Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU4799

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
10/03932
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5786, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

inkomstenbelasting; vergrijpboete; Hof heeft ten onrechte een aangevoerde grief niet behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2667 met annotatie van Steenman
FutD 2011-2809
V-N 2011/60.3
V-N Vandaag 2011/2765

Uitspraak

Nr. 10/03932

18 november 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 juli 2010, nrs. BK-09/00708 en 10/00107, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de premie arbeidsongeschikt-heidsverzekering zelfstandigen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Voorts is aan belanghebbende over dat jaar een navorderingsaanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd. De navorderingsaanslagen en de boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/6973 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslagen bevestigd, de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de boete vernietigd, en de boete verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroep in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. D.N.N. Jansen, advocaat te Amsterdam.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Voor zover de klachten inhouden dat het Hof heeft nagelaten een oordeel te geven over de voor het Hof ingenomen stelling dat het niet aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is betaald, slagen zij. Het Hof had die stelling niet onbehandeld mogen laten, zoals het wel heeft gedaan.

3.2. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3. Gelet op het hiervoor in 3.1 overwogene kan 's Hofs uitspraak met betrekking tot de boetebeschikking niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2011.