Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU8751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
11/01156 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Afwijzing aanvrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

Strafkamer

nr. 11/01156 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Assen van 20 augustus 2008, nummer 19/830170-08, ingediend door mr. J.W. Bosman, advocaat te Almelo, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, domicilie kiezende te [plaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 2. "mishandeling, gepleegd tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis omschreven.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. De aanvrager is veroordeeld voor het meermalen mishandelen van [slachtoffer].

In de aanvrage wordt aangevoerd dat [slachtoffer] als getuige in een latere strafzaak (waarin de aanvrager ervan wordt verdacht een zekere [betrokkene 1] te hebben omgebracht) heeft verklaard dat de aanvrager de mishandelingen waarvoor hij bij de onder 1 genoemde uitspraak is veroordeeld, niet heeft gepleegd. Daartoe is bij de aanvrage het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof in genoemde latere strafzaak overgelegd.

3.3. Het bewijsmateriaal waarover de Politierechter destijds beschikte behelst onder meer een gedetailleerde aangifte van [slachtoffer] van door de aanvrager jegens haar gepleegde mishandelingen. Die verklaring vindt bevestiging in een, eveneens gedetailleerde verklaring van de zuster van [slachtoffer] en in verklaringen van genoemde [betrokkene 1] en een zekere [betrokkene 2].

Tegenover dat bewijsmateriaal is de thans overgelegde - globale - verklaring van [slachtoffer] van onvoldoende gewicht om een novum te kunnen aannemen.

Dat wordt niet anders door de, eveneens bij de aanvrage gevoegde verklaringen van een tweetal in de latere strafzaak door het hof gehoorde getuigen die er volgens de aanvrage op neer komen dat zij "doodsbang waren voor [betrokkene 1]".

3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 december 2011.