op vóór het verenigingstijdstip geleden verliezen en op terug te wentelen verlies van één der jaren na het verenigingstijdstip naar een vóór dat tijdstip gelegen jaar, wordt de winst van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen telkenjare berekend alsof die maatschappijen afzonderlijk belastingplichtig waren.

Bij deze winstberekening wordt slechts winst aan een maatschappij toegerekend voor zover deze als zodanig bij de combinatie tot uitdrukking komt.

Indien de winst van de combinatie positief is, wordt de negatieve winst van een maatschappij voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op de positieve winsten van de andere maatschappijen die geen aanspraak hebben op verrekening van vóór het verenigingstijdstip geleden verliezen en voor het resterende gedeelte op die van de overige andere maatschappijen. Deze verminderingen vinden, voor zover nodig, naar verhouding van de positieve winsten plaats.

Indien de winst van de combinatie negatief is, wordt de positieve winst van een maatschappij voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op de negatieve winsten van de andere maatschappijen die geen aanspraak hebben op verrekening met de belastbare winst of winsten van een/de aan het verenigingstijdstip voorafgaand(e) jaar/jaren en voor het resterende gedeelte op die van de overige andere maatschappijen, naar verhouding van hun negatieve winsten.

(...)

3f. Indien ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting positieve buitenlandse winsten van één der maatschappijen uit vóór het verenigingstijdstip gelegen jaren naar volgende jaren worden overgebracht of negatieve buitenlandse winsten van één der maatschappijen uit vóór het verenigingstijdstip gelegen jaren in volgende jaren worden verrekend, zal

- de positieve buitenlandse winst, binnen de daarvoor gestelde termijnen, slechts worden overgebracht, voor zover van de positieve binnenlandse winst van de combinatie een deel aan de desbetreffende maatschappij is toe te rekenen;

-(...)

Bij deze toerekening is voorts het bepaalde onder a van deze voorwaarde van overeenkomstige toepassing."

3.1.3. Aan belanghebbende is op de voet van artikel IV, lid 2, van de Wet van 11 december 2002 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid), Stb. 2002, 618, een beschikking afgegeven op grond waarvan ten aanzien van belanghebbende voor de boekjaren 2003/2004 en 2004/2005 artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidde tot 1 januari 2003 van toepassing is.

3.1.4. G beschikte bij het aangaan van de fiscale eenheid over een bedrag van € 18.522.017 aan zogenoemde gestalde buitenlandse winst (hierna ook: stallingswinst). Dat bedrag is op de voet van de artikelen 34 en 42 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: Bvdb 2001) vastgesteld bij beschikking van 5 juli 2001.

3.1.5. Op 2 januari 2002 heeft belanghebbende aan G een bedrag van € 20.000.000 geleend (hierna: lening 1).

Niet in geschil is dat lening 1 valt onder artikel 10, lid 1, letter d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

3.1.6. Eveneens op 2 januari 2002 heeft G een lening aan belanghebbende verstrekt ter grootte van een bedrag van € 20.000.000 (hierna: lening 2). Overeengekomen is dat een rente is verschuldigd van LIBOR + 0,46875 per jaar, dat de looptijd negen jaar bedraagt en dat de lening (geheel of gedeeltelijk) eerder kan worden terugbetaald, mits dit tijdig wordt medegedeeld aan de schuldeiser.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de berekening van de 'aftrek elders belast' - wegens de hiervoor in 3.1.4 vermelde stallingswinst van G - geen rekening mag houden met de door G op lening 2 ontvangen rente. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.

3.3. Middel 1 betoogt dat met het stellen van (standaard)voorwaarde 3f wordt getreden buiten de delegatiebevoegdheid van artikel 15, lid 3, van de Wet, aangezien de voorwaarde niet strekt ter verzekering van de heffing en de invordering van de belasting. Het middel doet voor de uitleg van het begrip 'heffing' een beroep op de betekenis van deze term in artikel 7 van de Wet.

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.4.1. Middel 2 betoogt dat bij de toepassing van standaardvoorwaarde 3f de aftrekbeperking zoals die volgt uit artikel 10a, lid 2, van de Wet niet van toepassing is. Het middel stelt in de eerste plaats dat er binnen een fiscale eenheid, en dus ook bij de toepassing van standaardvoorwaarde 3f, geen sprake is van verbondenheid in de zin van artikel 10a van de Wet.

In de tweede plaats stelt het middel dat om te voldoen aan het in standaardvoorwaarde 3f in verbinding met standaardvoorwaarde 3a gestelde vereiste dat bij de gesplitste winstberekening slechts winst aan een maatschappij wordt toegerekend voor zover deze als zodanig bij de combinatie tot uitdrukking komt, artikel 10a van de Wet bij belanghebbende met betrekking tot de rente op lening 2 buiten toepassing dient te worden gelaten.

3.4.2. Middel 2 faalt. Bij de toepassing van standaardvoorwaarde 3a, betreffende de verliescompensatie, moeten de winsten van de tot de fiscale eenheid behorende vennootschappen worden berekend alsof die vennootschappen zelfstandig belastingplichtig zijn. Hiermee wordt beoogd de verrekening van voorvoegingsverliezen te beperken tot die verliezen die zonder het bestaan van een fiscale eenheid ook tot verrekening zouden zijn gekomen. Door de verwijzing in standaardvoorwaarde 3f naar standaardvoorwaarde 3a heeft voor de overbrenging van positieve buitenlandse winsten dienovereenkomstig te gelden dat deze dient te worden beperkt tot die buitenlandse winsten die ook zonder het bestaan van een fiscale eenheid tot overbrenging zouden zijn gekomen. Gezien deze doelstelling zullen voor de gesplitste winstberekening in beginsel alle bepalingen van de Wet, ook die met betrekking tot de uitsluiting van de renteaftrek en de daarmee verband houdende bepalingen, moeten worden toegepast zonder rekening te houden met de bestaande fiscale eenheid. Voor de toepassing van standaardvoorwaarde 3f is derhalve sprake van verbondenheid in de zin van artikel 10a van de Wet.

Met betrekking tot de tweede stelling van het middel geldt het volgende. Het middel wijst terecht op het vereiste van standaardvoorwaarde 3a. Aan dit vereiste kan echter niet alleen worden voldaan door bij belanghebbende met betrekking tot de rente op lening 2 artikel 10a van de Wet buiten toepassing te laten, maar ook door, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, bij de winstberekening bij G de renteopbrengst van lening 2 te elimineren. De Hoge Raad sluit zich bij dit oordeel aan. Aldus wordt voldaan aan de hiervoor omschreven doelstelling van standaardvoorwaarden 3a en 3f, waarin het past artikel 10a van de Wet ook toe te passen wanneer met de desbetreffende rechtshandelingen beoogd is op kunstmatige wijze voorvoegingsverliezen te verrekenen, onderscheidenlijk buitenlandse winsten van voor de voeging over te brengen naar de fiscale eenheid.

3.5.1. Middel 3 - dat ziet op de periode tot 1 januari 2003 - betoogt dat lening 1 niet onder de besmette handelingen van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003) valt, aangezien het verstrekken van die lening niet kan worden aangemerkt als "een aanwending van vermogen (...) ten behoeve van het lichaam (...) aan wie de geldlening verschuldigd is". Hieronder valt, aldus het middel, alleen een kapitaalverstrekking in eigenlijke zin en niet een lening als de onderhavige.

3.5.2. Middel 3 stelt aan de orde of het verstrekken van een hybride lening in de zin van artikel 10, lid 1, letter d, van de Wet is aan te merken als een andere vorm van aanwending van vermogen in de zin van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003).

De tekst van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003) spreekt van "een andere vorm van aanwending van vermogen". Ten tijde van de invoering van deze bepaling waren de bepalingen met betrekking tot de lening die "onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen", de zogenoemde hybride lening, nog niet in de Wet opgenomen. Dit is gebeurd per 1 januari 2002. Bij de invoering van deze laatste bepalingen is artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet niet aangepast. Evenmin is in de wetsgeschiedenis ingegaan op de toepasselijkheid van deze bepaling op de hybride lening. Aangezien de tekst van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet "een andere vorm van aanwending van vermogen", de mogelijkheid openlaat dat ook het verstrekken van een hybride lening hieronder valt en de wetsgeschiedenis van artikel 10a, lid 2, letter c, en artikel 10, lid 1, letter d, van de Wet geen duidelijkheid geeft, zijn voor het antwoord op de voormelde vraag het doel en de strekking van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003) beslissend.

Artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003) beoogt onder meer grondslaguitholling tegen te gaan die ontstaat wanneer tegenover een storting van eigen vermogen in een dochtermaatschappij een schuld aan die dochtermaatschappij wordt aangegaan, waardoor tegenover baten die onder de deelnemingsvrijstelling vallen een verplichting tot een rentebetaling wordt gecreëerd. Deze grondslaguitholling doet zich ook voor indien in de dochtermaatschappij geen eigen vermogen wordt gestort, maar aan die dochtermaatschappij een hybride lening wordt verstrekt die wat betreft de rente en waardemutaties zowel bij de debiteur als bij de crediteur fiscaal op gelijke wijze als eigen vermogen wordt behandeld. Het strookt daarom met de doelstelling van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003) het verstrekken van een hybride lening aan te merken als "een andere vorm van aanwending van vermogen" in de zin van artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet (tekst tot 1 januari 2003). Het oordeel van de Rechtbank dat ook in het jaar 2002 artikel 10a, lid 2, letter c, van de Wet op lening 2 van toepassing is, is mitsdien juist. Ook middel 3 faalt.

3.6.1. Middel 4 betoogt dat stallingswinsten niet kunnen worden aangemerkt als 'andersoortige aanspraken' in de zin van artikel 10a, lid 3, letter b, van de Wet en dat sprake is van compenserende heffing, waardoor de aftrekbeperking van artikel 10a van de Wet niet van toepassing is.

3.6.2. Voor zover het middel aanvoert dat de 'aftrek elders belast' de (redelijke) heffing niet aantast, faalt het op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Middel 4 faalt ook voor het overige. Het betoog dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat niet is beoogd stallingswinst onder 'andersoortige aanspraken' te begrijpen, kan niet als juist worden aanvaard. In de wetsgeschiedenis is geen limitatieve opsomming van andersoortige aanspraken opgenomen, maar zijn slechts voorbeelden genoemd. Stallingswinsten passen in de lijn van deze voorbeelden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.