Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT8771

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
11/00309 en 11/00342
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:24, lid 3, Awb. In geval van een door een advocaat ingediend beroepschrift wordt procesvertegenwoordigingsbevoegdheid verondersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/53.8 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2011/2568
Belastingadvies 2011/22.8
BNB 2011/296
FutD 2011-2544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nrs. 11/00309 en 11/00342

21 oktober 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van A, domicilie gekozen hebbende te Z, (hierna: de erven), alsmede op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 december 2010, nr. 04/01598, betreffende diverse belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Bij het Hof is beroep ingesteld tegen uitspraken van de Inspecteur op de bezwaren tegen diverse belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen.

Het Hof heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel de erven als de Staatssecretaris hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De erven en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend. De erven hebben tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

De beroepschriften in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

De erven hebben zowel in het principale beroep als in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. A (hierna: de erflater) is overleden op 4 februari 2001.

3.1.2. De hierboven onder 1 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen zijn opgelegd respectievelijk vastgesteld ten name van de erflater, alle na haar overlijden.

3.1.3. De belastingaanslagen en beschikkingen zijn toegezonden aan de erven, per adres X1 (hierna: X1).

3.1.4. De erflater had volgens de wet twee erfgenamen, X1 en X2 (hierna: X2). X2 - die onvindbaar is gebleken - is niet in kennis gesteld van de hiervoor onder 1 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen.

3.1.5. X1 heeft de nalatenschap van de erflater verworpen.

3.1.6. Tegen de hiervoor onder 1 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen zijn in naam van X1 bezwaarschriften ingediend door C, advocaat te S. Dit is geschied nadat X1 de nalatenschap had verworpen.

3.1.7. De Inspecteur heeft de belastingaanslagen en beschikkingen gehandhaafd. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op naam van de erven van A.

3.1.8. De beroepen zijn ingesteld door C in naam van "de erven A".

3.2. Het Hof heeft de beroepen van de erven gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de bezwaren tegen de eerderbedoelde belastingaanslagen en beschikkingen alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

4.1. Het middel betoogt onder meer dat het Hof de beroepen niet-ontvankelijk had moeten verklaren, nu X1 de nalatenschap heeft verworpen en uitgesloten is dat X2 zich voor het Hof heeft laten vertegenwoordigen.

4.2. Het middel faalt in zoverre. Het beroepschrift is in naam van de erven ingediend door een advocaat, en in een zodanig geval wordt diens procesvertegenwoordigingsbevoegdheid verondersteld (artikel 8:24, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht).

4.3. Het middel gaat voor het overige uit van de onjuiste veronderstelling dat de beroepen zijn ingesteld namens X1, en behoeft daarom in zoverre geen bespreking.

5. Het incidentele beroep

5.1. Het middel voert aan dat het Hof een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedures had moeten toekennen omdat X1 er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat het aan haar was om tegen de hiervoor onder 1 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen verweer te voeren.

5.2. Het middel faalt. Nu X1 de nalatenschap had verworpen, kon zij niet worden aangemerkt als erfgenaam. Zij was derhalve niet bevoegd om in die hoedanigheid bezwaar te maken. Het Hof heeft dan ook terecht de door X1 in eigen naam gemaakte bezwaren tegen belastingaanslagen en beschikkingen die ten name van de erflater zijn opgelegd respectievelijk vastgesteld niet-ontvankelijk verklaard. Indien X1, die door een advocaat werd bijgestaan, al redelijkerwijs mocht menen dat zij tegen die belastingaanslagen en beschikkingen moest of mocht opkomen, doet die omstandigheid in dit verband niet ter zake.

6. Beoordeling van de door de erven voorgestelde middelen

De middelen falen wegens het ontbreken van feitelijke grondslag. Zij berusten immers op de veronderstelling dat het Hof in de onderhavige zaak artikel 3 dan wel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft toegepast, wat niet het geval is.

7. Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep in de zaak met nummer 11/00309 zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Wat betreft het incidentele cassatieberoep in die zaak en het cassatieberoep in de zaak met nummer 11/00342 acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris en beide beroepen in cassatie van de erven ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het principale beroep in cassatie in de zaak met nummer 11/00309 aan de zijde van de erven, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.