Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT8449

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
10/03947
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT8449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Procesrecht; devolutieve werking hoger beroep. Hof heeft miskend dat man, teneinde zijn draagkrachtverweer in hoger beroep opnieuw aan de orde te kunnen stellen, geen incidentele grief behoefde aan te voeren tegen overweging rechtbank met betrekking tot verdiencapaciteit man.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/20
NJB 2012/186
RvdW 2012/34
RFR 2012/27
JWB 2012/5
JPF 2012/28 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2011

Eerste Kamer

10/03947

EE/RA

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J. de Groen,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 175308/ES RK 08-646 van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2009;

b. de beschikking in de zaak 200.045.354 van het gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2010.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 26 juli 2002 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 2004 een dochter geboren.

(ii) Het huwelijk is op 21 augustus 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 juli 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1 In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 500,-- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter. De rechtbank heeft overwogen dat de man geen draagkracht had om partneralimentatie te betalen en heeft in het dictum het alimentatieverzoek van de vrouw afgewezen.

3.2.2 Op het door de vrouw ingestelde hoger beroep heeft het hof de beschikking vernietigd en - voor zover thans van belang - de in hoger beroep verzochte kinderalimentatie van € 790,-- per maand toegewezen.

Het hof heeft voorts bepaald dat de man met ingang van 21 augustus 2009 een bedrag van € 3.368,-- per maand aan partneralimentatie dient te betalen. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

"4.15 De man heeft niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat hij, gelet op zijn eerdere functies, werkervaring en zijn zakelijke contacten in staat moet worden geacht een inkomen te verwerven van € 120.000,-- per jaar, zodat het hof dit inkomen, evenals de rechtbank, bij de bepaling van de draagkracht van de man als uitgangspunt neemt."

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat de man geen reden had om incidenteel hoger beroep in te stellen tegen de door het hof in rov. 4.15 weergegeven overweging van de rechtbank.

De klacht is terecht voorgesteld.

De rechtbank heeft weliswaar overwogen - kort gezegd - dat de man in staat moet worden geacht een inkomen te verwerven van € 120.000,-- per jaar, maar deze overweging heeft niet geleid tot een voor de man nadelig dictum, nu de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie heeft afgewezen. Het hof heeft miskend dat de man derhalve, teneinde zijn verweer met betrekking tot het in aanmerking te nemen inkomen in hoger beroep opnieuw aan de orde te kunnen stellen, geen incidentele grief behoefde aan te voeren tegen voormelde overweging van de rechtbank.

De beschikking van het hof moet daarom worden vernietigd. Onderdeel 3 behoeft derhalve geen behandeling.

3.4 De in onderdeel 2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 23 december 2011.