Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BU1359

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
11/03231 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1347
NJB 2011/2069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2011

Strafkamer

nr. 11/03231 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 30 juli 2008, nummer 07/607171-08, ingediend door mr. W.H.R. Hogewind, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, te dezen domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouwe.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal" en 2. "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard", gepleegd op 27 mei 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvrage heeft uitsluitend betrekking op de veroordeling ter zake van feit 2.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. De aanvrager is bij beschikking van 26 januari 2005 op grond van art. 67 Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling verklaard. De Politierechter heeft de aanvrager veroordeeld voor het verblijven in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de zaak niet zou hebben geleid tot die veroordeling, indien de Politierechter bekend was geweest met een beschikking en de daarin vervatte overwegingen van de Minister voor Immigratie en Asiel van 14 maart 2011. Die beschikking houdt in: "Op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden bestaat aanleiding de ongewenstverklaring van betrokkene op te heffen".

3.3. De beschikking is op 14 maart 2011 bekendgemaakt zodat het besluit, ingevolge art. 3:40 van de Algemene Wet Bestuursrecht, met ingang van die datum in werking is getreden. De beschikking houdt niet in dat de ongewenstverklaring wordt ingetrokken noch dat zij wordt opgeheven met terugwerkende kracht. De beschikking kan derhalve niet in die zin worden verstaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 26 januari 2005 geacht moet worden nimmer te zijn gegeven, maar het moet ervoor worden gehouden dat de ongewenstverklaring met ingang van 14 maart 2011 (de datum van de bekendmaking van de beschikking), derhalve na de bestreden uitspraak, is opgeheven.

3.4. Aangezien de in de aanvrage bedoelde opheffing van de ongewenstverklaring zich pas na het wijzen van de onder 1 vermelde uitspraak heeft voorgedaan, is te dezen geen sprake van een omstandigheid als hiervoor bedoeld onder 3.1.

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 oktober 2011.