Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU1709

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
11/02350
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU1709
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8148, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Verzoek tot wijziging op de voet van art. 1:401 lid 1 BW. Voor wijziging ingevolge art. 1:401 lid 1 - anders dan in het geval waarop art. 1:401 lid 5 het oog heeft - niet vereist dat overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning wettelijke maatstaven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/21
NJB 2012/188
RvdW 2012/35
JWB 2012/8
JPF 2012/29 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2012-0004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2011

Eerste Kamer

11/02350

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden Ten Brink,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 72999 / FA RK 09-939 van de rechtbank Assen 10 maart 2010;

b. de beschikking in de zaak 200.064.512 van het gerechtshof te Leeuwarden van 17 februari 2011.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw en de man zijn gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, op respectievelijk [geboortedatum] 1998 en [geboortedatum] 1999. Echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 25 juni 2003, welke beschikking op 2 juli 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Van de beschikking van 25 juni 2003 maakte deel uit de regeling met betrekking tot de alimentatieverplichtingen als vervat in het echtscheidingsconvenant van 26 mei 2003 en het daarbij gevoegde zogenoemde kinderconvenant. In het kinderconvenant is bepaald dat de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 mei 2003 € 140,-- per kind per maand bijdraagt, met de wettelijke indexering, en dat hij de kosten van naschoolse opvang voor zijn rekening neemt.

Laatstgenoemde kosten bedroegen ten tijde van het ondertekenen van het convenant € 240,-- per maand voor beide kinderen.

3.2.1 De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht de beschikking van 25 juni 2003 in die zin te wijzigen, dat de bijdrage van de man voor de kinderen met ingang van 1 mei 2003 nader wordt bepaald op € 612,-- bruto per kind per maand. Daaraan heeft zij een wijziging van omstandigheden ten grondslag gelegd als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW. De man heeft dit verzoek bestreden en zijnerzijds wijziging verzocht, in die zin dat de door hem te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen zal worden bepaald op nihil.

De rechtbank heeft op grond van gewijzigde omstandigheden de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 376,35 per kind per maand.

3.2.2 De man heeft hoger beroep ingesteld van de beschikking van de rechtbank. Hij heeft verzocht zijn onderhoudsbijdrage aan de kinderen alsnog op nihil te stellen. De vrouw achtte de beschikking juist.

Het hof heeft de beschikking vernietigd en heeft de verzoeken van zowel de man als van de vrouw tot wijziging van de beschikking van 25 juni 2003 en de daaraan ten grondslag liggende convenanten afgewezen.

Daartoe heeft het hof, zakelijk samengevat, het volgende overwogen.

De rechtbank heeft een wijziging van omstandigheden aangenomen die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigt. Daartegen heeft de man geen behoorlijke grief gericht. (rov. 6)

In het echtscheidings- en kinderconvenant hebben partijen destijds een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de kosten van de naschoolse opvang, hetgeen met name volgt uit het feit dat tussen de kinderalimentatie en de kosten van naschoolse opvang in de convenanten niet een rechtstreeks verband is gelegd. Dat een wijziging in de kosten van buitenschoolse opvang van directe invloed zou zijn op de kinderalimentatie blijkt immers niet. (rov. 8) Op grond daarvan dient ervan te worden uitgegaan dat de ouders de bijdrage van de man in de behoefte van de kinderen toen hebben gesteld op € 140,- per kind per maand. Weliswaar heeft de moeder aangevoerd dat dit niet juist is, maar daarvoor had ze een grove miskenning van de wettelijke maatstaven moeten stellen en onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. (rov. 9) Het overeengekomen aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 140,- per kind per maand bedraagt na indexering per 28 april 2009 € 158,- per kind per maand, waarmee de maximaal door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vaststaat (rov. 10).

3.3 Het middel klaagt dat het hof (in rov. 8-10) ten onrechte de door de vrouw verzochte wijziging van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft afgewezen op de grond dat zij niet heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De klacht slaagt. Het hof, dat (in rov. 6) tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden na het aangaan van de convenanten, heeft miskend dat ingevolge art. 1:401 lid 1 BW een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud reeds kan worden gewijzigd, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daartoe is - anders dan in het geval waarop de mogelijkheid tot wijziging of intrekking van de overeenkomst van art. 1:401 lid 5 BW het oog heeft, te weten dat zich sinds het aangaan van de overeenkomst geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan - niet vereist dat de overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 17 februari 2011;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 23 december 2011.