Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU8920

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
10/04807
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2010:BO0522, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesorde; artikel 8:69, lid 1 Awb; omvang geschil; artikel 1, lid 1, Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht; Hof laat na te oordelen over gemotiveerd verzoek om vergoeding van kosten deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3147
V-N 2012/4.11 met annotatie van Redactie
BNB 2012/59
FutD 2011-3149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2011

nr. 10/04807

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X v.o.f. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 september 2010, nr. 09/00018, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/1771) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bedrag van de verschuldigde BPM vastgesteld op € 13.154, en de Inspecteur veroordeeld in de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten van belanghebbende. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 23 november 2007 heeft belanghebbende aangifte voor de BPM gedaan ter zake van de registratie in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens van een door haar in Duitsland gekochte personenauto (hierna: de auto). Belanghebbende heeft in die aangifte de verschuldigde BPM op € 13.612 berekend, uitgaande van een waarde van de auto die was gebaseerd op een rapport van een door haar ingeschakelde taxateur.

3.1.2. Op 27 november 2007 heeft de Inspecteur de auto doen hertaxeren door een andere taxateur. Op basis van het rapport van deze taxateur heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de auto hoger was en dat dientengevolge meer BPM was verschuldigd dan volgens de aangifte van 23 november 2007 was berekend. Daarop heeft belanghebbende op 3 december 2007 het door de Inspecteur berekende (hogere) bedrag aan BPM van € 16.124 betaald. De auto is vervolgens geregistreerd in het kentekenregister.

3.1.3. Het Hof heeft beslist dat het bedrag aan verschuldigde BPM voor de auto op € 13.154 wordt vastgesteld.

3.2.1. Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft nagelaten antwoord te geven op de vraag of de toepassing van artikel 49, lid 1, letter b, van de Wegenverkeerswet 1994, in verband waarmee de Inspecteur in het onderhavige geval tot een hertaxatie van de auto heeft besloten, in strijd is met artikel 28 EG (thans: artikel 34 VWEU).

3.2.2. In cassatie is niet bestreden dat het ingediende bezwaarschrift en de bij de Rechtbank en het Hof gevoerde procedures tot voorwerp hadden de voldoening op aangifte door belanghebbende van een bepaald bedrag aan BPM. Het hiervoor in 3.1.3 vermelde oordeel van het Hof dat belanghebbende een bedrag van € 13.154 aan verschuldigde BPM voor de auto dient te voldoen, wordt in cassatie evenmin bestreden. Daarmee heeft het Hof een eindbeslissing gegeven over het voorwerp van geschil in de door belanghebbende aangespannen procedure. Een en ander brengt mee dat het Hof geen rechtsregel heeft geschonden door het hiervoor in 3.2 omschreven geschilpunt niet inhoudelijk te behandelen, aangezien een oordeel over de toepassing van artikel 49, lid 1, letter b, van de Wegenverkeerswet 1994 geen gevolgen kon hebben voor de hoogte van het verschuldigde bedrag aan BPM. Het eerste middel faalt derhalve.

3.3.1. Het tweede middel betoogt dat het Hof bij de vaststelling van de vergoeding voor de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken, heeft nagelaten een vergoeding vast te stellen voor de kosten van een deskundige.

3.3.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen kosten voor het meebrengen van een deskundige naar de zitting voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende heeft naar de zitting van zowel de Rechtbank als die van het Hof C (hierna: C) meegebracht. Belanghebbende heeft zowel in beroep als in hoger beroep verzocht om vergoeding van de kosten van C als deskundige en in dit verband aan de Rechtbank een factuur van C overgelegd. Op grond hiervan diende het Hof een oordeel te geven over de vraag of de kosten van C als voor een deskundige gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking kwamen en bij een bevestigend antwoord het bedrag van deze vergoeding vast te stellen. Nu in 's Hofs uitspraak een zodanig oordeel ontbreekt, slaagt dit middel.

3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak, voor zover deze de vaststelling van de proceskosten betreft, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de hoogte van de te vergoeden proceskosten.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 448, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.