Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BQ6144

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
10/04819
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BQ6144
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsminimum art. 342.2 Sv (unus testis nullus testis). HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BM2452. In het onderhavige geval kan niet kan worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaring van getuige X onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Geen schending art. 342.2 Sv. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 342
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 176
NBSTRAF 2012/176 met annotatie van mr. R. Zilver
RvdW 2012/398
NJB 2012/721
NJ 2012/252 met annotatie van T.M. Schalken

Uitspraak

6 maart 2012

Strafkamer

nr. S 10/04819

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 augustus 2010, nummer 22/005173-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks 10 maart 2009 te Delft ([a-straat]) tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter (zwarte Piaggio) toebehorende aan [betrokkene 1]."

2.2. Met betrekking tot deze bewezenverklaring heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. (...) Ten aanzien van feit 1, 2, 3, 5 en 6 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn en dat ten aanzien van feit 2, 3, 5 en 6 bovendien sprake is van een "unus testis-situatie".

(...)

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van medeverdachte [medeverdachte] alsmede de betrouwbaarheid van aangever [betrokkene 2] overweegt het hof dat de door hen ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen gedetailleerd zijn, dat hun verklaringen ten aanzien van feit 1 op essentiële punten overeenkomen en dat die verklaringen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 5 worden ondersteund door de overige gebezigde bewijsmiddelen. Het hof stelt bovendien vast dat [medeverdachte] zijn eigen aandeel met betrekking tot de feiten 2, 3 en 5 geenszins verhult.

Het hof acht de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en aangever [betrokkene 2] derhalve geloofwaardig. Dat de verklaringen niet op alle onderdelen steeds consistent zijn maakt dat niet anders."

alsmede:

"Aangeefster [betrokkene 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij haar scooter, merk Piaggio, kleur zwart, op 9 maart 2009 in de voortuin van haar woning aan de [a-straat 1] heeft gezet. Op 10 maart 2009 hoorde zij van haar vader dat haar scooter was weggenomen. De door de verbalisant getoonde scooter herkent zij als haar gestolen scooter. Aangeefster verklaart aan niemand toestemming te hebben gegeven tot het plegen van het feit.

Blijkens een proces-verbaal van de politie Haaglanden is door de politie een scooter in beslag genomen die na een confrontatie met twee politieagenten op 21 maart 2009 te Delft door de bestuurder en zijn passagier op de vlucht werd achtergelaten. Bij navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam bleek dat het kenteken van de scooter op naam gesteld was van [betrokkene 1], wonende te Delft aan de [a-straat 1].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de nacht van 20 op 21 maart 2009 samen met verdachte op een scooter door Delft reed en aldaar een politieagent heeft aangereden. [Medeverdachte] verklaart dat zij ten val kwamen en vervolgens zijn weggerend. [Medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij de betreffende scooter samen met verdachte uit een voortuin vlak bij het [...] heeft gestolen.

Medeverdachte [medeverdachte] werd blijkens proces-verbaal van de politie Haaglanden door verbalisant [verbalisant 1] met stelligheid herkend als één van de twee personen die op de scooter reed."

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

3.2. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515).

3.3. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte] onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat dit inhoudt dat de scooter die [medeverdachte] na de confrontatie met de politie had achtergelaten en waarover hij in zijn verklaring spreekt, bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer op naam bleek te zijn gesteld van degene die aangifte had gedaan van de diefstal van haar scooter, en dat zij deze scooter ook als de hare heeft herkend. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

3.4. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 maart 2012.