Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BQ1248

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
10/03465
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BQ1248
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1174, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Artikel 10a Wet Vpb 1969. Totaalwinst, positieve valutaresultaten vrijstellen, salderen met niet-aftrekbare rente, kosten en valutaverliezen, of belasten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/516
Belastingadvies 2012/7.7
V-N 2012/14.17 met annotatie van Redactie
FED 2012/50 met annotatie van M.C. Cornelisse, M.Sc.
BNB 2012/229 met annotatie van S.C.W. DOUMA
FutD 2012-0509 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 februari 2012

nr. 10/03465

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2010, nr. 08/01339, betreffende beschikkingen in de zin van artikel 20b, lid 1, en artikel 21a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbare winst van € 4.022.276 en een belastbaar bedrag van nihil. Gelijktijdig is bij beschikking (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking) het verlies van het jaar 2004 vastgesteld op nihil en is een beschikking (hierna: de verliesverrekeningsbeschikking) genomen tot verrekening van de vastgestelde belastbare winst met een verlies van het jaar 2000 tot een bedrag ter grootte van eveneens € 4.022.276.

Na tegen de verliesvaststellingsbeschikking en de verliesverrekeningsbeschikking gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken de beschikkingen gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/3162) heeft - zo verstaat de Hoge Raad - het tegen de uitspraken betreffende de verliesvaststellingsbeschikking en de verliesverrekeningsbeschikking ingestelde beroep gegrond verklaard, die uitspraken van de Inspecteur alsmede de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd en het verlies van het jaar 2004 vastgesteld op € 218.396.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard en het in 2004 verrekende verlies van voorgaande jaren vastgesteld op € 3.531.396. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 24 maart 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beide beroepen in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft op 24 mei 2004 USD 47.564.887 geleend van haar 100%-moedervennootschap B N.V. te België, tegen een wisselkoers EUR/USD van 1,2146, resulterende in een schuld van € 39.160.933. Belanghebbende heeft het ingeleende bedrag eveneens in Amerikaanse dollars op 25 mei 2004 geleend aan haar Nederlandse 100%-dochtervennootschap C B.V. die op 27 mei 2004 hetzelfde bedrag als agio heeft gestort op haar 95%-deelneming in een in Turkije gevestigde vennootschap.

3.1.2. De door belanghebbende verstrekte lening functioneerde bij C B.V. als eigen vermogen en viel daarmee als zogenoemde deelnemerschapslening onder artikel 10, lid 1, letter d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2004; hierna: de Wet), zodat C B.V. ter zake van deze lening geen rente in aftrek kon brengen. De rente die belanghebbende was verschuldigd aan haar moedervennootschap was daarmee op grond van artikel 10a, lid 2, letter b, van de Wet, niet aftrekbaar bij de bepaling van haar belastbare winst. In 2004 heeft belanghebbende € 490.880 (niet-aftrekbare) rente op haar schuld aan haar moedervennootschap betaald.

3.1.3. Op 31 december 2004 heeft B N.V. haar vordering op belanghebbende omgezet in 'agio' (informeel kapitaal) op haar aandelen in belanghebbende. De koersverhouding EUR/USD was op dat moment 1,3621, resulterende in een kapitaalstorting van € 34.920.261. Belanghebbende realiseerde aldus een valutawinst van € 4.240.672 (€ 39.160.933 -/- € 34.920.261).

Belanghebbende heeft die valutawinst aangemerkt als 'valutaresultaat' in de zin van artikel 10a, lid 2, van de Wet en deze winst in haar aangifte gesaldeerd met de door haar tot de omzetting op de lening betaalde rente. Het resterende positieve saldo van € 3.749.792 (€ 4.240.672 -/- € 490.880) heeft belanghebbende als vrijgesteld aangemerkt, stellende dat de bij de fiscale winstbepaling op grond van artikel 10a, lid 1, van de Wet niet in aftrek komende 'renten - kosten en valutaresultaten daaronder begrepen -' een saldobegrip vormen en dat ook een positief saldo buiten de winstbepaling blijft.

De Inspecteur heeft de bij de aflossing van de lening gerealiseerde koerswinst tot de belastbare winst van belanghebbende gerekend, stellende dat artikel 10a, lid 2, van de Wet niet ziet op valutawinsten en dat valutawinsten evenmin kunnen worden gesaldeerd met de op de lening verschuldigde (niet-aftrekbare) rente.

3.2. Het Hof heeft de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd en het bedrag van het te verrekenen verlies gewijzigd in € 3.531.396.

4. Beoordeling van de in het principale beroep en het incidentele beroep voorgestelde middelen

4.1. Het in het principale beroep voorgestelde middel richt zich tegen 's Hofs oordeel dat van het op de lening gerealiseerde koersresultaat een gedeelte gelijk aan de over die lening met betrekking tot het onderhavige jaar verschuldigde rentelast niet tot de belastbare winst dient te worden gerekend.

4.2.1. Artikel 10a, lid 2, letter b, van de Wet luidde:

"2. Bij het bepalen van de winst komen voorts niet in aftrek renten - kosten en valutaresultaten daaronder begrepen - ter zake van geldleningen rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor zover de geldlening verband houdt met één van de volgende rechtshandelingen:

a. (...);

b. een verwerving van - daaronder begrepen storting op - aandelen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten in of schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, op een verbonden lichaam, behoudens voor zover een wijziging wordt aangebracht in het uiteindelijke belang dan wel de uiteindelijke zeggenschap in dat lichaam; of

c. ...)".

4.2.2. Uit de gebezigde terminologie "renten - kosten en valutaresultaten daaronder begrepen - ter zake van geldleningen" volgt dat het voorwerp van de in deze bepaling geregelde aftrekbeperking bestaat in het gezamenlijke bedrag van de genoemde renten, kosten en valutaresultaten op geldleningen die aan de gegeven omschrijving voldoen. Het begrip "resultaten" moet daarbij zodanig worden opgevat dat daaronder zowel winsten als verliezen worden begrepen. In geval van valutawinsten dienen deze te worden gesaldeerd met de genoemde renten en kosten en met eventueel geleden valutaverliezen. Het in het incidentele beroep voorgestelde middel faalt derhalve.

4.3.1. Bij de beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel is de vraag aan de orde op welke wijze artikel 10a van de Wet moet worden toegepast in een geval waarin het bedrag van valutawinsten hoger is dan het gezamenlijke bedrag van renten, kosten en valutaverliezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.2. De wetgever heeft met betrekking tot valutaresultaten op de desbetreffende geldleningen ervoor gekozen van aftrek uit te sluiten het werkelijk gerealiseerde valutaresultaat en niet het bedrag dat nodig is om het vooraf te berekenen valutarisico af te dekken. Dat heeft tot gevolg dat een niet te voorzien bedrag, dat ook losstaat van een bij de belastingplichtige aanwezig oogmerk van ontgaan van vennootschapsbelasting, in de uitsluiting van kostenaftrek wordt betrokken. Reeds opgemerkt is dat artikel 10a, lid 2, van de Wet betrekking heeft op zowel valutaverliezen als op valutawinsten. Het ligt niet in de rede om het bedrag van de valutawinsten te stellen op ten hoogste het bedrag van de voor de toepassing van artikel 10a, lid 2, van de Wet in aanmerking te nemen negatieve posten.

4.3.3. Artikel 10a van de Wet betreft de zogenoemde totaalwinst van de belastingplichtige. De totaalwinst wordt met toepassing van de regels van goed koopmansgebruik over de jaren verdeeld. Het totaal van de jaarwinsten is in beginsel gelijk aan de totaalwinst (over de gehele levensduur) van de belastingplichtige. Indien de eliminatie van valutawinsten wordt beperkt tot het bedrag van de onder artikel 10a, lid 2, van de Wet vallende negatieve posten - renten, kosten en valutaverliezen - zou de totaalwinst kunnen afwijken van de som van de jaarwinsten. Zo zou in dat geval, indien op een onder artikel 10a van de Wet vallende schuld uit geldlening in enig jaar een (niet-aftrekbaar) valutaverlies wordt geleden en in een volgend jaar op die schuld een valutawinst wordt behaald die hoger is dan de onder artikel 10a van de Wet vallende negatieve posten van dat jaar, een gedeelte van een (uiteindelijk niet geleden) valutaverlies dan wel niet geleden valutaverliezen onder de werking van artikel 10a van de Wet vallen.

4.3.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.2 tot en met 4.3.3 is overwogen kan niet worden aangenomen dat de wetgever zou hebben beoogd valutawinsten niet mede onder artikel 10a, lid 2, van de Wet te brengen. De door de Rechtbank gegeven uitleg van de woorden "komen niet in aftrek" is derhalve juist. Het in het principale beroep voorgestelde middel slaagt. De uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

5. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep in cassatie gegrond en het incidentele beroep in cassatie ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 448,

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 448, enveroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2949,75 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2012.