Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU2012

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10/03720
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU2012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft ten onrechte niet uitdrukkelijk met redenen omkleed beslist op een gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

Strafkamer

nr. 10/03720

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juni 2010, nummer 23/001962-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de "Detentieboten Zaandam" te Zaandam.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Bouwman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer dat bij de behandeling in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Strafmaat-/modaliteit

[Verdachte] is door de politierechter veroordeeld tot 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hij is het oneens met de hoogte van deze straf, en voert het volgende aan.

- er is sprake van een schending van de redelijke termijn. Het Hof zal einduitspraak doen, terwijl er 2 jaar en 2,5 maand verstreken zijn na het aanwenden van het rechtsmiddel, op 3 april 2008. De verdediging stelt dat de behandeling van de zaak hierdoor niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden zodat er sprake is van schending van het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Er is geen enkele rechtvaardiging voor deze termijnoverschrijding in de complexiteit van de zaak dan wel de opstelling van de verdediging (geen onderzoekswensen etc). De verdediging verzoekt u vanwege deze schending van artikel 6 EVRM strafvermindering toe te passen."

3.3. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond.

3.4. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. De Hoge Raad zal de duur van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden verminderen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 20 december 2011.