Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU3271

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
10/04941
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Kinderalimentatie. Door hof vastgestelde bijdrage berust kennelijk op verkeerde berekening. Appelrechter vrij om zonder betoog ouder die bijdrage verzoekt, lagere bijdrage pas op tijdstip beslissing te laten ingaan. Daarvoor nodig dat stellingen oordeel dragen dat zodanig ingrijpende gevolgen dat in redelijkheid geen terugbetaling kan worden verlangd. Oordeel dat van ingrijpende gevolgen sprake is, feitelijk en niet onbegrijpelijk. Hoge Raad doet zelf af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/4
RvdW 2011/1352
NJ 2011/515
NJB 2011/2102
RFR 2012/2
JWB 2011/532

Uitspraak

4 november 2011

Eerste Kamer

nr. 10/04941

DV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vader],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 246658/FA RK 08-1965 van de rechtbank Utrecht van 29 april 2008;

b. de beschikkingen in de zaak met de nummers 249613/FA RK 08-3240 (echtscheiding) en 262575/FA RK 09-877 (geschillenregeling) van de rechtbank Utrecht van 5 november 2008 en 3 juni 2009;

c. de beschikkingen in de zaak 200.039.475 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 september 2009 en 17 augustus 2010.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 17 augustus 2010 heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging.

De advocaat van de vader heeft bij brief van 21 juli 2011 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie gaat het in deze zaak uitsluitend om de kinderalimentatie die de vader aan de moeder dient te betalen. Partijen hebben twee minderjarige kinderen, [de kinderen], geboren op [geboortedatum] 2000 en [geboortedatum] 2002, over wie zij beiden het gezag hebben.

3.2.1 Het hof heeft in zijn eindbeschikking het bedrag dat de vader aan de moeder dient te betalen, bepaald op € 133,-- per kind per maand. Hiertoe heeft het hof overwogen (a) dat partijen het er over eens zijn dat de behoefte van de kinderen € 300,-- per kind per maand bedraagt, (b) dat de kinderen ongeveer evenveel tijd bij de vader als bij de moeder verblijven en dat, in verband daarmee, de kosten van de kinderen waarin de moeder een bijdrage vraagt, de helft van de totale behoefte bedragen, dus in totaal € 300,-- per maand, (c) dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen (in totaal € 600,-- per maand dus) en (d) dat de draagkracht van de vader€ 733,-- per maand beloopt en die van de moeder € 95,-- per maand (rov. 3.5 t/m 3.18).

3.2.2 Onderdeel I.1 van het middel klaagt dat de vaststelling van het hof van de alimentatie op € 133,-- per kind per maand onbegrijpelijk is. Vaststelling van de alimentatie naar rato van ieders draagkracht leidt tot een door de vader voor de beide kinderen te betalen bijdrage van € 232,-- per maand, aldus het onderdeel (want 733/828 x 600= 532 en de vader voldoet de facto al € 300,-- per maand, nu de kinderen de helft van de tijd bij hem verblijven, zodat door hem € 232,-- per maand aan de moeder dient te worden voldaan voor de kinderen).

3.2.3 Deze klacht is gegrond. De hiervoor in 3.2.1 achter (a) tot en met (d) vermelde uitgangspunten van het hof, die in cassatie niet zijn bestreden, laten inderdaad geen andere conclusie toe dan dat, overeenkomstig de berekening van het onderdeel, de bijdrage die de vader aan de moeder dient te betalen voor de kinderen, op € 232,-- per maand dient te worden vastgesteld, derhalve op € 116,-- per kind per maand. De vaststelling van het hof berust kennelijk op een verkeerde berekening.

3.2.4 Na het vorenstaande behoeft de klacht van onderdeel I.2 geen behandeling.

3.3.1 De rechtbank heeft bij haar eindbeschikking van 3 juni 2009 in deze zaak de alimentatie die de vader dient te betalen, bepaald op € 150,-- per kind per maand. Het hof heeft die beschikking vernietigd en de alimentatie voor de periode van de datum van de eindbeschikking van de rechtbank tot de datum van zijn eigen eindbeschikking bepaald op hetgeen de vader feitelijk aan de moeder heeft voldaan, met een minimum van € 133,-- per kind per maand. In dit verband heeft het hof overwogen dat het, gelet op (i) de hoogte van de op grond van de beschikking van de rechtbank betaalde bijdrage, (ii) de hoogte van het inkomen van de moeder en (iii) de leeftijd van de kinderen, aannemelijk is dat de ontvangen bijdrage reeds is uitgegeven (rov. 3.19).

3.3.2 Onderdeel II keert zich tegen dit oordeel met de klacht dat het hof daartoe niet heeft kunnen komen nu de moeder de terugbetaling van hetgeen op grond van de beschikking van de rechtbank is betaald, niet aan de orde heeft gesteld, en dat dit oordeel evenmin berust op de stellingen van partijen als bedoeld in HR 26 juni 2009, LJN BH2288, NJ 2009/304.

3.3.3 Deze klacht faalt. Het staat de appelrechter vrij om ook zonder betoog van de zijde van de ouder die van de andere ouder een bijdrage in het onderhoud van de kinderen verzoekt, de door hem volgens de wettelijke maatstaven bepaalde lagere bijdrage pas op het tijdstip van de beslissing in hoger beroep te laten ingaan. Daarvoor is nodig dat de stellingen van partijen het oordeel kunnen dragen dat een eerdere ingangsdatum door de daarmee gepaard gaande terugbetalingsverplichting tot zodanig ingrijpende gevolgen leidt, dat in redelijkheid geen terugbetaling kan worden verlangd (zie genoemde beschikking van 26 juni 2009). Dit laatste heeft het hof, voor zover blijkt, niet miskend. Zijn oordeel dat van ingrijpende gevolgen sprake is, berust op de hiervoor in 3.3.1 sub (i) tot en met (iii) vermelde feiten, waarvan, bij gebreke van daarop gerichte klachten, in cassatie uitgangspunt moet zijn dat deze op deugdelijke wijze in deze procedure zijn aangevoerd en komen vast te staan. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

3.4 De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat de bijdrage die de vader aan de moeder moet voldoen, dient te worden bepaald op € 116,-- per kind per maand. De Hoge Raad zal dienovereenkomstig beslissen, ook voor de periode van 3 juni 2009 tot 17 augustus 2010. Ook voor de periode vanaf 17 augustus 2010 tot de datum van deze beschikking zal de Hoge Raad de bijdrage die de vader aan de moeder dient te voldoen, vaststellen op hetgeen hij feitelijk heeft voldaan, met een minimum van € 116,-- per kind per maand, op dezelfde gronden als door het hof genoemd voor zijn tevergeefs door onderdeel II bestreden beslissing.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 17 augustus 2010 voor zover het betreft de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kinderen];

bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kinderen] dient te betalen voor de periode van 3 juni 2009 tot de datum van deze beschikking hetgeen hij feitelijk heeft betaald dan wel op hem is verhaald, met een minimum van € 116,-- per kind per maand, en met ingang van de datum van deze beschikking € 116,-- per kind per maand.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 4 november 2011.